PvdA jaaroverzicht 1984

Uit: L. Koeneman, P. Lucardie en I. Noomen,  ‘Het Partijgebeuren. Kroniek van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 1984’ in: R. A. Koole (red.), Jaarboek 1984 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1985), 10-60, aldaar 47-52

Sociaaleconomische plannen, toekomstige samenwerking met CDA of VVD in een nieuw kabinet en de opvolgingskwestie rond Joop den Uyl vormden de belangrijkste gebeurtenissen voor de PvdA in 1984. 

De partij startte het jaar met een interne discussie over de gewenste lijsttrekker voor de Europese verkiezingen. Fractieleider in de Tweede Kamer Den Uyl en partijvoorzitter Max van den Berg waren voor de kandidatuur van Piet Dankert, de toenmalige voorzitter van het Europese Parlement. Een meerderheid van het partijbestuur sprak zich echter uit voor een hernieuwd lijsttrekkerschap van Ien van den Heuvel. Hierbij speelde ook een rol dat Dankert in het recente verleden ten aanzien van de kernwapens, die op dat moment volop in de belangstelling stonden, een genuanceerd standpunt had ingenomen. Het advies van het partijbestuur werd echter niet opgevolgd door een onafhankelijke commissie, onder voorzitterschap van het Kamerlid Relus ter Beek. Deze commissie droeg aan de partijraad van 24 maart Dankert voor als lijsttrekker. Voor deze partijraad vond eerst op 18 februari een buitengewoon congres plaats, waar het programma voor de Europese verkiezingen werd vastgesteld. In de paragraaf over de kernwapens ging het congres nog een stap verder dan de partijleiding door uit te spreken dat de Europese Gemeenschap en de EG-lidstaten zouden moeten streven naar 'afschaffing van de kernwapenarsenalen in Oost en West'; de oorspronkelijke tekst sprak over 'vermindering'. Het program werd verder zonder noemenswaardige wijzigingen aangenomen. De Partijraad van 24 maart koos met grote meerderheid Dankert tot lijstaanvoerder. Van den Heuvel werd op de tweede plaats gekozen. Bij de verkiezing speelde Dankerts standpunt inzake de kernwapens zoals vermeld een belangrijke rol. Hij verklaarde echter met nadruk tegen plaatsing van kruisraketten te zijn. De Partijraad aanvaardde een voorstel van het Partijbestuur om voor de Europese verkiezingen een lijstverbinding aan te gaan met het Groen Progressief Akkoord van CPN, Groene Partij Nederland, PPR en PSP

sociaaleconomische plannen 

Op sociaaleconomisch terrein publiceerden Partijbestuur en fractie diverse rapporten. Eind mei verscheen van de Commissie-werkgelegenheid (onder voorzitterschap van het Kamerlid Stan Poppe) een tussenrapport over het werkgelegenheidsbeleid. De definitieve versie van het rapport zou een rol spelen bij de voorbereiding van het verkiezingsprogramma van de PvdA voor 1986. Een beleid gericht op herstel van economie en werkgelegenheid vereist volgens het rapport tijdelijk een verhoging van het financieringstekort. Om het herstelbeleid te kunnen financieren dacht het PvdA-rapport verder aan vergroting van het staatsaandeel in de aardgaswinsten en aan afschaffing van overheidssubsidie voor bedrijfsinvesteringen (WIR).Voor herstel van werkgelegenheid werd ook een omvangrijke herverdeling van werk door arbeidstijdverkorting nodig geacht. 

Vlak na verschijning van het tussenrapport werden de berekeningen bekend gemaakt die het Centraal Plan Bureau had gemaakt op basis van PvdA-voorstellen voor een ander economisch beleid. Deze voorstellen had de fractie in oktober 1983 gepresenteerd. Uit de becijfering bleek dat het PvdA-alternatief zou kunnen leiden tot 245.000 minder werklozen dan was voorzien in de kabinetsplannen. Een belangrijke factor hierbij vormde de geleidelijke invoering van een vijfendertigurige werkweek, te bereiken in 1987. Hiertoe dienden de werknemers extra loon in te leveren. Vanuit het CDA en de VVD werd het PvdA-alternatief voor het kabinetsbeleid van de hand gewezen. Eind juni publiceerde het partijbestuur een discussienota Sociaal-economische dilemma's voor de PvdA ter voorbereiding van het verkiezingsprogramma 1986-1990. Deze discussienota zou door het PvdA-congres in april 1985 worden besproken. In deze nota stelde de PvdA voor alle werknemers geleidelijke invoering van een vijfentwintigurige werkweek voor. Deze arbeidstijdverkorting mag volgens de nota in de lonen en uitkeringen doorberekend worden maar mensen met een inkomen op het sociaal minimum - de 'echte minima' - kunnen niets meer inleveren. Voor deze groep mag de arbeidstijdverkorting geen gevolgen hebben voor de koopkracht: het PvdA-bestuur bepleitte voor hen gedeeltelijke compensatie voor het verlies aan koopkracht van de laatste jaren. Naast de sociale minima zou ook het minimumloon beschermd moeten worden. 

In augustus verscheen de nota Om een werkbare toekomst van de PvdA-Kamerleden Jos van Kemenade en Thijs Wöltgens en de econoom Jo Ritzen. Hierin werd voorgesteld een vijfentwintigurige werkweek in te voeren in tien jaar. De werkloosheid zou daardoor aan het eind van deze periode zijn verdwenen en het financieringstekort zou verder zijn gedaald. De drie opstellers bepleitten een grondige herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Zo wilde men een basisuitkering voor iedereen boven de 18 jaar die niet in staat is een zelfstandig inkomen te verdienen. De hoogte van deze uitkering zou vijftig procent van het huidige minimumloon bedragen. De bovenminimale uitkeringen hoeft de overheid niet langer te garanderen; in plaats daarvan moet de burger zich zelf - individueel of collectief - verzekeren. Op dit laatste punt bekritiseerde de PvdA-fractie de nota. Ook maakte de fractie bezwaar tegen het in een wet vastleggen van tempo en richting van de arbeidstijdverkorting dat te 'dirigistisch' werd bevonden. Het partijbestuur constateerde overeenstemming op tal van punten tussen zijn eigen nota Dilemma's en het rapport-Van Kemenade, maar leverde kritiek op de uitwerking van arbeidstijdverkorting en sociale zekerheid. Gezien dezelfde problematiek zou de nota, hoewel geen officieel partijdocument, wel volop bij de discussies in de partij betrokken kunnen worden. 
Een nieuw sociaal zekerheidsstelsel werd enkele maanden later ook bepleit door een werkgroep bestaande uit Kamerleden en partijbestuurders in het rapport Contouren voor stelselwijziging sociale zekerheid. Voorgesteld werd het uitkeringsniveau hoger en de uitkeringsperiode langer te laten zijn dan in de plannen van het kabinet. De werkgroep was ingesteld om de opvattingen van fractie en partijbestuur over het stelsel van sociale zekerheid op één lijn te brengen. Voorzitter Arie van der Hek zei dat zowel fractie als partijbestuur zich op hoofdzaken achter het rapport hadden geschaard. Op onderdelen diende het echter nader besproken te worden. Beide organen werden hiermee niet gebonden aan concrete uitwerking. 

Het bestuursstuk Sociaal—economische dilemma's voor de PvdA en alle reacties hierop van de partijafdelingen stonden begin december centraal tijdens een vergadering van het Partijbestuur met een delegatie uit de Tweede Kamerfractie. Centraal discussiepunt vormde de koopkrachtgarantie voor de minima. Uiteindelijk bereikte men overeenstemming in een formulering die niet langer de koopkracht van de echte minima onder alle omstandigheden garandeerde. Wel wilde de PvdA bij een ‘verdergaande neerwaartse welvaartsontwikkeling’ trachten de koopkracht zoveel mogelijk te beschermen. Het Partijbestuur wees verder nog eens nadrukkelijk elke wettelijke dwang bij het invoeren van arbeidstijdverkorting af. 

Uit de ongeveer tweeduizend amendementen uit de afdelingen bleek, dat deze het in grote lijnen eens waren met de voorstellen van Dilemma's. Slechts enkele afdelingen hadden elementen uit het rapport-Van Kemenade overgenomen. Tijdens een toelichting op het discussiestuk verklaarde partijvoorzitter Van den Berg dat de sociaaleconomische opvattingen van de PvdA bij onderhandelingen over regeringsdeelname voor discussie vatbaar zouden zijn. Het standpunt van deze partij over de kruisraketten zou echter onbespreekbaar blijven. ‘Ons standpunt over de kruisraketten is ononderhandelbaar, de rest is beleidsinzet, hetgeen betekent dat we met een duidelijk programma in de hand zo hard mogelijk gaan onderhandelen om er zoveel mogelijk uit te slepen’, aldus Van den Berg. 

kruisraketten 

Eerder in het jaar hadden enkele vooraanstaande PvdA-Tweede Kamerleden, Ter Beek en Ien Dales, hun twijfels uitgesproken over het absolute 'nee' van de PvdA tegen de plaatsing van kruisraketten. Buitenlandspecialist Ter Beek constateerde in een interview in het partijblad Voorwaarts dat het onvoorwaardelijke 'nee' van de PvdA tegen de komst van nieuwe kernwapens in Europa niet had gewerkt. De PvdA zou beter kunnen gaan streven naar een wederzijdse bevriezing van de kernwapenarsenalen in West- en Oost-Europa. Niettemin bepleitte Ter Beek handhaving van het PvdA-standpunt, want ‘sleutelen aan ons neen zou voor de PvdA politieke zelfmoord betekenen’. Dales verklaarde, eveneens in een interview in Voorwaarts, niet onder alle omstandigheden tegen plaatsing te zijn. 'De politieke realiteit moet nu eenmaal wapenbeheersing en wapenvermindering zijn. Dat kan, onder bepaalde condities stroken met "geen kernwapens in Nederland". Maar het kan op een gegeven moment ook leiden, in volle overeenstemming, tot het tijdelijk hebben van kernraketten'. Ook defensiespecialist Bram Stemerdink zei voor de VARA-radio dat de PvdA met de plaatsing van kruisraketten akkoord zou kunnen gaan, wanneer dit voor een beperkte periode zou gelden. Voorwaarde hierbij zou wel moeten zijn dat alle in Europa gestationeerde kruisraketten via onderhandelingen op termijn verdwijnen. De PvdA zou echter niet toetreden tot een volgend kabinet, als niet in het regeerakkoord was opgenomen dat met de Verenigde Staten wordt (her)onderhandeld over verwijdering van de kruisraketten van Nederlands grondgebied, aldus Ter Beek. 

coalitievorming 

Ondanks het onvoorwaardelijke 'nee tegen de kruisraketten' was de PvdA niet van plan zich tot 1990 in de oppositie te laten manoeuvreren. Deze uitspraak van Den Uyl vormde slechts één van de vele toespelingen gedurende het gehele jaar op een nieuwe regeringsperiode voor de PvdA na de Tweede Kamerverkiezingen van 1986. Zowel regeringssamenwerking niet CDA als met VVD werden als mogelijkheden genoemd. Het veelvuldiger verwijzen naar de VVD als mogelijke coalitiepartner was iets nieuws voor de PvdA. Den Uyl meende dat een te lang volgehouden uitsluiting door de PvdA van de VVD ‘misschien niet verstandig’ was geweest. Een eventuele samenwerking met de VVD ‘zou nuttig kunnen zijn, hoewel we, nuchter gezien, ons bewust moeten zijn van de grote historische en ideologische verschillen. Het zou overigens goed voor Nederland zijn als het CDA eens in de oppositiebanken terecht zou komen’, aldus Den Uyl bij de presentatie van de bundel PvdA-VVD: illusie of monsterverbond. Deze bundel werd uitgegeven naar aanleiding van het symposium ‘Liberalisme, socialisme en economische politiek’, dat door de Teldersstichting werd georganiseerd ter gelegenheid van haar dertigjarig bestaan. 

Volgens een begin december gepubliceerde opiniepeiling (de AVRO/Lagendijk enquête) zou de PvdA uitkomen op 65 zetels (een winst van 18 zetels). Hiermee behaalde ze slechts vijf zetels minder dan VVD en CDA samen. Naar aanleiding van deze uitslag verklaarde Den Uyl na de komende verkiezingen zich wel beschikbaar te stellen voor een nieuw kabinet, maar zich zelf niet per se als premier te zien. Van een eventueel PvdA-CDA-kabinet zou volgens Den Uyl de huidige minister-president Ruud Lubbers geen premier kunnen worden. 

de 'troonopvolging' 

Aan de vraag of er een tweede kabinet Den Uyl zou komen ging in 1984 een andere vraag vooraf: bleef Den Uyl lijsttrekker en politiek leider, of zou hij tussentijds dan wel in 1986 van het politieke toneel verdwijnen. De discussies over de opvolging van Den Uyl beheersten met name gedurende de eerste helft van het jaar de partij. Diverse potentiële 'troonopvolgers' passeerden de revue. 

Een belangrijke aanleiding voor de opvolgersdiscussie bood een uitspraak van Den Uyl zelf na de val van het tweede kabinet-van Agt in mei 1982. Hij had toen aangekondigd ‘halverwege de rit’ van de nieuwe parlementaire periode uit de politiek te zullen stappen; halverwege 1984 dus. Als potentiële opvolgers kwamen naar voren Van Kemenade, Marcel an Dam en FNV-voorzitter Wim Kok. Tussen de top van de Tweede Kamerfractie en het partijbestuur werd onderhandeld over tussentijdse opvolging van Den Uyl als fractieleider door Van Kemenade. Aangezien het Partijbestuur onvoldoende steun wilde toezeggen voor een lijsttrekkerschap van Van Kemenade bij de verkiezingen van 1986, verklaarde deze niet beschikbaar te zijn om Den Uyl tussentijds op te volgen als fractieleider. Partijvoorzitter Van den Berg wilde voor het lijsttrekkerschap ruimte houden voor Kok. Na de zomervakantie verliet Van Kemenade de Kamer en werd voorzitter van College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. 

Kort na deze interne discussie verklaarde ook Kok niet beschikbaar te zijn Den Uyl op te volgen. Om aan alle speculaties een einde te maken, deelde Den Uyl eind augustus mee aan zijn fractie dat hij tot 1986 voorzitter wilde blijven van de fractie en daarna zonodig ook beschikbaar zou zijn als lijsttrekker. 

Aan het eind van het jaar werd duidelijk dat Van den Berg als partijvoorzitter voor een nieuwe periode van twee jaar herkozen zou worden. FNV-voorzitter Kok en de Kamerleden Dales en Van der Hek waren voor deze functie kandidaat gesteld (maar bewilligden niet). De verkiezing van een nieuw partijbestuur zou plaats vinden op het voorjaarscongres in april 1985.
 

Laatst gewijzigd: 1 11-06-2021 12:28:21