VVD jaaroverzicht 2006

Uit: P. Lucardie, M. Bredewold, G. Voerman en N. van de Walle,'Kroniek 2006. Overzicht van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 2006' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 2006 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2008), 15-104, aldaar 90-104.

inleiding

Het jaar 2006 verliep niet gemakkelijk voor de VVD. De interne ver­deeldheid nam scherpe vormen aan, de politiek aanvoerder trad af en bij de raads- en Kamer­ver­kiezingen gingen zetels verloren. De strijd om het lijsttrekkerschap leek in het voor­jaar juist kiezers te trekken. Die strijd werd beslecht door de leden – ook een blijk van vernieuwing. Vernieu­wing uitte zich ook in de huisstijl, de website en in de kleurrijke opmaak van het ledenblad dat bovendien een nieuwe naam kreeg: Liber.

gemeenteraadsverkiezingen

De VVD had in 2005 de voorbereidingen gestart voor de gemeente­raadsverkiezingen (zie Jaarboek 2005 DNPP, blz. 97). De campagne werd geleid door staatssecretaris M. Rutte van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Vanaf de opening, officieel op 18 februari in Utrecht, kreeg de campagne een meer landelijk dan lokaal karakter. In een tele­visiespot zetten de liberalen zich af tegen de sociaal-democratie, gesym­boliseerd door een rode roos die met alle winden mee lijkt te waaien. Tweede-Kamerfractie­voorzitter J.J. van Aartsen richtte zijn pijlen even­eens vooral op de PvdA en het gevaar van linkse colleges in grote ste­den.

Vice-premier G. Zalm (VVD), tevens minister van Financiën, riep in het tele­visie­programma ‘Buitenhof’ op 19 februari de burgers van meer dan zestig gemeenten op om de verhoogde belasting op onroerende zaken (ozb) niet te betalen. Naar zijn mening was de verhoging in deze gemeenten meer dan twee procent en dus in strijd met de nieuwe wet – waarbij vooral door toedoen van zijn partij de ozb fors werd verlaagd. De mening van Zalm werd overigens bestreden door woordvoerders van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO). Achteraf bleek Zalm boven­dien door ambtenaren gewaarschuwd te zijn voor overhaaste conclusies over deze kwestie. De fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer, Verhagen, merkte op dat Zalm ‘in het enthousiasme van het campagne voeren zijn doel voorbijgescho­ten’ zou zijn en zijn uitspraak diende te herroepen (NRC Handelsblad, 20 februari 2006). Op een verkiezingsbijeenkomst op 20 februari in Haar­lem bood Zalm zijn excuses aan en gaf toe zich vergist te hebben. Hij zou zelfs even overwogen hebben af te treden. Wel hield Zalm vol dat provincies soms te gemakkelijk een gemeente onthieven van het verbod om de ozb te verhogen. 

De uitslag stelde de VVD teleur. De partij had gehoopt de verliezen van 2002 goed te maken. Maar ook al boekten de liberalen in 54 gemeenten winst, gemiddeld vielen ze terug van 15,8 naar 13,7 procent van de stemmen (zie tabel 1). In het liberale bolwerk Wassenaar raakte de VVD haar dominante positie kwijt en viel zij terug van elf naar zes zetels, waarvan vooral een nieuwe lokale partij profiteerde. In de grote steden werd licht verlies geleden: in Amsterdam, Den Haag en Rotter­dam één zetel; alleen in Utrecht bleef de VVD dit lot bespaard en hand­haafde zij haar zeteltal.

Het verlies van de VVD werd onder meer aan het leiderschap van Van Aartsen toege­schre­ven (zie hieronder), maar ook aan het optreden van Zalm en oud-partijleider H. Wiegel, die nogal van leer was getrokken tegen D66 en haar leider A. Pechtold. Voorzitter K.J. Terwal van de Jongerenorganisatie voor Vrijheid en Democratie (JOVD), de liberale jongerenorganisatie, weet het verlies vooral aan de campagne, waarbij de VVD het kabinetsbeleid niet goed verdedigde en een te confronte­rende en polariserende toon gebruikte.

Bij de collegevorming leverde de VVD 84 van haar 286 wethouders­posten in. In steden als Amsterdam, Utrecht, Groningen, Leiden en Maastricht namen de liberalen niet meer aan het college deel.

vertrek tweede-Kamerfractievoorzitter Van Aartsen

Al in de nacht van 7 op 8 maart besloot Van Aartsen consequenties te trekken uit de uitslag van de raadsverkiezingen. Hij had voor zichzelf besloten af te treden als de VVD minder dan veertien procent van de stemmen zou halen – en dat was immers gebeurd. Ook de vice-voorzit­ter van de fractie, mevr. B.M. de Vries, trad op 8 maart af. Nog dezelfde dag koos de fractie een nieuwe voorzitter, W.I.I. van Beek. Een aantal jonge backbenchers zou deze wisseling van de wacht al informeel voor­bereid hebben (aldus NRC Handelsblad, 9 maart 2006). Eén van hen, mevr. E.I. Schippers, werd nu vice-voorzitter van de fractie. Ook minister H.G.J. Kamp van Defensie had door opmerkin­gen tegenover de Provinciale Zeeuwse Courant (6 maart 2006) over de positie van Van Aartsen aan de onrust bijgedragen.

Van Aartsen had zich in de herfst van 2004 kandidaat gesteld voor de functie van par­tijleider, maar de algemene vergadering van de VVD wilde toen niet verder gaan dan hem als ‘politiek aanvoerder’ aan te wijzen. Soms werd niet hij maar Zalm als de politiek leider van de VVD beschouwd (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 99-100, en Jaarboek 2005 DNPP, blz. 94).

Hirsi Ali

Het Tweede-Kamerlid mevr. A. Hirsi Ali riep in 2006 evenals in 2005 ook in haar eigen partij weerstand op (zie ook Jaarboek 2005 DNPP, blz. 92-93). Op 9 februari verdedigde ze (naar aanleiding van de Deense spotprenten van de profeet Mohammed) op een druk bezochte perscon­ferentie in Berlijn het recht om te beledigen en het recht op een onbe­perkte vrijheid van meningsuiting. Ze werd daarin gesteund door Van Aartsen, die haar optreden in de Duitse hoofdstad ‘woest goed’ noemde (Trouw, 15 februari 2006). Haar fractiegenoot A.P. Visser was het daar niet mee eens. Volgens hem miskende Hirsi Ali de grenzen die liberalen vanouds aan vrijheidsrechten stelden (Trouw, 18 februari 2006).

Op 29 september presenteerde Hirsi Ali haar autobiografie Mijn Vrij­heid, een geauto­riseerde vertaling uit het Engels.

Verdonk versus Hirsi Ali

Op 11 mei verklaarde Hirsi Ali in het televisieprogramma ‘Zembla’ dat zij bij haar komst naar Nederland in 1992 niet de waarheid had gespro­ken over onder meer haar geboortejaar en haar familienaam – wat ze overigens bij eerdere gelegenheden ook al toegegeven had (zie ook in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’). Ze had zich Hirsi Magan en niet Hirsi Ali moeten noemen – al lag dat in haar geboorteland Somalië niet zo eenvoudig als in Nederland. H.P.A. Nawijn, oud-minister van Vreemdelingen­za­ken en Integratie voor de LPF en sinds 2005 onafhan­kelijk lid van de Tweede Kamer, vroeg zijn opvolger als minister mevr. M.C.F. Verdonk om Hirsi Ali het Nederlander­schap te ontnemen indien zij destijds gelogen had. (Om verwarring te voorkomen wordt in de Kroniek ook na deze onthulling de naam ‘Hirsi Ali’ gebruikt, mede gelet op de ontwikkelingen die volgden.) De minister liet een onderzoek instellen. Oud-VVD-leider H.F. Dijkstal raadde in het televisiepro­gramma ‘Buiten­hof’ op 14 mei zijn partijgenote aan, de eer aan zichzelf te houden en haar Kamerlid­maatschap neer te leggen.

Op 15 mei liet Verdonk in een brief aan de Tweede Kamer weten dat Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit ten onrechte verkregen had. Juristen bleken hier (desgevraagd) overigens van mening over te ver­schillen. Evenmin was duidelijk in hoeverre de partijtop van de VVD bekend was met de achtergrond van Hirsi Ali toen zij in 2002 kandidaat werd gesteld voor het Kamerlidmaatschap. Aanvankelijk konden de toenmalige politiek leider, Zalm, en de partijvoorzitter uit die tijd, H.B. Eenhoorn, zich dit niet herinneren, maar later gaven beiden toe wel op de hoogte te zijn gesteld door de AIVD. ‘De politieke risico’s hebben we bewust genomen’, verklaarde Zalm op 27 juni (de Volkskrant, 28 juni 2006). 

Op 16 mei maakte Hirsi Ali op een persconferentie in het bijzijn van partijvoorzitter J.H.C. van Zanen en Zalm bekend onmiddellijk de Tweede Kamer te zullen verlaten en per 1 september te gaan werken voor het American Enterprise Institute, een conservatieve denktank in Washington DC. Aanvankelijk had ze daar pas na de in mei 2007 ver­wachte Tweede-Kamerverkiezingen willen beginnen, maar zij besloot nu eerder te gaan. Daarbij speelde ook mee dat de rechter op 27 april de bezwaren van haar buren in Den Haag tegen haar aanwezigheid (uit veiligheidsoverwegingen) in hoger beroep gegrond had verklaard. Hirsi Ali ging niet in op vragen over haar Nederlander­schap, maar zei Ver­donk niets te verwijten: ‘Ik ben gek op Rita’ (NRC Handelsblad, 17 mei 2006). Ze zou wel in beroep gaan tegen het besluit van de minister. Hirsi Ali werd als Kamerlid opgevolgd door mevr. L.J. Griffith, die van 2003 tot 2005 al lid van de Kamer was geweest en vervolgens wethou­der in Amster­dam was geworden.

Binnen de VVD werd zeer verdeeld gereageerd op het vertrek van het Kamerlid. Directeur P.G.C. van Schie van de Prof.mr. B.M. Tel­ders­stich­ting, het weten­schap­pelijk bureau van de VVD, vond dat het ‘groot­ste politieke talent van Nederland’ op schandelijke wijze het land uit­gejaagd werd; oud-partijleider Wiegel daarentegen noemde het ver­trek ‘geen verlies’ (NRC Handelsblad, 16 mei 2006). Zalm zou zijn col­lega-minister Verdonk ‘een takkewijf’ hebben genoemd – en bood daar in augustus excuses voor aan (NRC Handelsblad, 28 augustus 2006). De voor­malige vice-voor­zitter van de fractie, De Vries, waar­schuwde dat haar partijgenoten bloed aan hun handen zouden hebben als Hirsi Ali nu iets zou overkomen. Ook van de coalitie­geno­ten van de VVD kwam kri­tiek op de gang van zaken. Verhagen, de frac­tievoorzit­ter van het CDA, vond het snelle besluit van de minister onzorgvuldig.

De Tweede Kamer vroeg (in de nacht van 16 op 17 mei) in een motie minister Ver­donk om haar conclusie te heroverwegen, dan wel een nieuw naturalisatieverzoek van Hirsi Ali met de grootste spoed in behandeling te nemen. Na enige aarzeling beloofde Verdonk de motie uit te voeren. Minister-president Balkenende zou daar ook sterk op hebben aangedrongen. Op het partijcongres van de VVD op 19 en 20 mei in Noord­wijkerhout (dat voornamelijk gewijd was aan huishoude­lijke zaken en aan veiligheid) zei Verdonk dat Hirsi Ali haar Nederlan­derschap alsnog zou kunnen behouden.

Op 27 juni bevestigde minister Verdonk deze mededeling in een brief aan de Tweede Kamer. Ze had zich laten overtuigen dat Hirsi Ali zich volgens Somalisch familierecht zo mocht noemen, omdat haar grootva­der niet alleen de naam Magan maar ook de naam Ali had gevoerd. Ze bleek echter van haar partijgenote een verkla­ring verlangd te hebben waarin deze betreurde dat ze de minister op het verkeerde been had gezet. In het televisieprogramma ‘NOVA’ verklaarde Hirsi Ali op 27 juni dat ze deze verklaring wel moest ondertekenen omdat ze onder tijdsdruk stond. Ze had duidelijkheid nodig voor haar visumaanvraag in de Verenigde Staten. Op 28 juni kwam de Tweede Kamer op instigatie van de fractie GroenLinks bijeen voor een spoeddebat over deze kwes­tie. Dit leidde tot de val van het kabinet (zie in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’).

Wiegel als lijsttrekker of kandidaat-premier?

Terwijl de Tweede-Kamerverkiezingen nog ver weg leken, zette in Alphen aan den Rijn de voorzitter van de gemeenteraadsfractie, R. Blom, in januari een actie op touw om H. Wiegel opnieuw lijsttrekker te maken. Vanuit bijna 180 afde­lingen zou hij steunbetuigingen ontvan­gen. Wiegel had in 1972, 1977 en 1981 de lijst van de VVD met succes aangevoerd en ook daarna regelmatig van zijn be­trokken­heid bij de partij blijk gegeven. Op 19 januari verklaarde hij echter ‘vierkant achter Jozias van Aartsen en zijn candidatuur [sic] voor het lijsttrekkerschap te staan’ (NRC Handels­blad, 19 januari 2006). Partijvoorzitter Van Zanen noemde het intiatief van Blom een ‘buitengewoon stomme actie’ (Trouw, 19 januari 2006). Van Aartsen ambieerde op dat moment zelf het lijstaanvoerderschap, maar zou Wiegel wel als kandidaat-premier in de verkiezingsstrijd in willen zetten, zoals hij al in 2005 had gezegd (zie ook Jaarboek 2005 DNPP, blz. 94). Niet iedereen juichte een dergelijk tandem toe. Tweede-Kamervoorzitter F.W. Weisglas (VVD) vond de constructie te vrijblijvend en niet goed voor het ambt van Kamerlid, zo verklaarde hij in het radioprogramma ‘TROS Kamerbreed’ op 21 januari.

Wiegel en Van Aartsen trokken niet altijd één lijn. In 2005 bleken ze verschillend te denken over de vrijheid van (bijzonder) onderwijs (zie ook Jaarboek 2005 DNPP, blz. 92-93), in februari 2006 reageerden ze verschillend op de onrust die Deense spot­prenten van de profeet Mohammed hadden veroorzaakt onder moslims. Terwijl Van Aartsen het recht op belediging verdedigde, waarschuwde Wiegel tegen het onge­breidelde gebruik van de vrijheid van meningsuiting en de alles-moet-kunnen-mentaliteit. Volgens een peiling van TNS NIPO in opdracht van de Volkskrant begin maart zouden meer liberale kiezers Wiegel als premier willen (veertig procent) dan Van Aartsen (zeventien procent), Verdonk (dertig procent) of Kamp (25 procent). Juist in die tijd kwam Wiegel in opspraak, omdat hij als president-commissaris van een computerbedrijf belastingfraude niet gemeld zou hebben. Wiegel kondigde overigens na het vertrek van Van Aartsen als fractievoorzitter en potentieel lijsttrekker op 9 maart aan, zich nu ook niet meer beschik­baar te zullen stellen als kandidaat-premier – laat staan als lijsttrekker. Laatstgenoemde functie had hij niet geambieerd, maar het minister-pre­sidentschap in een tandem met Van Aartsen als lijsttrekker wel.

kandidaten lijsttrekkerverkiezingen

Vanaf 9 maart konden zich kandidaten voor het lijsttrekkerschap aan­melden. De ge­doodverfde kandidaat Van Aartsen had zich na zijn aftre­den als fractievoorzitter ook teruggetrokken als kandidaat-lijsttrekker (zie hier­boven). Reeds op 9 maart stelde Rutte zich kandidaat en lichtte dat op een persconferentie toe. Hij hoopte de VVD een ander imago te geven en er een echte volkspartij van te maken waar zowel mannen met dassen en vrouwen met parelkettingen als jongeren met een oorbel of ‘een raar kapsel’ welkom waren (de Volkskrant, 10 maart 2006). Tege­lijkertijd opende hij de aanval op de PvdA: ‘Bos wil alleen maar de bestaande koek verdelen. Ik wil meer koek verdienen’ (de Volkskrant, 10 maart 2006). Aanvankelijk dienden zich geen tegenkandidaten aan, maar op 22 maart meldde zich het Tweede-Kamerlid mevr. J. Veenen­daal. Ze was pas eind 2003 in de Kamer gekomen en nog weinig bekend, maar hoopte meer openheid en debat in de partij te brengen.

Na enige aarzeling besloot echter ook minister Verdonk zich kandidaat te stellen. Ze was populair, maar niet onomstreden – ook binnen haar eigen partij. Zo pleitte ze op een partijbijeenkomst over integratie op 21 januari in Rotterdam voor een gedrags­code naar het voorbeeld van de Maasstad. Op straat zou Nederlands moeten worden gesproken en geen buitenlandse taal. Haar partijgenote Griffith, toen nog wethouder in Amsterdam, vond dit te ver gaan. Een paar dagen later zou de minister haar uit­spraak nuanceren. Verdonk presenteerde zich op 5 april op de Bouw-Rai in Amster­dam. ‘Ik ben niet links en ik ben niet rechts, ik ben recht door zee’, verklaarde ze (NRC Handelsblad, 6 april 2006). Ze liet zich kritisch uit over het fiscaal beleid, politiebeleid, onderwijs en zorg – wat haar twee dagen later in de ministerraad niet in dank werd afge­nomen. Verdonk onderscheidde zich naar eigen zeggen van Rutte niet zozeer door andere of rechtsere ideeën, maar door ‘daadkracht en dui­delijkheid’ (NRC Handelsblad, 5 april 2006). Rutte vond die uitlating ‘beledigend voor de leden’, ‘on­zin’ en ‘schadelijk voor de VVD’ (de Volkskrant, 6 april 2006). Daarmee was de toon gezet, ook al zouden de twee kandidaten hun eerste ruzie spoedig hebben ‘afge­zoend’(NRC Handelsblad, 7 april 2006).

De strijd tussen Rutte en Verdonk verdeelde de VVD, en drong Vee­nendaal naar de achtergrond. Rutte was officieel door het hoofdbestuur kandidaat gesteld en kreeg steun van de JOVD, vice-premier Zalm, minister J.F. Hoogervorst en oud-minister F.H.G. de Grave, terwijl Ver­donk de voorkeur genoot van oud-partijleider F. Bolkestein, Kamer­voorzitter Weisglas, het Tweede-Kamerlid C.B. Aptroot en aanvankelijk ook van Eurocommissaris mevr. N. Kroes. Laatstgenoemde trok haar steun echter in naar aanleiding van het besluit van de minister om Hirsi Ali haar Nederlanderschap te ontnemen.

campagne lijsttrekkerverkiezingen

Verdonk ging een professionele campagne voeren, onder leiding van E. Sinke, oud-voorzitter van de Kamercentrale Amsterdam, en K. van de Linde, die in 2001 en 2002 voor Leefbaar Nederland gewerkt had. Rutte liet zijn campagne leiden door de Amsterdamse oud-wethouder F. Huff­nagel – die overigens in april wethouder van Den Haag zou worden. Volgens peilingen van M. de Hond en van TNS NIPO zou Verdonk meer kiezers kunnen trekken dan Rutte.   

Op de partijraad die zich op 8 april in Ermelo bezig hield met de toe­komst van Euro­pa, kregen Verdonk en Rutte gelegenheid hun opvattin­gen uiteen te zetten – Veenen­daal bleek te laat op de hoogte van de gelegenheid om te kunnen komen. Terwijl Rutte de nadruk legde op de voordelen van Europese integratie, pleitte Verdonk voor een beperkt Europa, met minder regels en minder invloed van Brussel.  

De strijd om het leiderschap leverde de VVD aanvankelijk groeiende aanhang op: in peilingen steeg ze in de loop van de maanden april en mei van 25 naar 35 zetels (volgens Interview/NSS). De campagne ver­liep echter niet zonder strubbelingen. Het campagneteam van Verdonk verzocht om een eigen waarnemer bij de verkiezingen, wat op wan­trouwen jegens het partijbestuur leek te duiden. Het partijbestuur had zich immers uitgesproken voor Rutte. De kandidaten kwamen voorts moeizaam tot over­eenstemming over het aantal debatten dat ze met elkaar zouden voeren.

Verdonk opende haar campagne op 20 april in Utrecht en kondigde aan de VVD tot grootste partij in Nederland te zullen maken. Een belang­rijk strijd­punt was voor haar belastingverlaging voor werknemers. Ze sloot des­gevraagd uit dat ze een eigen partij zou oprichten ingeval ze geen lijsttrekker van de VVD zou worden: ‘ik ben loyaal aan de VVD’ (de Volkskrant, 22 april 2006). E.H.T.M. Nijpels, oud-partijleider en com­missaris van de koningin in Friesland, vreesde echter dat zij de par­tij niet bij elkaar zou weten te houden en noemde haar in een radiopro­gramma op 21 april een ‘brokkenpiloot’ (de Volkskrant, 22 april 2006). Op 24 april gingen de drie kandidaten in Heerhugowaard voor het eerst met elkaar in debat; in mei volgden – druk bezochte – debatten in Rot­terdam, Assen, Oudenbosch, Weert, Arnhem en op het partijcongres in Noordwijkerhout. Hoewel de toon soms wat vinnig werd, leken er weinig inhou­de­lijke verschillen te zijn. Rutte verweet Verdonk gebrek aan helderheid en consistentie in haar uitspraken over belangrijke onderwerpen als de hypotheekrenteaftrek en het bijzonder onderwijs. In mei kondigde Verdonk aan, ‘met alle liefde’ premier te worden indien ze er in zou slagen de VVD tot grootste partij te maken (Trouw, 4 mei 2006).

Tussen 10 en 24 mei konden de leden hun stem uitbrengen. Ze mochten bovendien een eenmaal uitgebrachte schriftelijke stem elektronisch of telefonisch ongedaan maken. Toen het partijbestuur daar op 18 mei nog eens op wees, vreesden Verdonk-aanhan­gers dat het zodoende de ver­kiezing wilde beïnvloeden. Weisglas noemde deze herstemmingsmoge­lijkheid ‘ondemocratisch’ (NRC Handelsblad, 19 mei 2006). Intussen had de kwestie van het Nederlanderschap van Hirsi Ali (zie hierboven) het aanzien van Verdonk waarschijnlijk schade toegebracht, volgens een peiling onder ruim driehonderd VVD-leden van TNS NIPO voor ‘RTL Nieuws’. Niettemin werd ze vaker dan Rutte door de leden als sterke leider en stemmentrekker beschouwd. Sommige critici legden verband tussen haar optreden in de kwestie-Hirsi Ali en haar strijd om het lijst­trekkerschap. In het debat tussen de drie kandidaten op het partijcongres in Noordwijkerhout, dat live op 19 mei werd uitgezonden via het actua­liteitenprogramma ‘Netwerk’, kwam de kwestie niet ter sprake. De toon was hier dan ook gematigd. Rutte-aanhangers, zichtbaar aan affiches, kaarten, koeken en folders, leken op het congres in de meerderheid. Verschillende vooraanstaande partijleden riepen op tot eenheid. Zalm noemde sommige opmerkingen van partijprominenten over Verdonk ‘weinig verheffend’ (de Volkskrant, 22 mei 2006). Fractievoorzitter Van Beek verzocht zijn fractiegenoten dringend om niet meer anoniem kri­tiek op een kandidaat te uiten. Het wantrouwen tussen de kandidaten en hun aanhangers bleef echter groot; toen het campagneteam van Rutte adresgegevens van leden bij enkele afdelingen opvroeg, diende het team van Verdonk prompt op 22 mei een klacht in bij J.G.C. Wiebenga, onder meer oud-lid van de Eerste en de Tweede Kamer, die door het partijbestuur was aangesteld om toe te zien op een eerlijk verloop van de verkiezing. Wiebenga gaf de afdeling Den Haag hiervoor (op 26 mei) een berisping.

uitslag lijsttrekkerverkiezingen

Op 31 mei werd de uitslag in Amsterdam bekend gemaakt, die vele waar­nemers verraste. Peilingen hadden veelal Verdonk als winnaar aan­gewezen, maar van de ruim 28.000 VVD-ers (74 procent van de 39.000 stemgerechtigde leden) die aan de verkiezing hadden deelgenomen gaf 51 procent (14.777) de voorkeur aan Rutte, 46 procent (13.131) aan Verdonk en drie procent (803 stemmen) aan Veenendaal. Volgens een peiling van De Hond zou Rutte minder kiezers trekken dan Verdonk. Er werd dan ook even gespeculeerd over een duo-lijsttrekkerschap, maar de partijtop voelde daar weinig voor.

Op 27 juni trad Rutte af als staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, om de volgende dag beëdigd te worden als lid van de Tweede Kamer. Vervolgens loste hij op 29 juni Van Beek als fractie­voorzitter af. Als staatssecretaris werd hij opgevolgd door de Haagse oud-wethouder B.J. Bruins (ook VVD).

programma Tweede-Kamerverkiezingen

In november 2005 was een commissie ingesteld die onder leiding van B. Verwaayen, topman van British Telecom, een programma zou ontwer­pen voor de Tweede-Kamer­verkiezingen die toen nog voor 2007 ver­wacht werden (zie Jaarboek 2005 DNPP, blz. 94). Penvoerder was de politiek filosoof L. van Middelaar. De commissie zou een aantal reeds vastgestelde ‘visiedocumenten’ bij haar werk betrekken.

Op 28 augustus presenteerde de commissie in Rotterdam haar ontwerp­program, geti­teld Voor een samenleving met ambitie. Het was opge­maakt en gedrukt als een tabloid krant, met korte teksten en kleurrijke foto’s. Belangrijke eisen waren: verlaging van de inkomstenbelasting met drie procent voor alle tarief­schijven; handhaving van de hypotheek­renteaftrek en de AOW; gratis kinderopvang voor werkende en onder­ne­mende ouders; zwaardere straf­fen voor geweld en andere over­tredingen tegen gezagsdragers; voorrang voor artikel 1 van de Grond­wet, dat discriminatie verbiedt. De commis­sie pleitte ook voor een ‘hel­dere en rechtvaardige asielprocedure: snel en zorgvuldig’.

Waardering voor het program kwam vooral van de werkgeversorgani­satie VNO-NCW, kritiek van de vakbeweging en van andere partijen. Niet alleen de linkse partijen maar ook de christen-democratische coali­tiepartner vond dat de liberalen de ‘onderkant van de samenleving’ teveel de rekening lieten betalen (de Volkskrant, 29 augustus 2006). Rutte uitte op zijn beurt tijdens de presentatie van het program kritiek op het CDA (‘duf en weinig ambitieus’), maar zou toch de coalitie na de verkiezingen willen voortzetten (Trouw, 29 augustus 2006).

Op 30 september stelde het congres in Den Haag het programma defini­tief vast, met geringe wijzigingen – slechts zeven amendementen werden aangenomen. In oktober zou de VVD op aandrang van het Cen­traal Planbureau (CPB) haar plan voor verlaging van de inkomstenbe­lasting temperen (van drie procent tot 2,5 procent).

kandidaatstelling Tweede-Kamerverkiezingen

In 2004 was een ‘scoutingcommissie’ ingesteld die onder leiding van de Arnhemse burgemeester mevr. P. Krikke permanent geschikte kandida­ten zocht voor de Eerste en Tweede Kamer. Op de algemene vergade­ring van 19 en 20 mei in Noordwijker­hout werd een technisch advies vastgesteld voor de kandidatenlijst. A.W.H. Docters van Leeuwen, voorzitter van de Autoriteit Financiële Markten en één van de auteurs van het in 2005 vastgestelde Liberaal Manifest, maakte in mei bekend dat hij de uitnodiging aannam om zich kandidaat te stellen. In juli en augustus meldden zich meer kandidaten: onder anderen oud-journalist en communicatie-adviseur T.M.C. Elias, de aan de Utrechtse universi­teit verbonden historicus A.J. Boekestijn en officier van justitie F. Teeven – die in 2002 de lijst van Leefbaar Nederland aanvoerde. Een deel van de zittende Kamerleden stelde zich opnieuw verkiesbaar. Na enige aarzeling besloot Kamervoorzitter Weisglas in augustus om geen nieuwe termijn na te streven. De bewindslieden mevr. S.M. Dekker, H.A.L. van Hoof, mevr. M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus, Hoogervorst en Zalm zagen eveneens af van een plaats op de kandida­tenlijst. Hoogervorst zou wel de campagne leiden. Op 21 augustus liet Van Aartsen weten evenmin terug te willen keren naar de Kamer, ondanks aandrang van Rutte.

Het hoofdbestuur stelde na overleg met de voorzitters van de Kamer­centrales – de kies­kringorganisaties van de VVD – op 25 augustus de ontwerplijst vast. Het con­cept, dat vroegtijdig bekend werd, leidde tot enige onrust in de partij. Docters van Leeuwen, die voorgedragen zou worden voor de tiende plaats, trok zich daarop terug, waarbij een rol speelde dat Teeven de vijfde plaats zou krijgen. De officier van justitie stond voor een hardere aanpak van criminaliteit, waarmee zijn voorma­lige superieur – Docters van Leeuwen was voorzitter van het college van procureurs-generaal geweest – niet in kon stemmen. De oud-Kamerleden Visser en mevr. E. van Egerschot bedankten voor de plaat­sen 24 respectievelijk 38.

Op 30 augustus presenteerde het hoofdbestuur de inmiddels aangepaste lijst. Op de eerste drie plaatsen stonden Rutte, Verdonk en Kamp. De vierde en vijfde plaats waren voor nieuwkomers: de econoom en onder­nemer mevr. B.I. van der Burg en Teeven. Het Kamerlid Schippers kreeg de zesde plaats, de bewindslieden A. Nicolaï en J.W. Remkes de zevende respectievelijk achtste plaats, het oud-Kamerlid Griffith kwam op de negende plaats. Daarna volgden zittende Kamerleden, tot de veer­tien­de plaats voor nieuwkomer Boekestijn. Elias kwam op 23. Ex-lijst­trek­kerskandidaat Veenendaal kreeg een onverkiesbaar geachte plaats (nr. 33), wat aanleiding vormde voor de voorzitter van de Kamer­cen­trale Noord-Holland Noord, H. ter Heegde, om zijn functie neer te leggen. 

De kandidaten konden zich op 2 en 9 september in Bussum presenteren aan de leden, die van 8 tot en met 18 september via internet, telefonisch of per post konden stemmen. Ruim een vijfde (8.422) van de 41.996 stemgerechtigde leden bracht een stem uit. De volgorde op de lijst ver­anderde daardoor enigszins. Zo rukte Griffith op naar de vijfde plaats en zakte Teeven naar plaats zes. Ook Schippers, Nicolaï en Remkes scho­ven een plaats op, verder bleef de lijst vrijwel ongewijzigd. De defini­tieve lijst werd gepresenteerd op 29 september op het congres in Den Haag.

Van Schijndel

De advocaat A.H.J.W. van Schijndel had sinds zijn toetreden tot de Tweede Kamer in augustus 2005 een kritische rol vervuld. Op 6 sep­tember 2006 schreef hij in de Volks­krant dat het ontwerpprogram van zijn partij slechts lippendienst bewees aan grote maatschappelijke vraagstukken als immigratie, integratie en de Europese integratie. Hier­mee werd naar zijn mening ‘de erfenis van Frits Bolkestein verkwan­seld’. Zijn onverkiesbare 35-ste plaats op de ontwerpkandidatenlijst beschouwde hij als een signaal dat zijn opvattingen in de partij niet meer welkom waren en hij overwoog daarom zich bij een nieuwe partij aan te sluiten. Rutte eiste hierop dat Van Schijndel ofwel zijn eisen zou intrekken, ofwel zijn Kamerzetel ter beschikking zou stellen. Toen het Kamerlid daar niet op inging, werd hij onmiddellijk uit de fractie gezet. Hij vormde kort daarop een nieuwe fractie samen met het uit de LPF getreden Kamerlid B.J. Eerdmans, die betrokken was bij de oprichting van EénNL. Bij de Kamerverkie­zin­gen stond Van Schijndel zevende op de kandidatenlijst van EénNL, wat ook een onverkiesbare plaats bleek te zijn: de nieuwe partij haalde geen zetels.

campagne Tweede-Kamerverkiezingen

Rutte had in een toespraak voor de bestuurdersvereniging van de VVD op 1 april in Utrecht aangekondigd zich in de campagne te richten op kiezers van de rechter­vleu­gels van CDA en PvdA, maar niet met de sociaal-democraten te willen regeren. Hij verwachtte zo meer zetels te kunnen winnen dan met een rechtsere campagne die G. Wilders (PVV) en M.G.Th. Pastors (EénNL) wind uit de zeilen zou nemen. Op het par­tijcongres op 30 september sloot Rutte ook de ChristenUnie als partner uit, vanwege haar linkse koers. Ook vice-premier Zalm sprak voorkeur uit voor een coalitie met het CDA om het liberale beleid van het tweede en derde kabinet-Balkenende voort te zetten.

Op 30 oktober hield de VVD een bijeenkomst in Den Haag over eco­nomisch beleid, waaraan ondernemers als A. Burgmans (Unilever), R. Wil­lems (Shell) en Verwaayen (British Telecom) deelnamen. Rutte stelde voor de WW-premie voor oudere werk­nemers af te schaffen om te voorkomen dat zij vervroegd werkloos of gepensioneerd zouden worden.

Nog voor de officiële start van de campagne (op 4 november) bleken binnen de partij ongerustheid en verdeeldheid te bestaan over de wijze van campagnevoeren. Som­mige Kamerleden vonden (in een fractiever­gadering op 31 oktober) de campagne niet hard genoeg en te weinig op de lijsttrekker gericht: andere prominente liberalen als Zalm, Kamp en Verdonk zouden teveel aandacht trekken. Verdonk voerde campagne via de website die ze als kandidaat-lijsttrekker in gebruik had genomen (www.stemrita.nl). Ze trad onder meer in debat met GroenLinks-lijsttrek­ker Halsema in een door muziekzender MTV en Coolpolitics georganiseerde serie korte debatten. Volgens een peiling van De Hond zou de VVD met Verdonk als lijsttrekker drie zetels meer winnen dan nu met Rutte. Ze zou graag vice-premier worden als de VVD weer mee zou regeren, verklaarde ze op 14 november op een partijbijeenkomst in Leiden, Rutte zou dan voorzitter van de Tweede-Kamerfractie blijven.

Rutte zei graag te willen profiteren van de populariteit die Verdonk genoot. De VVD-lijsttrekker moest moeite doen om te voorkomen dat de media alle aandacht richtten op de tweestrijd tussen CDA en PvdA, en hij ging daarbij vragen over zijn persoonlijk leven niet uit de weg. Zo bekeek hij in het bijzijn van een verslag­geefster van het televisiepro­gramma ‘Lijst 0’ een video met potentiële huwelijks­kandidaten – Rutte was vrijgezel – en liet hij zich door een journaliste van het blad Viva (dat op 13 november verscheen) liggend op een hotelbed interviewen. Rutte wilde het activeren van mensen in WW of bijstand tot centraal thema verheffen, onder het motto ‘het karwei begint nu pas’ – zo kon­digde hij aan bij de formele opening van de campagne op 4 november in Lunteren, waar ook het jaarlijks congres van de VVD-Bestuurders­vere­niging plaatsvond. CDA en PvdA zouden van Nederland een ‘rusthuis aan de Noordzee’ willen maken (de Volkskrant, 6 november 2006).

Ook Zalm nam afstand van het CDA en verweet Balkenende gebrek aan leiderschap en angst voor verdere hervormingen: ‘Balkenende zegt nu: laat mij m’n karwei maar stoppen’ (de Volks­krant, 15 november 2006). Op 14 november presenteerde de VVD een plan voor twee miljard extra investeringen om de knelpunten in het wegennet op te lossen, onder meer door snelwegen boven elkaar aan te leggen. Minister van Defensie Kamp, die eveneens een actieve rol in de campagne speelde, reageerde scherp op een publicatie in de Volkskrant op 17 november over marte­ling van Irakezen door Nederlandse militairen. De krant had zich vol­gens hem in de slot­fase van de verkiezingsstrijd voor een politiek karre­tje laten spannen (de Volkskrant 22 november 2006). 

uitslag Tweede-Kamerverkiezingen

De VVD leed vrijwel overal verlies. Ze bleef niettemin de grootste par­tij in enkele gemeenten in Noord- en Zuid-Holland zoals Amstelveen, Blaricum, Laren en Wassenaar. Ze verloor vooral kiezers aan het CDA (bijna een kwart van haar aanhang uit 2003) en aan de PVV (vijf pro­cent). De nieuwe partijen EénNL en de Liberaal-Democratische Partij – in augustus opgericht door oud-VVD-er S.E. baron van Tuyll van Serooskerken – bleken weinig kiezers te hebben weggehaald bij de VVD. Hoewel de opiniepeilingen sinds oktober op verlies duidden, viel de uitslag toch nog tegen. Directeur van de Teldersstichting Van Schie weet het verlies vooral aan een te bleek programma, dat wel een ‘socia­listisch’ voorstel voor kinderopvang bevatte maar wei­nig aandacht schonk aan de integratie van immigranten. Rutte had echter volgens Van Schie ook in de campagne te weinig gedaan om de VVD een ‘dui­delijk herkenbaar gezicht’ te geven (NRC Handelsblad, 23 november 2006). Ook andere partijleden uitten kritiek, maar Kamp en Zalm namen Rutte hiertegen in bescherming.

De partijraad boog zich op 9 december in Zoetermeer over de verkie­zingsuitslag. De deelnemers leverden veel kritiek op het campagneteam, dat amateuristisch te werk zou zijn gegaan. Sommige sprekers pleitten voor een rechtsere koers, andere voor juist een linksere. Rutte zag zich­zelf als slachtoffer van de tweestrijd tussen Balken­ende en Bos. Voorts beschouwde hij de uitslag vooral als nederlaag voor de geves­tigde ‘cen­trumpartijen’ tegen de ‘outsiders’ (NRC Handelsblad, 11 december 2006).

Rutte versus Verdonk

De Tweede-Kamerfractie koos Rutte op 23 november meteen weer tot voorzitter. Hij kreeg hierbij de steun van Verdonk. Toen echter bleek dat zij bij de Kamerverkie­zin­gen 620.555 voorkeursstemmen had gekregen, ruim 67.000 meer dan lijsttrekker Rutte, riep ze op 28 november in een toespraak in een Haags café de partij op om de oud-partijleiders Bolkestein en Wiegel ‘de betekenis van deze unieke situatie voor de partij’ te laten onderzoeken (NRC Handelsblad, 29 november 2006). Ze wilde zich hard maken voor ‘de koers-Verdonk’ die in haar ogen werd gesteund door de kiezers maar tegengewerkt door ‘veertig partijbonzen’. De partijtop toonde zich weinig ge­charmeerd van dit idee. In de wandelgangen klonken kwalificaties als ‘schandalig’ en ‘egocentrisch’, en werd de vrees geuit voor ‘LPF-achtige toestanden’ (de Volkskrant, 29 november 2006). Rutte verklaarde na een intensieve fractievergadering – waarin hij zou hebben gedreigd af te treden indien de fractie in zou stemmen met het voorstel van Verdonk – dat hij ‘de baas’ bleef en Verdonk beaamde dat. Wel zou een commis­sie onder lei­ding van oud-minister Dekker de verkiezingsnederlaag gaan onderzoe­ken – en daarbij ook de gemeenteraadsverkiezingen en de strijd om het lijsttrekkerschap betrekken. Wiegel sprak de verwachting uit dat de dis­cussie over het leiderschap in zijn partij hiermee nog niet beëindigd zou zijn. Het niet herkozen Kamerlid G.J. Op­laat deelde die mening en vreesde dat Rutte als partijleider niet de ‘centrum-rechtse basis’ van de VVD terug zou winnen (Trouw, 30 november 2006).

Provinciale Statenverkiezingen 2007

In het voorjaar van 2006 startte de VVD de voorbereidingen voor de Provinciale Statenverkiezingen van maart 2007. In mei konden in alle provincies lijsttrekkers door de leden van de provinciale afdelingen gekozen worden. In negen provincies werd slechts één kandidaat gesteld, die vervolgens automatisch lijsttrekker werd. Alleen in Lim­burg, Noord-Brabant en Noord-Holland vonden ledenraadplegingen plaats. De kandidatenlijsten werden in november vastgesteld.

In Drenthe vond in augustus een scheuring plaats in de Statenfractie. Naar aanleiding van persoonlijk getinte menings­verschillen over de werkwijze van de fractie vormden twee leden een eigen fractie, ‘Actief Liberaal Drenthe’; zij overwogen deel te nemen aan de Statenverkiezin­gen.

Eerste-Kamerverkiezingen 2007

Op 31 mei werd de fractievoorzitter in de Eerste Kamer, U. Rosenthal, tot lijstaan­voerder benoemd – bij gebrek aan tegenkandidaten was een ledenraadpleging over­bodig. Op 13 oktober presenteerde het hoofdbe­stuur de groslijst van overige kandi­daten, waarover de leden in maart 2007 zouden stemmen. De Eerste-Kamerverkie­zingen zouden plaats­vinden op 29 mei 2007.

personalia

F. Bolkestein, oud-minister en politiek leider van de VVD van 1990 tot 1998, volgde in januari H. Langman op als voorzitter van het curato­rium van de Prof.mr.B.M. Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD.

Het Tweede-Kamerlid R. Luchtenveld werd in juni wethouder in Amersfoort en vertrok daarom uit de Kamer.

Oud-partijleider G. Zalm kondigde op 26 november zijn vertrek uit de politiek aan. Als minister kreeg hij van vele kanten lof toegezwaaid, zelfs van zijn GroenLinks-opponent Vendrik. Zalm was minister van Financiën geweest van 1994 tot 2002 en van 2003-2007; in 2002 was hij in de Tweede Kamer gekozen en bij de vervroegde Kamerverkiezingen van 2003 had hij de lijst van de VVD aangevoerd.

Laatst gewijzigd: 1 27-07-2012 11:40:23