PvdA jaaroverzicht 1982

Uit: L. Koeneman en P. Lucardie, ‘Het Partijgebeuren. Kroniek van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 1982’ in: R. A. Koole en P. Lucardie (red.), Jaarboek 1982 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1983), 10-46, aldaar 37-41

Voor de PvdA was 1982 een bewogen jaar. Na een korte regeringsperiode keerde de partij terug tot de oppositiebanken. 

Al aan het begin van het jaar leidde de deelname aan de regering tot spanningen binnen de partij en tussen partij en vakbeweging. Met name het wetsvoorstel tot verlaging van het ziektegeld (tot 80% van het inkomen), invoering van vijf wachtdagen en premieheffing op het ziektegeld wekte veel weerstand bij de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Joop den Uyl, en zijn staatssecretaris Ien Dales, kregen als verantwoordelijke PvdA-bewindslieden op dit punt veel kritiek te verduren. Het partijbestuur trachtte te bemiddelen door een compromisvoorstel te lanceren. Tal van partijleden die ook lid waren van de FNV voelden zich verscheurd door dit conflict. Sommigen zeiden hun PvdA-lidmaatschap op of dreigden daarmee. Enquêtes voorspelden grote verliezen voor de PvdA bij eventuele verkiezingen. Half januari trok het Partijbestuur zich terug in het Gelderse dorp Garderen om zich op deze en andere problemen te bezinnen. Na afloop kondigde partijvoorzitter Max van den Berg een ‘nieuwe koers’ aan, waarbij meer nadruk op praktische en economische argumenten zou vallen met minder pretenties en meer openheid naar andere partijen. Perscommentaren duidden de nieuwe koers als 'Nieuw Realisme' aan. Kort daarna kwam ook de Tweede Kamerfractie voor bezinning bijeen. Het Kamerlid Arie van der Hek verdedigde in een notitie een grotere vrijheid voor vakbeweging èn ondernemers, meer lastenverlichting voor en minder sturing van het bedrijfsleven. 

Op het Raads- en Statencongres dat op 13 februari plaats vond, leek het Nieuwe Realisme al veld te winnen. De noodzaak tot meer bezuinigingen werd alom erkend, mits gekoppeld aan het werkgelegenheidsplan en aan verhoging van aardgasafdrachten aan de staat. Slechts een minderheid wenste de deelname aan het tweede kabinet-Van Agt te beëindigen. Het congres wees echter ook een voorstel van het partijbestuur af om plaatselijke dienstverlening onder bepaalde omstandigheden te privatiseren. 

In dezelfde maand werd Bram Peper, vicevoorzitter van de PvdA vanaf 1975, tot burgemeester van Rotterdam benoemd. Hiermee volgde hij zijn partijgenoot André van der Louw op die sinds september 1981 zitting had in het tweede kabinet-Van Agt. Het voormalig Tweede Kamerlid voor de PvdA, Piet Dankert, werd op 19 februari tot voorzitter van het Europees Parlement gekozen. In maart leed de PvdA een fors verlies bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten en behaalde slechts 22% van de stemmen: minder dan CDA of VVD en 12% minder dan de PvdA in 1978 had gehaald. In zijn redactioneel commentaar in Socialisme en Democratie (1982, nr. 3) weet Wouter Gortzak het verlies aan de regeringsdeelname èn aan het ‘manoeuvreren van het PvdA-bestuur’. De twijfels over regeringsdeelname groeiden toen het kabinet een Voorjaarsnota vaststelde die onder andere een substantiële koopkrachtdaling voor de minimuminkomens zou kunnen impliceren. Partijvoorzitter Van den Berg noemde dit terstond ‘onaanvaardbaar’. Na langdurig overleg met bestuur en fractie werd dit genuanceerd tot ‘ondenkbaar’. Het partijbestuur stelde een koopkrachtdaling van 1% voor de minima als absolute grens. De tegenstellingen binnen de partij namen nu scherpere vormen aan. Aan de ene kant pleitten Jonge Socialisten, FNV-leiders en anderen voor afwijzing van de Voorjaarsnota en desnoods terugkeer naar de oppositiebanken. Aan de andere kant eisten bewindslieden als minister Ed van Thijn en staatssecretaris Bram Stemerdink een loyaler opstelling van hun partijvoorzitter ten opzichte van het kabinet. In mei kwam het tot verzoening binnen de partij, maar ook tot de breuk met de coalitiegenoten CDA en D'66. Na enige onzekerheid en twijfels over het politiek leiderschap van Den Uyl sloot de partij wederom haar gelederen. 

Het congres koos op 10 juli Den Uyl opnieuw tot lijstaanvoerder. Verder stelde dit congres een nieuw verkiezingsprogram vast, Eerlijk Delen, dat bescheidener leek dan het program Weerwerk uit 1981. Het beloofde geen koopkrachthandhaving meer aan de minima, maar wilde wel hun koopkrachtverlies tot 1% beperken. De hoogste inkomens zouden 4% moeten inleveren. Arbeidstijdverkorting bleef een belangrijke eis. Daarbij zouden ‘alleenverdieners’ een extra toeslag moeten krijgen indien ze onder een sociaal minimum dreigden te zakken. Tegen de zin van het partijbestuur verlangde het congres nationalisatie van de grond. Een voorstel tot vergroting van het overheidsaandeel in de aardgaswinsten haalde het echter niet. De vrede en veiligheidsparagraaf van het vorige programma werd ongewijzigd overgenomen. Met de leuze ‘De PvdA heeft gekozen. En u?’ ging de partij de verkiezingen in. In deze verkiezingscampagne speelden de kernraketten opnieuw een grote rol. Zowel Den Uyl als Van den Berg wezen op de gevaren van een mogelijke CDA/VVD-coalitie, die niet alleen de nieuwe kernwapens in Nederland zou gaan plaatsen maar ook de kloof tussen werkenden en werklozen zou verbreden tot een ‘nieuwe klassentegenstelling’. Zelf sloot de PvdA echter geen enkele partij van samenwerking uit. Het linkse of progressieve meerderheidskabinet verdween als ideaal achter de horizon. D'66 werd niet langer als natuurlijke bondgenoot behandeld. Een lijstverbinding met de CPN wees de PvdA af, (volgens het partijbestuur echter misschien voor de laatste keer) hetgeen een lijstverbinding met PSP en PPR uitsloot. De campagne verliep over het algemeen rustig en bestond voor een groot deel uit huisbezoeken in oude stadswijken. In juli werd de partij even opgeschrikt door een bomaanslag op haar hoofdkwartier in Amsterdam. Het Militant Autonomen Front dat de aanslag voor zich opeiste, bedoelde daarmee te protesteren tegen de ontruiming van een kraakpand en niet zozeer om de verkiezingscampagne te beïnvloeden. 

De verkiezingsuitslag viel voor de PvdA gunstig uit. Met ruim 30% van de stemmen en 47 zetels in de Tweede Kamer werd de PvdA weer de grootste partij. De Partijraad besloot op 18 september dat de PvdA wilde meeregeren, vooral om de sociale zekerheid te verdedigen, maar onder voorwaarde geen medewerking te verlenen aan het plaatsen van nieuwe kernwapens. Informateur Jos van Kemenade (PvdA) kon echter niet voorkomen dat zijn partij in de regeringsformatie buiten spel kwam te staan: de PvdA belandde weer in de oppositiebanken. Den Uyl werd voorzitter en Wim Meijer vicevoorzitter van de fractie. 

In dezelfde maand trad Frouke Stouckart af als landelijke contactvrouw (voorzitter) van de Rooie Vrouwen. Haar zetel in het partijbestuur bleef voorlopig onbezet. In een open brief motiveerde ze haar aftreden met een verwijzing naar de te grote verschillen in normen en opvattingen binnen de landelijke kerngroep. 

In oktober werd het oud-Kamerlid en voorzitter van de Rijnmondraad, Ad Oele, benoemd tot Commissaris van de Koningin in Drenthe, als opvolger van zijn partijgenote Tineke Schilthuis. Eveneens in oktober nam de PvdA deel aan besprekingen niet sociaaldemocratische partijen uit België, Luxemburg en Scandinavische landen (de zogenaamde Scandilux). In de partij zelf vond een discussie plaats over voortzetting van de ontspanningspolitiek in verband met de toestand in Polen. Een andere discussie in de partij, over de rol van de staat, kwam in een stroomversnelling naar aanleiding van de publicatie van Wiardi Beckman Stichting-medewerker Piet Kalma, getiteld: De illusie van de ‘democratische staat'. 

In november werd Den Uyl herkozen als voorzitter van de Federatie van Socialistische Partijen in de Europese Gemeenschap. Ondanks hun verschillende opvattingen namen deze partijen een tekst aan over Europese samenwerking en over een onafhankelijk Europees veiligheidsbeleid. 
Aan het eind van het jaar liep de spanning tussen fractie en bestuur opnieuw op naar aanleiding van de aanstaande verkiezingen voor het partijbestuur. (Behalve het toegevoegde eenentwintigste partijbestuurslid, de fractievoorzitter van de Tweede Kamer, is het volledige partijbestuur statutair elke twee jaar herkiesbaar, in dit geval in 1983). Het gerucht ging dat Jan Schaefer, oud-staatssecretaris van Volkshuisvesting, zich kandidaat zou stellen voor het voorzitterschap. Schaefer verklaarde echter het voorzitterschap niet na te streven, al uitte hij wel kritiek op de zich herkiesbaar stellende voorzitter die volgens hem teveel ‘schaduwkabinetje’ had gespeeld. Een aantal andere oud-bewindslieden en Kamerleden stelden zich wel kandidaat voor andere bestuursfuncties. Binnen de Tweede Kamerfractie bestond behoefte aan meer invloed op het partijbestuur. Het kamerlid en oud-minister Van der Louw pleitte bovendien voor meer ruimte voor fractie en bewindslieden om zo nodig van het partijprogram af te wijken. Die afwijkingen zouden zij dan wel op een partijcongres moeten verdedigen. Daarentegen stelde het partijbestuur in een nota: ‘vooral de fractie in de Tweede Kamer zal weerstand moeten bieden aan de verleiding tot meeregeren op onderdelen’. De fractie zou in de oppositie moeten samenwerken met provinciale en gemeentelijke bestuurders en maatschappelijke organisaties. Vooral tegen het kernwapenbeleid en de éénzijdige bezuinigingspolitiek zou de PvdA actie moeten voeren, mits geweldloos en met ‘het benul dat meerderheidsbesluiten moeten worden uitgevoerd’. Volgens Van den Berg liet het program Eerlijk Delen de fractie voldoende speelruimte om bepaalde compromissen te steunen. Bij het naderen van de kerstdagen toog een delegatie van de partijtop naar Utrecht voor een oriënterend gesprek met kardinaal Johannes Willebrands en enkele bisschoppen.
 

Laatst gewijzigd: 1 11-06-2021 12:27:47