VVD jaaroverzicht 1984

Uit: L. Koeneman, P. Lucardie en I. Noomen,  ‘Het Partijgebeuren. Kroniek van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 1984’ in: R. A. Koole (red.), Jaarboek 1984 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1985), 10-60, aldaar 57-60.

De VVD kwam in 1984 vaak in het nieuws ten gevolge van spanningen met haar coalitiepartner, het CDA, de geplande PTT-verhuizing en de RSV-enquête. Het effect van deze spanningen moet men echter niet overschatten. De regeringscoalitie bleef in feite onbedreigd. De VVD leek dan ook intern niet zeer zwaar aangeslagen door deze gebeurtenissen - zelfs niet bij de toch enige verdeeldheid in eigen kring veroorzakende PTT-verhuizing. Zij verloor weliswaar leden dit jaar, maar verschilde daarin weinig van andere grote partijen. In maart breidde ze haar organisatie overigens uit met een (voorlopige) Kamercentrale IJsselmeerpolders.

Op 16 en 17 maart hield de VVD een algemene vergadering te Hattem. De belangrijkste onderwerpen waren van huishoudelijke aard: besluitvormingsprocedures, voorwaardelijke verhoging van de contributie, herbenoeming bestuursleden. Hans Nord werd tot lijsttrekker bij de Europese verkiezingen gekozen in plaats van de enigszins omstreden Cees Berkhouwer. De VVD ging die verkiezingen in met een in samenwerking met andere Europese liberale partijen opgesteld program, maar zou op de Partijraad van 19 mei te Haarlem een aantal eigen stellingen over Europese politiek aanvaarden. Naar aanleiding van kritische vragen uit de vergadering ontkende politiek leider Ed Nijpels dat de VVD zou toestemmen in plannen voor beperkingen van het ziekenfondspakket. Het CDA-Kamerlid Ad Lansink, van mening dat hierover wèl afspraken tussen zijn partij en de VVD bestonden, beschuldigde daarop Nijpels van 'politiek bedrog’. Het zou niet het laatste incident in de verhouding tussen de coalitiepartners in 1984 zijn. In zijn toespraak tot de Algemene Vergadering schonk Nijpels vrij veel aandacht aan de kruisrakettenkwestie. Reeds in februari had hij de kwestie een ‘tijdbom onder het kabinet’ genoemd. In maart stelde hij de rol van de onderwijsbond ABOP en de Raad van de Kerken bij het verzet tegen de kruisraketten aan de kaak. Hij wees voorts op de verplichtingen van het NAVO-lidmaatschap. Minister Gijs van Aardenne sprak de algemene vergadering in dezelfde geest toe. Afwijzing van plaatsing der kruisraketten zou niet alleen het gezag van Nederland in de wereld tot een minimum reduceren, maar ook een oorlog dichterbij brengen. De VVD-ministers zouden zich dan ook uit het kabinet terugtrekken indien dat zou besluiten de wapens in Nederland niet te plaatsen.

Het kabinetsbesluit van 1 juni gaf hiertoe echter geen aanleiding. Een actiegroep tegen de kruisraketten stelde vooral de VVD aansprakelijk voor het besluit en bezette onder het motto "Wie plaatst kan de knal verwachten" op 4 juni het Stikkerhuis van de VVD in Amsterdam. Mobiele Eenheden van de politie ontruimden het pand dezelfde dag. De VVD schatte de schade op enkele tienduizenden guldens. Buiten Nederland werd het kabinetsbesluit vaak uitgelegd als afstel in plaats van uitstel van plaatsing. Het Tweede Kamerlid Jan Dirk Blaauw (VVD) werd om die reden in juni gepasseerd bij het voorzitterschap van de Assemblee van de West-Europese Unie.

Bij de verkiezingen voor het Europese Parlement in juni won de VVD negentien procent van de uitgebrachte stemmen, genoeg voor vijf zetels. Dat betekende één zetel winst vergeleken met de Europese verkiezingen van 1979, maar vier procent verlies ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezingen van 1982. Dat verlies kwam volgens een enquête vooral ten goede aan het CDA, in mindere mate aan PvdA en Centrumpartij. De voorzitter van de Tweede Kamerfractie, Nijpels, kreeg ondanks zijn ‘onverkiesbare’ plaats onderaan op de lijst ruim 100.000 voorkeursstemmen: voldoende voor een zetel. Na overleg met zijn fractie en het hoofdbestuur van de VVD besloot hij echter de zetel niet te aanvaarden.

In juli richtten fractievoorzitter Nijpels en partijvoorzitter Jan Kamminga een verzoek tot hun partijleden in openbare bestuursfuncties en vertegenwoordigende lichamen om buiten de contributie een deel van hun inkomsten af te staan aan de partij. Tot dan toe hadden slechts 39 van de 2516 politici dat gedaan. Ten gevolge van een verlies van ongeveer 3500 leden was een tekort in de partijkas ontstaan.

Op 22 september kwam de Partijraad van de VVD in Utrecht bijeen. Discussie met Tweede Kamerfractieleden nam een groot deel van de tijd in beslag. In een toespraak sprak Nijpels zich uit voor het woonlandbeginsel bij kinderbijslag: voor kinderen in goedkopere landen als Turkije en Marokko zou die minder kunnen bedragen dan voor kinderen in Nederland. Terwijl hij het sociaal-economisch beleid van het kabinet steunde, pleitte hij wel voor beperking van de inkomensachteruitgang voor zogenaamde meerjarige echte minima (personen met een minimuminkomen zonder verdienende partner).

Begin november ontstond enige spanning binnen de VVD rond de voorgestelde verhuizing van de PTT-hoofddirectie van Den Haag naar Groningen. Toen de Commissaris van de Koningin in Groningen, Henk Vonhoff (VVD), vernam dat slechts 2200 van de 3000 directiemedewerkers zouden verhuizen en dat de directeur-generaal slechts een deel van de week in Groningen zou verblijven, sprak hij van ‘geknoei en gedraai’ en beschuldigde de verantwoordelijke minister, Nelie Smit-Kroes (VVD), van ‘niet betrouwbaar en zelfs deloyaal gedrag’. Tijdens de VVD-Partijraad op 17 november te Hoogeveen legden de twee politici dit conflict overigens weer bij.

Op die Partijraadsbijeenkomst trachtte politiek leider Nijpels ook de verhouding tussen de twee regeringspartijen te verbeteren, die vooral door onenigheid over de zogenaamde tweeverdienerswet en de arbeidstoeslag enigszins gespannen was geworden. Hij herhaalde zijn wens, dat ook voor een volgende kabinetsperiode een coalitie tussen zijn partij en het CDA tot stand zou komen. De Partijraadsleden aanvaardden een rapport van de Prof. Mr. B.M. Teldersstichtinq over jeugdwerkloosheid, waarin een aantal maatregelen werd voorgesteld, zoals loonsubsidies voor langdurig werkloze jongeren, een soepeler ontslagrecht en uitbreiding van deeltijdbanen. De Partijraad verklaarde zich solidair met minister Van Aardenne, die in die tijd bloot stond aan scherpe kritiek op zijn rol in de RSV-affaire. Als minister van Economische Zaken in het eerste kabinet-Van Agt (1978-1981) had hij bewust de Tweede Kamer niet willen inlichten over financiële toezeggingen gedaan aan het Rijn-Schelde-Verolme concern. De enquêtecommissie van de Tweede Kamer noemde zijn gedrag in haar rapport ‘onaanvaardbaar’. Hoewel dit rapport pas in december verscheen, lekte de inhoud al eerder uit. In november bleek dat een maand eerder gesprekken hadden plaatsgevonden tussen enerzijds VVD-fractievoorzitter in de Tweede Kamer Nijpels en vicefractievoorzitter Albert-Jan Evenhuis en anderzijds Henk Korthals, VVD-lid van de enquêtecommissie, en Lenn Rempt-Halmmans, plaatsvervangend lid namens de VVD in die commissie. Nijpels beschuldigde daarna de commissie van onzorgvuldig handelen ten opzichte van minister Van Aardenne. De commissie wees deze beschuldigingen van de hand en verweet op haar beurt Korthals en Rempt schending van vertrouwelijkheid. Het VVD-Kamerlid Theo Joekes, de tweede ondervoorzitter van de enquêtecommissie, onderschreef dit verwijt van de commissie. Bij de verschijning van het rapport in december gaf Korthals een persconferentie waarop hij zijn minderheidsstandpunt in het rapport toelichtte en verklaarde dat een waardeoordeel over minister Van Aardenne hem in conflict zou brengen met zijn politieke loyaliteit als VVD-lid.

Op 22 en 23 november vierde de met de VVD verwante Prof. Mr. B.M. Teldersstichting haar dertigjarig bestaan met een conferentie over de verhouding tussen VVD en PvdA in Hotel Des Indes te Den Haag. De meeste sprekers achtten die verhouding beter dan in de jaren '70, maar nog niet goed genoeg voor een regeringscoalitie. Ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van de Teldersstichting verscheen tevens de (feest)bundel PvdA-VVD: illusie of monsterverbond.

Op 15 december hield de VVD een buitengewone algemene vergadering te Dordrecht. Huishoudelijke onderwerpen bepaalden de agenda, in het bijzonder de verhouding tussen VVD en JOVD (Jongerenorganisatie Vrijheid en Democratie). Het hoofdbestuur legde de vergadering een ontwerpovereenkomst met de JOVD voor. De JOVD zou de status van ‘bijzondere groep’ krijgen en dus het recht hebben om moties op algemene vergaderingen in te dienen. De twee organisaties zouden nauw gaan samenwerken bij de scholing van jongeren. Een lid van het dagelijks bestuur van de VVD zou zich speciaal met deze en andere jongeren-zaken belasten; vóór zijn benoeming wilde het hoofdbestuur met de JOVD overleg plegen. De JOVD zou echter haar onafhankelijkheid bewaren. De jongeren-contactgroepen die in een aantal Kamercentrales (Leiden, 's-Hertogenbosch, Groningen) jonge VVD-leden buiten de JOVD hadden weten te organiseren, zouden hiermee in feite verdwijnen. Afgevaardigden van die Kamercentrales uitten dan ook wel bezwaren tegen de overeenkomst, maar uiteindelijk keurde de vergadering deze toch goed. Wel diende de overeenkomst in 1987 opnieuw ter discussie gesteld te worden. De buitengewone algemene vergadering sprak steun uit aan minister Van Aardenne - al liet een enkeling kritische geluiden horen. Van Aardenne erkende op 18 december in de Tweede Kamer dat hij dit lichaam niet correct had ingelicht tijdens zijn vorige ambtsperiode, maar ontkende enige opzet tot misleiding. De minister liet de kritiek uit de Kamer over zich heen gaan en toonde geen enkele neiging tot aftreden. Deze kwestie zou ook in 1985 de gemoederen nog sterk bezighouden.

 

 

Laatst gewijzigd: 1 20-05-2021 09:38:43