PvdA jaaroverzicht 1997

Uit: B. de Boer, P. Lucardie, I. Noomen en G. Voer­man, 'Kroniek 1997. Overzicht van de partijpolitieke gebeurte­nissen van het jaar 1997' in: G. Voerman (red.), Jaarboek 1997, Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1998), 13-90, aldaar 58-68.

inleiding

Voor het eerst sinds jaren ging het de PvdA in 1997 weer voor de wind. De daling van het ledental werd mede dankzij een in­ten­sieve advertentiecampag­ne een halt toegeroe­pen. In de pei­lin­gen stond de partij er goed voor; begin novem­ber bereik­te zij zelfs een hoogtepunt van 44 Tweede-Kamerze­tels. Boven­dien maakte het interne partijle­ven een meer opge­wekte indruk dan in voorgaande jaren. Partij­voorzit­ter F. Rottenberg waar­schuw­de in zijn afscheids­rede dan ook voor zelfgenoeg­zaamheid.

partijcongres en voorzitterschap

In 1996 had partijvoorzitter Rottenberg al aangekondigd zich wegens gezondheidsproblemen in 1997 niet herkiesbaar te stel­len. Waarne­mend voorzitter R.L. Vreeman stelde zich evenmin kandidaat, maar suggereerde de naam van mevr. K.Y.I.J. Adel­mund, vice-voor­zitter van de Tweede-Kamerfractie (zie Jaarboek 1996 DNPP, blz. 57-58).

Uiteindelijk stelden zich zes perso­nen - drie vrou­wen en drie man­nen - kandidaat voor het partijvoorzitterschap, waarvan echter alleen Adelmund landelijke be­kendheid en de steun van het partijbestuur genoot. Het partij­con­gres, dat op 14 en 15 februari in Den Haag bijeen kwam, koos Adel­mund met een over­weldigende meerderheid (97%) tot voorzit­ter. Men wilde haar daarbij niet dwingen haar zetel in de Tweede Kamer op te ge­ven. Hierop hadden met name de Jonge Socia­listen aangedron­gen, uit vrees voor belangencon­flicten indien zij beide func­ties zou combineren. Adelmund zelf zei die vrees niet te delen. Niettemin nam ze geen zitting in de adviescom­missie Kandi­daatstelling voor de Tweede-Kamerverkiezingen, waarvan norma­liter de partijvoorzit­ter deel uitmaakt. Zij kon­digde verder aan, het ver­nieu­wende beleid van Rottenberg voort te willen zetten. In haar congres­rede sprak zij als haar motto uit: 'wonen, werken en liefheb­ben'. Als vice-voorzitter van de Tweede-Kamerfractie werd zij opge­volgd door haar fractie­genote mevr. A.M. Vliegenthart, kamerlid sinds 1987.

Naast de voorzitter moesten ook de andere leden van het par­tijbe­stuur opnieuw gekozen worden. Vreeman en W. Etty werden herko­zen als vice-voorzitter respectievelijk penning­meester, ter­wijl E. Hallesleben het partijse­cretariaat over­nam; zij was voorheen wethouder in Rotter­dam geweest. In het nieuwe partij­bestuur vormden vrouwen een meerderheid. Vreeman raadde de partij in zijn toespraak aan, op zoek te gaan naar 'nieuwe ideolo­gische veren' (NRC-Handelsblad, 15 februari 1997) en daarbij afstand te bewaren tot de vrije markt zonder in bu­reaucratisch centralisme te vervallen.

De voorzitter van de Tweede-Kamerfractie, J. Wallage, viel in zijn rede de coali­tiepartner VVD aan op haar streven het mini­mumloon af te schaffen. Hij had overigens al in janua­ri soort­gelijke uitla­tingen gedaan, evenals zijn partijgenoten A.P.W. Melkert (mi­ni­ster van Sociale Zaken en Werkgelegen­heid) en minister-presi­dent W. Kok. Deze laatste toonde zich in zijn con­gresrede optimis­tisch over de economische vooruit­zichten en beloofde de 'mee­vallers' te besteden aan belasting­verlaging voor bejaarden en mogelijk een verhoging van de bijzonde­re bijstand.

Het congres sprak zich uit voor een nogal afgezwakte motie van een zeven­tal afdelingen, waaronder Rotterdam en Haar­lem, die geleidelijk koopkracht­herstel beoogde voor burgers die langdu­rig op een uitke­ring waren aangewe­zen. Het congres stemde voorts vrijwel geheel in met de notitie van het Tweede-Kamer­lid J.P.C.M. van Zijl over het pensioen­stelsel, getiteld Een onbezorgde oudedag; haal­baar en betaal­baar (zie Jaarboek 1996 DNPP, blz. 60). Zijn voorstel voor een bufferfonds voor de AOW was overigens al kort voor het congres overgenomen door het kabinet. Ook de rapporten over sociale zeker­heid (Sociale zekerheid bij de tijd) en over buitenlands beleid (Voorbij de waterlinie. Het buiten­land van de PvdA) werden nagenoeg zonder wijzigingen goedgekeurd.

Een meerderheid van de afgevaardigden sprak zich uit tegen de verhuizing van het partijkantoor uit Amsterdam naar Den Haag, zoals het partijbestuur had besloten. Op 1 september verhuisde de partij wel binnen Amsterdam, van de Nicolaas Witsenkade naar de Heren­gracht.

kandidaatstelling Tweede-Kamerverkiezingen

De voorbereidingen voor de volgende kamerverkiezingen veroor­zaakten af en toe enige beroering in de partij. In maart kon­digde het Tweede-Kamerlid mevr. G.A. Dijksman aan, geen tweede zit­tingspe­riode te ambiëren; ze zou zelfs - zo bleek later - al in september de Kamer verlaten en weer een functie bij de politie aanvaarden. Als reden noemde zij (in een brief aan haar fractie) de 'hoge zuur­graad', 'technocrati­sche sfeer' en 'ziel­loze', gesloten cul­tuur van de fractie. Zij signaleerde daar­bij voortdurende spanning tussen de in 1994 nieuw gekozen fractie­leden - waar zij zelf toe behoorde - en de oude garde. Andere fractieleden, zoals de - eveneens in 1994 gekozen - R. Oudkerk, mevr. M. Sterk en voormalig Europarle­mentariër E.P. Wol­tjer, bleken haar kri­tiek tot op zekere hoogte te delen. Oudkerk stelde zich overi­gens wel herkiesbaar, Woltjer niet.

De partijtop leek intussen verdeeld over de vraag of de frac­tie ook in 1998 drastisch vernieuwd diende te worden. Vreeman en Adelmund streefden daar naar, en kregen daarbij steun van jongeren uit de 'Niet Nix'-groep, maar niet van fractievoor­zit­ter Wallage en maar ten dele van A.J. Dunning, de voorzit­ter van de advies­commissie Kandi­daatstelling. De PvdA riep overi­gens al in april per adverten­tie in enkele dagbladen be­langstellenden op zich bij de adviescom­missie aan te melden en kreeg daarop 462 reacties.

Op 24 november bood de commissie haar advies aan het partijbe­stuur aan, dat op 28 novem­ber de ontwerpkandidatenlijst vaststelde. De lijst werd uiteraard aangevoerd door premier Kok, gevolgd door fractievoorzitter Wallage en partijvoorzit­ter Adelmund. De volgende vijf plaatsen waren gereserveerd voor ministers en staatssecretarissen. Drie bewindslieden - J.M.M. Ritzen, mevr. E.M.A. Schmitz en mevr. A.G.M. van de Vonder­voort - hadden zich niet herkiesbaar gesteld. Op de tiende plaats stond een nieuweling, de directrice van het Joods Historisch Museum in Amsterdam, mevr. J. Belinfante. De lijst van vijftig kandidaten telde evenveel mannen als vrou­wen, en in totaal zeventien nieuwelin­gen. Van de zittende ka­merle­den zouden er tien niet meer terugkeren.

H. Vos en technolease

Tot die kamerleden die na de verkiezingen van 1998 niet meer terug zouden keren, behoorde ook H. Vos. Hij verklaar­de in november zich om gezond­heidsredenen niet meer kandidaat te zullen stellen. In februari was Vos in opspraak geraakt. Als voorzit­ter van de Kamer­commissie voor Economische Zaken zou hij volgens het NRC-Han­dels­blad (4 februari 1997) geluids­banden hebben laten wissen die zouden kunnen aantonen, dat de Tweede Kamer door het kabi­net Lubbers-Kok in 1994 onvoldoende was ingelicht over de fiscale kosten voor het Rijk van het zoge­naamde tech­no­lease-contract tussen Fokker en de Rabobank. Volgens dit contract zou Fokker techni­sche kennis via een dochtermaat­schappij aan de bank verkopen en vervol­gens weer terug-huren. De overheid zou zodoende minder belastingen van Fokker kunnen innen. Op soortgelijke wijze had Philips met de Rabobank een technolease-contract gesloten, waarmee nog veel meer geld was gemoeid. De Algemene Rekenkamer zou beide zaken onderzoeken en stuitte daarbij op de gewiste banden.

Vos ontkende de aantijgingen en eiste van het NRC-Handelsblad in een kort geding rectificatie van het bericht. De rechtbank in Haarlem wees deze eis op 20 februari echter af. De Tweede Kamer conclu­deerde overigens zelf in juni dat zij toch vol­doende was ingelicht in 1994.

H. Houda

Het Tweede-Kamerlid H. Houda werd op 28 augustus in het tele­vi­siepro­gramma NOVA beschuldigd van belastingfraude. De uit Ma­rokko afkomsti­ge ondernemer zou inkomsten uit zijn importbe­drijf Houda Textiel BV niet hebben opgegeven aan de belasting­dienst en evenmin hebben laten aftrekken van zijn inkomsten ('schadeloosstel­ling') als kamer­lid. Formeel had hij bij zijn intrede in de Kamer de leiding van het bedrijf aan zijn vrouw overge­dragen, maar in feite zou hij zich er regelmatig mee hebben bemoeid. Houda achtte zich onschuldig en wilde een onafhankelijk persoon de be­schuldigin­gen laten onderzoeken.

Het fractiebestuur nam deze suggestie over. Het onderzoek werd verricht door F.G. Kordes, oud-president van de Algemene Reken­kamer. Naar aanleiding van deze affaire werd ook kritiek geuit op het optreden van Houda als kamerlid en daar­voor als lid van de Haarlem­se gemeenteraad, dat inhoudelijk weinig zou voor­stellen. Op 24 september bracht Kordes verslag uit. Houda zou weliswaar 'fiscaal-technisch' zuiver, maar 'maatschappe­lijk-ethisch' onjuist gehandeld hebben door zich als groot-aandeelhouder met het importbedrijf te blijven bemoeien zonder daar inkomsten voor te ontvangen. Kordes vond overigens ook dat de fractie tekort geschoten was in de begelei­ding van het in 1994 aangetreden kamerlid. De betrokkene zei hierop toe, alsnog neveninkomsten te zullen verrekenen met zijn 'schade­loosstelling' als kamerlid, maar legde het advies van zijn fractie om zijn zetel op te geven naast zich neer.

Op 12 november trad Houda alsnog af onder druk van zijn frac­tie, nadat twee personeelsleden van zijn bedrijf eerder in NOVA hadden verklaard dat Houda hen tot valse ver­klaringen in het onderzoek had aangezet en boven­dien belas­tingfraude ge­pleegd zou hebben. In december stelde de rechter in deze zaak Houda overigens in het gelijk. Houda werd opge­volgd door de docente bestuurskunde mevr. M. Wage­naar.

ontwerpprogramma Tweede-Kamerverkiezingen

Op 6 september hield de partij in Utrecht een congresconferen­tie over enkele bouwstenen voor het verkie­zings­program. Daar­bij leverden P. Kalma en F. Bec­ker, directeur respectievelijk adjunct-directeur van de Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de PvdA, kri­tiek op het 'econo­misti­sche' beleid van het kabinet-Kok. In hun notitie Zeven amen­dementen op het poldermodel stelden zij vooral de grote uitgaven voor infrastructuur ter discussie en vroegen zij meer aandacht voor ecologische en soci­aal-culturele kwesties. In zijn rede tot de conferentie zei Kok het kabi­netsbeleid voort te willen zetten, maar met 'nieu­we accenten' op sommige ter­reinen, zoals de inrichting van Nederland, sociale zeker­heid, zorg en onder­wijs. Wallage nam het in zijn toe­spraak op voor langdu­rig werklozen, die een extra uitkering zouden moeten krijgen.

Het Tweede-Kamerlid J.P. Rehwinkel schetste een nieuwe opzet voor de studiefinan­ciering. De prestatiebeurs zou weer plaats moeten maken voor een volledige beurs voor studenten uit lagere inkomens­groepen en voor een combinatie van beurs en lening voor de rest. Dit plan was ontworpen door een commissie van de PvdA, waarvan naast Rehwinkel de oud-staatssecreta­ris­sen R.J. in 't Veld en M.J. Cohen en fractievoorzitter (overi­gens ook oud-staatssecretaris) Wallage deel uitmaakten. De com­missie nam daarmee impliciet afstand van het beleid van haar partij­genoot, minister Ritzen.

Het ontwerpverkiezingsprogram was ge­schre­ven door een pro­ject­groep onder leiding van Adelmund en Wallage, in samenwer­king met een breed program­maberaad en een werkgroep 'finan­cieel sociaal-economisch raamwerk' onder leiding van minister Melkert. Het concept werd op 29 sep­tem­ber door het par­tij­be­stuur be­spro­ken en op 6 oktober in Rotterdam aan premier Kok aange­boden. Vervolgens begon de partij in verschillende steden discussie­bijeenkomsten over het programma te houden. De defi­ni­tie­ve tekst zou door het congres in ja­nuari 1998 worden vastge­steld.

In het program, getiteld Een wereld te win­nen, viel de nadruk op werk, scho­ling en inkomen. De PvdA wilde de over­heid meer laten investe­ren in gezond­heids­zorg, onder­wijs en veiligheid (onder andere meer poli­tie). Uitgaande van 2% economische groei en bezuinigin­gen hoop­te de partij ruim dertien miljard gulden voor deze inves­terin­gen te kunnen uit­trekken. Voorts zou milieuver­vui­ling meer en laag betaald werk juist minder belast moeten worden. Schiphol mocht uit­breiden binnen de vastgelegde mi­lieunormen. Ook stelde de partij voor, burgers voort­aan hun burgemees­ter direct te laten kiezen - een voor­stel dat nogal wat weerstand opriep binnen en vooral buiten de partij.

Het program ontlokte vooral stevige kritiek van de VVD. Minis­ter van Financiën G. Zalm (VVD) vond de lasten­ver­lichtingen voor burgers te gering en meende dat de PvdA het financie­rings­tekort nauwe­lijks wilde verminderen. Zijn partijgenoot, minister van Bin­nenland­se Zaken H.F. Dijk­stal, dacht zelfs in november dat het pro­gram voortzetting van het huidige kabi­netsbeleid onmo­gelijk zou maken. De kri­tiek van VVD-zijde op het PvdA-program, en omge­keerd die van PvdA-ministers op het conceptpro­gram van de VVD (zie in deze Kroniek onder VVD), zorgden voor lichte spanning binnen het kabinet.

Kritiek op het PvdA-program kwam echter ook uit eigen gelede­ren. Oud-minister E. van Thijn noemde in het par­tij­blad PvdA-Vlug­schrift (11 oktober 1997) de geringe aan­dacht voor het vreemdelin­genbeleid 'een beetje armetie­rig' en signa­leerde 'een ware kaalslag' in de bestuur­lijke vernieu­wings­agenda. Van Thijn had overigens in juli even gedreigd zijn partij­lidmaat­schap op te zeggen naar aanleiding van de beslissing van de staatssecretaris van Justitie, zijn partijgenote Schmitz, de ille­gaal in Nederland verblij­vende fami­lie Gümüs naar Turkije terug te sturen, maar had dit dreige­ment uiteindelijk niet uitgevoerd. Ook in de oratie waarmee hij op 26 november de Cleve­ringa-leerstoel aan de Leidse universiteit aanvaardde, leverde hij kritiek op het minderhedenbeleid in Nederland.

Minister J.P. Pronk van Ont­wik­ke­lings­samenwer­king liet zich eveneens kritisch uit over de passage over vreemdelingenbeleid in het ontwerppro­gram. Hij had bovendien graag gezien dat men het budget voor ontwik­ke­lings­sa­menwerking zou verhogen. De Evert Vermeer Stichting (EVS), de organisatie voor ontwikke­lingssamen­werking van de PvdA, viel Pronk op dit punt bij.

Niet Nix

E. van Bruggen en L. Booij, die in 1995 het jongerennetwerk 'Niet Nix' hadden opgericht (zie Jaarboek 1996 DNPP, blz. 62), droegen januari 1997 hun functie als coördinatoren over aan T. Wallaart en J. Vos. Op 13 februari organiseerden laatstgenoem­den een 'schaduw­congres' over thema's als milieu, kennis en internati­onaal beleid. In mei en juni vonden zeven bijeenkom­sten plaats in verschillende steden over onderdelen van het verkiezings­program-in-wording.

Op 20 september werd in Amsterdam het 'Niet Nix-toe­komstfes­ti­val' gehouden, waaraan onder meer Adelmund en Rottenberg, de be­windslieden Mel­kert, Ritzen en mevr. T. Netelenbos, Euro­parlemen­ta­riër H. d'An­cona en oud-minister Van Thijn deelna­men. Naast debatten en werkgroe­pen was er muziek, film, caba­ret en een digitale enquête voor de ruim 2.000 jeugdige bezoe­kers. Uit de enquête bleek enige onvrede, vooral over het on­derwijs en het milieu­beleid van het kabinet, maar ook over de Tweede-Kamerfractie en haar voorzitter, Wallage. De 'Niet Nix'-jonge­ren hoopten met hun ideëen uiteinde­lijk ook het ver­kie­zings­program van de partij te beïnvloeden. Ze hadden overi­gens al op 13 september in het Parool kritiek geuit op de vast­stel­ling en de inhoud van het verkiezingsprogramma, maar ook op de Tweede-Kamerfrac­tie die ze een tekort aan 'lef, be­vlogenheid of leiderschap' verweten. Tweede-Kamerleden rea­geerden ver­deeld op de kritiek: R. Oudkerk toonde veel begrip, maar F.J.M. Crone noemde het artikel van Niet Nix 'simpel, ar­rogant en achter­haald' (PvdA-Vlugschrift, 13 sep­tember 1997).

antecedentenonderzoek BVD

In mei raakte een PvdA-raadslid in Beverwijk, F. Yerlibuçak, in opspraak toen hij door een twaalftal plaatsgenoten - waar­onder een raadslid voor GroenLinks - beschuldigd was van banden met de Grijze Wolven, een beweging van extreem-rechtse Turken. Yerli­buçak spande een kort geding aan en werd door de rechter op 13 juni in het gelijk gesteld, zodat de beschuldi­ging in het Noordhollands Dagblad gerectificeerd diende te wor­den. De PvdA bleek intussen zelf al de Binnenlandse Veilig­heidsdienst (BVD) een onderzoek naar de antecedenten van haar raadslid te hebben laten verrichten, waaruit naar voren was gekomen dat deze geen banden met de extreem-rechtse organisa­tie onderhield. De directeur van het partijbureau, W. Verhoe­ven, bevestigde begin juni dat de BVD wel vaker aan dergelij­ke verzoeken gehoor had gegeven om de antecedenten van PvdA-volksvertegen­woordigers na te gaan.

op weg naar een nieuw beginselprogramma?

Op 30 januari hield de WBS een conferentie in Amsterdam over nut en noodzaak van een nieuw beginselprogramma. De aan­leiding vormde een notitie van het Eerste-Kamerlid (en oud-fractie­voorzitter in de Tweede Kamer) M.A.M. Wöltgens, geti­teld Een nieuw begin­selprogramma voor de Partij van de Arbeid? Hierin pleitte hij voor een nieuw begin­selprogram (zie Jaar­boek 1996 DNPP, blz. 60). Het partijbe­stuur wilde daar ook wel naar toewerken, maar pas na de Twee­de-Kamerverkiezingen van 1998. De WBS nam als het ware een voor­schot op de discussie. De hoogle­raar A. van der Zwan, houder van de Drees-leerstoel aan de Rijksuni­versiteit Utrecht, leidde de conferentie in met een vurig betoog voor een sterke nationale over­heid die het door­gescho­ten kapitalis­me moet afremmen, echter zonder de zelf­werkzaam­heid van de burgers te ondermij­nen. Hij consta­teerde al een kentering in het marktdenken in verschil­lende kringen, zelfs bij liberale partijen, maar nog te weinig in de PvdA. Hij vond het echter niet nodig de door hem aange­prezen nieuwe koers vast te leggen in een nieuw beginsel­pro­gram. Ook het Tweede-Kamer­lid mevr. M.M. van Zuijlen, die de 'ideo­lo­gie­kritiek' en de 'sombere verhalen' van Van der Zwan afwees en het marktdenken juist verdedigde, voelde geen behoefte aan een nieuw program (de Volkskrant, 1 februari 1997).

Europa

Op 18 januari organiseerde de Nederlandse delegatie van de Socialis­tische Fractie in het Europees Parlement een conferen­tie in Amster­dam onder de titel 'Europa in evenwicht!'. De aanleiding vormde het Nederlands voorzit­terschap van de Euro­pese Unie. Premier Kok was één van de sprekers, naast andere sociaal-democrati­sche bewindslie­den, Europarlementariërs en leden van de Euro­pese Commissie.

De WBS hield op 23 januari in Den Haag een debat over de Europe­se muntunie, waar Europarle­mentariër A. Metten de degens kruiste met de hoogleraar J. de Beus. De Jonge Socialisten (JS) organiseer­den op 5 april samen met de PvdA-delegatie in het Europees Parle­ment een conferentie over Europa. Euro­parle­mentariërs en Tweede-Kamer­le­den van de PvdA, CDA, RPF en VVD en een aantal deskun­digen gingen in discussie over ver­schil­lende aspecten van Europese integratie.

De Eurodelegatie van de PvdA hield in 1997 nog een aantal con­ferenties in Amsterdam: op 1 maart over mensenrechten, op 12 april over EU-beleid voor het Middellandse Zeegebied en inwo­ners uit dat gebied en op 19 juni een 'brief­ing over de Euro­top', onder de titel 'Het Verdrag van Amster­dam: resul­taat & toekomst', waarbij onder meer minis­ter Melkert en het Twee­de-Kamerlid M. van Traa het woord voerden.

Als voorzitter van de Europese Raad van Regeringslei­ders, die op 16, 17 en 18 juni in Am­ster­dam bijeen kwam - de zogenaamde Eurotop - kreeg Kok enige kritiek uit eigen kring te verduren. De hoogle­raar filoso­fie en auteur van het verkie­zingsprogramma van 1994, De Beus, merkte op: 'Kok stelt zich regentesk op en biedt geen ruimte voor alter­natieven' (PvdA-Vlug­schrift, 7 juni 1997). Anders dan Kok en bijvoor­beeld het Twee­de-Kamer­lid F. van der Ploeg achtte De Beus uitstel van de Euro­pese Econo­mische en Monetai­re Unie (EMU) niet rampzalig maar juist wen­selijk. Dit meningsver­schil binnen de PvdA betrof ook het mo­ne­tair beleid dat de EMU zou moeten voeren: moest dat vooral gericht zijn op een harde munt of ook op sociaal-econo­mische doel­stellingen als werkgelegen­heid?

Werkgelegenheid en de uitbreiding van de Europese Unie vormden het thema van de najaarsconferentie die de Eurodelegatie van de PvdA op 15 november in Tilburg organiseerde.

verwante instellingen en publicaties

De WBS publiceerde de bundel Land in zicht! Een cultuurpoli­tieke visie op de ruimtelijke inrichting, onder redactie van M. Hajer en F. Halsema, waarin de toekomstige ruimtelijke or­dening van Nederland belicht werd vanuit verschillende invals­hoeken. De WBS liet ook een bundel over economische trends het licht zien, getiteld Economisch beleid in een onder­nemende samenleving, onder redactie van B. Dankbaar en F. Becker.

Op 15 december organiseerde de WBS samen met de Evert Vermeer Stichting (EVS) en de Tweede-Kamerfractie een confe­rentie in Amsterdam over 'soci­aal-democratie en milieup­olitiek', waarbij de kli­maatconfe­ren­tie in Kyoto werd geëva­lueerd en het ont­werpverkie­zings­pro­gramma van de PvdA werd besproken.

Eerder in het jaar, op 22 maart, vierde de EVS haar dertigja­rig be­staan in Utrecht met een druk bezochte bijeenkomst onder de naam 'Groen licht voor Afri­ka'. Eregast was J.K. Nyere­re, oud-president van Kenia. Ook minister Pronk was aanwezig. In de slotdis­cussie werd door Europar­lementa­riër J.M. Wier­sma en door minister-presi­dent Kok kri­tiek geuit op de pro­tectio­nis­tische handels­po­litiek van de Euro­pese Unie.

Het Centrum voor Lokaal Bestuur (CLB) organiseerde op 12 maart in Den Haag een conferentie met als thema 'Als Schiphol vol is' en op 30 augustus een bijeenkomst in Culemborg over 'Ons Dorp', waarbij vooral de sociale voorzieningen en de ruimte­lijke ontwikkelingen in dorpen besproken werden. Op 27 sep­tember vond in Den Haag het jaarlijkse Festi­val van het Bin­nenlands Bestuur plaats, dat dit jaar in het teken stond van de naderende gemeenteraadsverkiezingen. W. Etty, penning­mees­ter van de partij en oud-wethouder van Am­ster­dam, hield de Wibaut-lezing over informatie-technolo­gie en democra­tie.

J. Monasch nam afscheid als secretaris van het CLB en werd op 1 septem­ber opgevolgd door mevr. R. Vermeij. Voor zijn vertrek had Monasch in Nieuwe rozen, de PvdA gelo­kaliseerd een aantal voorstel­len gedaan voor vernieuwing van de partij, vooral op lokaal ni­veau. De volgens hem nogal uitge­holde lokale afdelin­gen zouden hun eigen weg moeten gaan, zo moge­lijk in samenwer­king met an­dere progres­sieve (lokale) partij­en, ter­wijl de gewesten he­lemaal zouden kunnen verdwijnen. Het CLB publiceer­de verder een bundel over verschillen­de aspecten van provinci­aal beleid onder de titel Studie voor de staten, vooral be­doeld voor nieuwe Provinciale Statenleden.

De Jonge Socialisten (JS) kregen er in 1997 circa 1.500 nieuwe leden bij dankzij het besluit van het partijbestuur om voort­aan alle partijle­den jonger dan 28 automatisch lid van de JS te maken, tenzij ze aangaven daar bezwaar tegen te hebben. Niet iedere jongere was hier mee ingenomen; Booij, oprichter van Niet Nix, noemde het besluit 'een slag in het gezicht van Niet Nix' (PvdA-Vlug­schrift, 4 oktober 1997). Op 18 en 19 mei vierde de JS het jaarlijkse Pinksterfestival in Elst. Minister Ritzen verdedigde er zijn beleid. De jongerenorganisa­tie hield op 25 en 26 oktober haar jaarlijkse congres in Den Haag. De stu­dent politicolo­gie O. Ramadan werd als voorzit­ter verko­zen in de plaats van mevr. F. Bod, die haar functie voor­tijdig neer­legde toen zij een betaalde baan had gekregen.

Op 24 mei vond in Amersfoort een Rosa-conferentie plaats over onderwijs, ruimte, zorg en cultuur. De voorzitter van de sociaal-democratische Stichting De Mei, P.G.J. Zelissen (te­vens burgemees­ter van Grave) leverde kritiek op het markt-gerichte cultuurbeleid dat te weinig op kwaliteit en teveel op nuttig­heid gericht zou zijn. Op 1 november werd een Rosa-con­fe­rentie in Amsterdam gewijd aan 'eman­cipa­tie, het kloppend hart van de sociaal-democra­tie', waarbij het ontwerpverkie­zings­programma van verschil­lende kanten belicht werd. Wallage beloofde in zijn toespraak dat de kandidaten­lijst voor de Tweede Kamer voor de helft uit vrouwen zou bestaan.

Begin 1997 richtte de PvdA een nieuwe stichting op, 'Een Oog­verblindend Vergezicht', die onder leiding van J. Nek­kers toekomst-scenario's zou ontwikkelen voor de partij maar ook ten behoeve van der­den.

Im mei verscheen de studie Onderwijs, ruimte en zorg bij de tijd. Begin 1996 had het partijbestuur aan enkele 'project­teams' opdracht gegeven deze thema's nader uit te werken. De adviezen uit het rap­port werd betrokken bij de opstelling van het verkiezingsprogram­ma.

De PvdA publiceerde een brochure getiteld De Vragen van Vree­man, geschreven door F. Catz, die Vreeman in januari zelf aan­bood aan F.H.G. de Grave, staatsse­cre­taris van Sociale Zaken (VVD). Vree­man leverde kritiek op het markt-mechanisme, vooral wat betreft arbeidsom­standig­heden.

Het Tweede-Kamerlid F. van der Ploeg, tevens hoogleraar econo­mie, publiceerde Een schaap in wolfskleren. Opstellen over po­litiek en economie, waarin hij een genuanceerde afweging trachtte te maken tussen markt en overheidsinterventie op verschillende terreinen. Zijn fractiegenote M.M. van Zuijlen ging in Doodgewoon digitaal. Over nieuwe media en politiek de effecten na van de nieuwe informa­tie- en communicatie­technolo­gie op de samenleving.

De Tweede-Kamerfractie liet zelf brochures het licht zien over de ontwikke­ling van de Randstad (van de hand van A. Duive­steijn) en over de toekomst van de luchtvaart (geschreven door R. van Gijzel en F.J.M. Crone).

personalia

Op 12 maart overleed H. Brugmans, Tweede-Kamerlid voor de SDAP (1939-1940) en vervolgens één van de oprichters van de PvdA. De cul­tuurhis­toricus Brugmans behoorde ook tot de initi­atief­ne­mers van de Europe­se Beweging en was lange tijd rector van het Europa-College in Brugge.

R.L. Vreeman werd op 17 maart geïnstalleerd als burgemeester van Zaan­stad. In de Tweede Kamer werd hij opgevolgd door J.J. Feen­stra, die daar overi­gens al lid van was geweest in de pe­riode 1988-1994.

De voorzitter van de Eerste Kamer, H.D. Tjeenk Willink, werd overeen­komstig in 1996 gemaakte afspraken (zie Jaarboek 1996 DNPP, blz. 18) met ingang van 1 juli benoemd tot vice-voor­zitter van de Raad van State.

Op 1 juli trad W. Verhoeven af als algemeen directeur van de PvdA en ambtelijk secretaris van het partijbestuur. Hij werd op 1 september opge­volgd door J. Huige, tot die tijd directeur van het - ook soci­aal-democratisch geïnspireer­de - Nederlands Instituut voor Volks­ontwik­keling en Natuur­vriendenwerk (NI­VON).

Met ingang van 1 juli werd J. Stekelenburg, voorzitter van de FNV, burgemees­ter van Tilburg. Nadat de vertrouwenscom­missie uit de ge­meente­raad een lichte voorkeur had uitgesproken voor Stekelenburg boven de oud-staatsse­cre­taris Van Rooy (CDA), had het aanvankelijk nogal verdeelde kabinet hem in april voorge­dragen.

Eveneens op 1 juli werd W.F. Duisen­berg, aftredend president van de Nederlandse Bank, voorzitter van het Europees Monetair Instituut in Frank­furt am Main (zie in deze Kroniek onder 'hoofdmomen­ten').

Op 21 oktober overleed M. van Traa, sinds 1986 lid van de Tweede Kamer en vooral bekend door zijn voorzitterschap van de parlemen­taire enquête­commissie Opsporingsmethoden in 1994-1996. De jurist Van Traa was bovendien van 1979 tot 1987 in­ternationaal secretaris van de PvdA geweest.

De afgetreden partijvoorzitter Rottenberg hield op 15 december de jaarlijkse Den Uyl-lezing in Amsterdam, onder de titel 'De emancipa­tie is nimmer voorbij: over oude en nieuwe tegenstel­lingen en de urgentie van de politiek'. Hij zag in de komende eeuw nog een grootse taak voor de sociaal-democra­tie wegge­legd, indien die tegen­spel zou bieden aan de bureaucratie.

Laatst gewijzigd: 1 19-11-2020 16:08:19