CDA jaaroverzicht 1994

Uit: J. Hippe, P. Lucardie en G. Voerman, 'Kroniek 1994. Overzicht van de partijpolitieke gebeurte­nissen van het jaar 1994' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 1994 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1995), 14-91, aldaar 33-45.

inleiding

Verkiezingsnederlaag en oppositierol. Met deze aanduidingen zal het jaar 1994 voor het CDA de geschiedenis in gaan. Bij de Tweede-Kamerverkie­zingen verloor de partij maar liefst twintig zetels - een nog niet eerder vertoon­de achteruitgang in de parlementai­re historie. Met de vorming van de paarse coalitie belandde het CDA in de op­positie. Ook dit was een historisch feit, aangezien de con­fessionele voor­lopers van het CDA sinds 1918 ge­tweeën of ge­drieën altijd deel van de regering hadden uitgemaakt. Het dra­matische electorale verlies leidde uitein­de­lijk tot het aftre­den van lijsttrekker L.C. Brink­man, de beoogde opvolger als politiek leider van R.F.M. Lub­bers. Deze verdween na twaalf jaar premier te zijn ge­weest, van het politie­ke to­neel.

minister Bukman

Begin januari kwam minister P. Bukman van Landbouw in op­spraak, toen een vertrouwelijke brief aan zijn collega J.E. An­driessen van Economische Zaken openbaar werd. Hierin stelde hij voor om de verhoging van de aardgasprijs voor glastuinders een jaar uit te stellen. De angst voor stem­men­verlies bij de komende verkiezingen speelde hierbij een rol. Prijs­verho­ging zou leiden tot een woede-uitbarsting in deze sector, aldus Bukman: 'De poli­tieke prijs van een explo­sie zal hoog zijn en volledig door het CDA be­taald wor­den' (NRC-Handelsblad, 12 januari 1994). Vooral in het West­land - tradi­tioneel een CDA-bolwerk - heerste reeds veel onvrede over het kabinetsbe­leid. Aan het einde van 1993 zouden twee­hon­derd tuinders hun CDA-lid­maatschap hebben opge­zegd. In de Tweede Kamer was de ver­ont­waardiging over de brief van Bukman groot. Ook het CDA vond zijn handelwijze onverstan­dig. In antwoord op kamer­vragen zei minister-presi­dent Lubbers dat Bukman 'staats­rechtelijk niet juist en overbo­dig' had gehan­deld. Begin februari debat­teerde de Tweede Kamer over de af­faire. Een motie van wantrou­wen van GroenLinks kreeg van de overige fracties echter geen enkele steun.

verkiezingsprogramma

Gezien de verslechterende economische situatie besloot de par­tijtop in januari tot enkele ingrijpen­de wijzi­gin­gen in het ontwerp-verkiezingspro­gramma. Voorgesteld werd om in de komen­de kabi­netspe­riode in plaats van negen bijna achttien miljard gulden te bezuinigen, door de bevriezing van de socia­le uitke­ringen en de ambtena­rensala­rissen. De extra bezuini­gingen wa­ren noodza­ke­lijk om meer banen te schep­pen. Met dit nieuwe be­drag kwam het CDA in de buurt van de VVD, die ook ongeveer ze­ven­tien miljard wilde bezuini­gen.

De partijraad stemde op 28 januari in met het aangescherpte verkiezingspro­gram, maar had grote moeite met de bevriezing van de AOW. Dit voorstel was een dag eerder op een perscon­ferentie door partijvoor­zitter W. van Velzen en A. Kolnaar, lid van de verkiezingsprogramcommis­sie, wereldkun­dig ge­maakt. De partijraad ging pas akkoord na een drin­gende oproep van Brinkman en de toe­zegging van het partij­be­stuur, dat er extra geld zou worden uitge­trok­ken om in indivi­duele gevallen de scherpe kantjes van de maatregel weg te nemen. Vervolgens werd het ont­werp-verkiezingsprogram door het par­tijcongres op 29 januari definitief vastgesteld.

kandidaatstelling verkiezingen Tweede Kamer en Europees Parle­ment

Het partijcongres wees verder onder luid applaus Brink­man aan als lijsttrek­ker. Brinkman verkreeg 140.844 van de maximaal haalbare 142.000 punten. Tegenkan­di­daten waren er niet. De schei­dende minister-presi­dent Lubbers prees Brinkman als zijn opvolger aan. Ook werd de ontwerp-kandida­tenlijst voor de Tweede-Kamerverkiezingen vastgesteld. Het congres sanctioneer­de de wijzigingen die de afdelingen eerder in de voorstellen van het partijbe­stuur hadden door­ge­voerd. Minister Bukman was hierdoor van de zesde naar de elfde plaats gezakt. De door het partijbe­stuur op de tweede posi­tie gekan­di­deerde E.M.H. Hirsch Ballin - minister van Justitie - verruilde van positie met num­mer drie, staatssecreta­ris van Economische Zaken Y.C.M.T. van Rooy. De lobby van het CDA-Vrou­wenbe­raad zou hierbij een rol hebben gespeeld. Staats­secre­taris E. Heerma van Volkshuis­vesting steeg naar de vijfde positie.

Verder stelde het partijcongres de rang­schikking van de kandi­da­tenlijst voor de Europese verkie­zingen vast. Als lijstaan­voerder werd minister van Verkeer en Waterstaat Maij-Weggen aangewezen. Zij zou J. Penders als voorzitter van de CDA-delegatie in de EVP-fractie in het Europees Parle­ment opvol­gen.

gemeenteraadsverkiezingen

De gemeenteraadsverkiezingen van 2 maart liepen uit op een ge­voelige nederlaag voor het CDA. Het aantal raadszetels liep terug van 3515 naar 2741. Omgerekend in kamerzetels zouden de chris­ten-demo­craten van 54 zetels uitkomen op 39. De Tweede-Kamer­fractie verweet in een reactie de CDA-bewindslie­den dat zij haar op sociaal-economisch ter­rein te weinig tege­moet waren geko­men. Fractie­voorzitter Brinkman werd voorge­houden 'minder reken­meesterig' op te treden. De presentatie moest anders, alhoewel de fractie haar voorzitter wel bleef steunen. Het dagelijks bestuur van de partij daarentegen zou gepoogd hebben Brinkman tot aftreden te bewegen, aldus be­richtte Trouw in een terugblik op 17 december 1994.

AOW

Op de door het CDA in januari geopenbaarde plannen om de AOW te bevriezen, was door de ouderenbonden zeer afwijzend gerea­geerd. De Protes­tants-Christelij­ke Ouderen­bond (PCOB) tekende onmid­del­lijk protest aan bij het CDA. De katho­lieke oude­ren­bond Unie KBO poogde een extra CDA-par­tij­raad bijeen te laten roepen. Deze zou de AOW-voornemens onge­daan moeten maken. De beide bonden kondigden samen met de Algemene Bond van Ouderen (ANBO) acties aan.

Als gevolg van de nederlaag bij de raadsverkiezingen nam ook binnen de partij het verzet tegen het AOW-standpunt toe. CDA-raadsleden en wethou­ders uit Brabant en Limburg drongen aan op een herziening. De winst van enkele ouderenpartijen in het Zuiden speelde hierbij een rol. Op 4 maart werd een evalu­atie­bijeenkomst gehouden van het partij­be­stuur met kader­leden uit 43 grote gemeenten. In een open brief vroegen de lijst­trekkers uit Breda, Den Bosch, Eind­hoven, Hel­mond en Tilburg aan Brink­man om terug te komen op het 'onrechtvaardige' AOW-stand­punt. Brink­man hield echter voet bij stuk, maar zei toe de bevrie­zing van de AOW per jaar te bezien.

De onrust binnen het CDA verdween hiermee niet. Volgens een opinie­peiling enkele dagen later was 72% van de CDA-achter­ban het oneens met het par­tijstand­punt ten aan­zien van de AOW. Bijna eenderde van de achter­ban zag hierin aanleiding om bij de kamerverkiezingen niet op het CDA te stemmen. De voorzitter van de gemeente­raadsfractie van het CDA in Den Bosch, P. van den Krabben, zag hierin aanlei­ding om voor een extra partij­raad te pleiten. Na het vertrek van partijvoorzit­ter Van Velzen (zie hieron­der) ging Brinkman alsnog over tot 'concre­ti­sering van de bijstel­lingen en aanvullingen'. De aangekon­digde lastenverlichting voor AOW-ers zocht hij vooral in een verla­ging van de AWBZ-premie. Over de aanpassingen had Brink­man naast zijn fractie ook promi­nen­te CDA-leden als oud-pre­mier J. Zijlstra en oud-minis­ter J. de Koning geconsul­teerd.

Op een vergade­ring van 11 maart van het partij­bestuur met de voorzit­ters van de kamerkringen kreeg Brinkman steun voor zijn voor­stellen. Van een extra partijraad wilde het partijbestuur niet weten, omdat de tekst van het verkie­zingspro­gram niet werd gewijzigd. De christelijke ouder­enbonden PCOB en Unie KBO rea­geerden tamelijk positief. De ANBO vond de handreiking 'ge-mod­der in de marge'.

Als gevolg van alle onrust ging het CDA meer aandacht aan de ouderen besteden. Een werkgroep 'Oude­renbeleid' onder leiding van P.C. Lodders-Elffe­rich - de waarnemend partijvoor­zitter - ging op 28 april van start. Daar­naast werd de instel­ling voorbe­reid van een studie­groep over in­tegraal ouderenbe­leid van het Weten­schappe­lijk Insti­tuut.

partijvoorzitter Van Velzen

Op 7 maart gaf W. van Velzen te kennen af te treden als par­tijvoorzit­ter van het CDA. Hij achtte zich verantwoor­delijk voor de presen­tatie van de CDA-voorstellen betreffende de AOW. Van Velzen doelde hiermee op de gerucht­ma­kende pers­conferentie van 27 januari, waarop Kolnaar en hij de bevrie­zing van de AOW-uitkerin­gen hadden toegelicht. Hij hoopte dat er met zijn terug­treden 'ruimte is om de cam­pagne voor de Tweede-Kamerver­kie­zingen weer een nieuwe impuls te geven' (CDActueel, 12 maart 1994). Van Velzen was in 1987 voorzitter geworden. Na de Europese verkiezingen zou hij plaats nemen in het Euro­pees Parle­ment.

Na Van Velzens vertrek werd de functie van partijvoor­zitter waargenomen door de vice-voor­zitter, Lod­ders-Elffe­rich. Als mogelijke opvolgers vielen de namen van De Koning, Lub­bers en oud-Europees Commissaris F.H.J.J. An­driessen. Geen van deze prominente partijle­den wenste in aanmerking te komen voor de functie.

Op 23 september kwam de selec­tiecom­missie die onder voorzit­terschap van Lodders-Elfferich stond, met de kan­di­datuur van H. Helgers naar buiten. Helgers was onder meer voorzitter van de CDA-kamer­kring Utrecht ge­weest, en lid van de partij­commis­sies 'CDA-poli­ti­ci in func­tie' en 'Appèl en weerklank II'. Het par­tijbestuur nam de enkel­voudige voor­dracht - die was bedoeld om een partijstrijd over het voor­zitterschap te voorkomen - over. Nadat de afde­lingen zich hierover hadden gebogen, stelde de partij­raad van 19 november de voor­dracht definitief vast. De nieuwe voorzit­ter van het CDA zou moeten worden verkozen op het partijcon­gres van 4 februari 1995.

campagne Tweede-Kamerverkiezingen

Het CDA ging de verkiezingscampagne in onder de leus 'een groot karwei vraagt een sterke partij'. De campagne ging op 13 april officieel van start in Kerkrade. Op aandringen van de partijtop trad minister-presi­dent Lubbers meer op de voor­grond. Hij opende in Kerkrade de aanval op coa­litiepartner PvdA, waarvan hij het programma eerder nog had geprezen. Vol­gens Lubbers zouden de sociaal-democraten de laatste tijd een 'zwen­king naar links' hebben gemaakt. Tegelijkertijd zocht hij toena­de­ring tot D66, alhoe­wel hij het euthana­sie­stand­punt van de Democraten laakte.

Bij de start van de campagne zei Lubbers Brinkman zijn steun toe. Enkele uitlatingen van hem in de publiciteit leken daar echter niet op te wijzen. In een in­ter­view in de Tele­graaf (15 april 1994) zei Lub­bers 'slape­loze nach­ten' te hebben gehad van de kri­tiek die Brinkman aan het einde van 1993 op zijn kabinet had uitgeoe­fend. 'Al die aanvallen van Elco op het kabinetsbe­leid hebben averechts gewerkt', zo meende hij. Half april deelde Lubbers in het televi­siepro­gramma Nova mee dat PvdA-leider Kok als premier 'niet slech­ter' zou zijn dan Brinkman. Hij stelde verder het jammer te vinden dat 'een lijstaanvoer­der automa­tisch ook kandi­daat-premier' is. Lubbers zei boven­dien Brink­man nooit te hebben voorgedragen 'als nieuwe premier, maar slechts als degene die leiding moet geven aan het CDA' (NRC-Handelsblad, 16 april 1994). In de media werden deze uitla­tingen uitge­legd als een dis­tantiëring van Brinkman. Lubbers meende daarentegen dat zijn woorden door de pers totaal ver­keerd werden uitge­legd. Brinkman rea­geerde korzelig: hij noemde het merkwaardig wan­neer het CDA met een lijsttrekker in zee zou gaan die vervol­gens niet geschikt zou zijn voor de leiding van het land. Volgens Brink­man zou Lub­bers er moeite mee hebben om terug te treden. Waarnemend partijvoorzitter Lodders-Elfferich stelde zich achter Brinkman op. Zij meende echter ook dat Brinkman te snel lucht had gegeven aan zijn erge­rnis. Na ge­sprek­ken met de beide CDA-leiders kwam zij tot de slotsom dat er geen me­ningsverschil­len tussen hen be­ston­den.

Op 17 december zou Trouw onthullen dat Lubbers aan het einde van 1993 had gepoogd de oud-KVP-leider en oud-Europees Commis­saris Andriessen naar voren te schuiven als toekomstig pre­mier. In dit scenario zou hijzelf als lijstduwer fungeren en na de verkiezingen het partijvoorzitterschap op zich nemen. Brinkman zou dan fractievoorzitter blijven. Het voorstel strandde onder meer op de weigering van Brinkman, aldus Trouw. Volgens het artikel zou Lubbers aan het begin van 1994 hebben voorge­steld dat het CDA met twee lijsttrekkers de kamerverkie­zingen in moest gaan, waarbij hij naast Brinkman aan de uit de KVP af­komstige Van Rooy dacht. Opnieuw zou Brinkman het voor­stel van de hand hebben gewezen.

Arscop

Op 8 april raakte Brinkman in opspraak toen justitie bij de be­heermaatschap­pij Arscop huiszoeking verrichtte in verband met belastingfraude. Van deze onderneming, die toebehoorde aan de oom van zijn echtgenote, was Brink­man sinds 1992 com­missa­ris. De fraude zou zich enkele jaren eerder heb­ben voor­gedaan bij een dochteronderneming. De vraag rees of Brinkman zich wel goed op de hoogte had gesteld toen hij het commis­sa­riaat aannam. Een reportage van de inval werd uitgezonden door het KRO-programma Repor­ter. Het CDA reageerde furieus op de uit­zen­ding. Brinkman beschul­digde de omroep van een hetze te­gen zijn persoon. Minister-presi­dent Lubbers sprak van 'laster en kwaadspreken'. KRO-voorzitter G.J.M. Braks - die ook voor­zitter was geweest van de verkiezings­pro­gramcommissie van het CDA - zei niet te twij­felen aan de loyaliteit van Brink­man. Tegelijk stelde hij zich achter zijn omroepmedewer­kers op, zij het met enige be­denkin­gen. De affaire kostte de KRO circa duizend leden.

Op een persconferentie enkele dagen na de uitzending deelde Brinkman mee dat hij bij het aannemen van het commissariaat bij Arscop zorgvuldig had gehandeld. Hij was niet van plan zijn commissa­riaat op te geven. Het dagelijks bestuur van het CDA had hem daartoe verzocht, maar legde zich bij Brink­mans beslissing neer. In een reactie noemde het de verklaring 'overduide­lijk en afdoende'. Later werd bekend dat Brinkman een dag na de kamerverkiezingen alsnog het omstreden commissa­riaat had neergelegd.

minister Hirsch Ballin

In de verkiezingscampagne legde het CDA de nadruk op de geva­ren van een mogelijke paarse coalitie. Op een campagnebijeen­komst in Breda op 21 april trok minister Hirsch Ballin tegen zo'n combinatie van leer, waarbij hij waarschuwde voor een her­nieuwde discussie over de legalisering van eutha­nasie. 'Er mag nooit een sfeer groei­en, waarin ouders met een mon­gooltje als kind zich als het ware moeten excuseren dat ze het kind niet hebben laten wegma­ken', aldus Hirsch Ballin (Trouw, 22 april 1994). VVD, PvdA en D66 reageerden als door een wesp gestoken. Kok en Van Mierlo eisten excuses van Hirsch Ballin. Minister Van Thijn noemde de opmer­kingen van zijn collega im­moreel en verweet hem een 'fun­damen­talistische' houding. Hoe­wel Lubbers Hirsch Ballin tegen de kritiek in bescherming nam, bood deze zijn ver­ontschuldi­gingen aan. De op­merkingen van Van Thijn wees hij van de hand. Lubbers kondigde wat later aan een 'sig­naalstem' uit te bren­gen op Hirsch Bal­lin, vanwege het feit dat deze open­lijk voor zijn overtui­ging zou uitkomen.

Evaluatiecommissie ('commissie-Gardeniers')

De Tweede-Kamerverkiezingen verliepen voor het CDA zeer te­leurstellend. Maar liefst twintig zetels gingen verloren. Nog nooit eerder leed een partij zo'n groot verlies. In een reac­tie zei Brinkman 'diep bedroefd' te zijn. Een dag na de ver­kiezingen wees de Tweede-Kamerfractie hem bij acclama­tie aan als haar voorzitter. In die hoeda­nigheid was Brinkman in de komende kabinetsformatie de eerste man van het CDA. Het par­tijbestuur sprak op 6 mei zijn vertrou­wen in hem uit. Vol­gens kran­teberichten zou het dagelijks be­stuur er evenwel tever­geefs bij Brinkman op hebben aange­dron­gen om terug te treden (zie Trouw, 17 december 1994 en de Volkskrant, 31 decem­ber 1994).

Het partijbestuur be­sloot tevens om een uitge­breid onder­zoek in te stellen naar de 'oorzaken en achtergronden' van de nederlagen bij de raads- en kamerverkie­zingen. Oud-minis­ter M.H.M.F. Garde­niers-Berend­sen werd voor­zit­ter van deze 'Evalu­a­tiecom­mis­sie' (in de wan­delgangen daarom 'commissie-Garde­niers' genoemd). Verder had­den onder anderen zitting de oud-kamerle­den G.M.P. Cornelis­sen en P. van der Sanden; de oud-voorzit­ter van het CNV H. Hofstede en de oud-CDJA-voor­zit­ter A. Koppejan.

Op de partijraad van 11 juni ging Brinkman in op zijn eigen aan­deel in de verkiezingsnederlaag. Hij achtte zich mede-ver­antwoordelijk, waarbij hij onder meer de tweeslachtige houding ten aanzien van het kabinet noemde en het gezagsvacuüm binnen het CDA als gevolg van het feit dat er twee kapiteins op het schip waren. Een door het CDJA ingediende resolutie om de par­tijregels ten aanzien van voorkeursstemmen te versoepe­len, kreeg veel weerklank. Stemming hierover werd echter uit­gesteld tot na de publikatie van het rapport-Garde­niers. Onmiddellijk na de verkiezingsnederlaag in mei had het CDJA overigens al forse kritiek geuit op de partijtop.

Op 18 juni kwam een deel van een notitie in de openbaarheid waarin 22 voormalige CDA-kamerleden op uitnodi­ging van de Eva­luatiecommissie hun visie op de electorale neder­laag uit de doeken deden. In het stuk, getiteld 'Herstel van ver­trouwen', stelden zij dat het CDA wat be­treft de sociale zekerheid een 'onbe­trouwba­re' en 'onbe­reken­bare' partij was geworden. De aanhou­dende pleidooien van Brink­man voor ingrepen in onder andere de WAO waren hieraan mede debet geweest. Daarnaast zou Brinkman als voorzitter van de Tweede-Kamerfrac­tie te zeer op enkele vertrouwe­lingen hebben gesteund. Ook de 'machtspoli­tiek' van de partij­top moest het ontgel­den. Naast de gewezen kamerleden konden ook kamerkringvoor­zit­ters, lijsttrek­kers bij de raadsver­kiezin­gen, be­windslieden en andere promi­nen­te CDA-leden hun zegje doen. Ook hield de commis­sie enkele hoorzit­tingen.

Op 2 juli presenteerde de Evaluatiecommis­sie haar rapport aan het partijbe­stuur. Men constateerde onder andere dat het CDA zich teveel had opgesteld 'als een wat zelfgenoegzame bestuur­derspartij'. De ideologische uit­straling van het CDA had hier­door schade opgelopen. Aanbevolen werd bij het uitdragen van de politieke koers de CDA-beginse­len helder te laten door­klinken. Intern moesten de leden weer meer bij de partij wor­den betrokken. De communicatie zou verbeterd kunnen worden door de introductie van een leden­raadple­ging. Na­drukke­lijk stelde het rapport dat het 'geen oordelen over personen' wilde vellen. Toch was de kritiek op Brinkman duide­lijk. De fractie­voorzitter werd 'gebrek aan regie' aangewre­ven, wat volgens het rapport niet bijdroeg 'aan een consisten­te inhoudelijke en politieke profile­ring'. Brink­man zag echter geen aanleiding om op te stappen. Het partijbe­stuur sprak tijdens de bijeenkomst opnieuw zijn vertrouwen in Brink­man uit.

Op 4 juli vergaderde de Tweede-Kamerfractie van het CDA over het rapport van de Evaluatiecommissie. De fractieleden waren het niet eens met de kritiek, dat het sociale gezicht van het CDA te weinig uit de verf was gekomen. Wel werden de aanbe­ve­lingen overgenomen over het eigen functioneren. De fractie constateerde dat het rapport de positie van Brink­man niet aantastte en bleef achter haar voorzitter staan.

Het rapport van de Evaluatiecommissie werd tevens besproken op de partijraad van 19 november. De vergadering stemde unaniem in met de in een resolutie vastgelegde conclusies en aanbeve­lingen van de commissie en bestempelde het rapport als de grondslag voor de vernieuwing van de partij. Verder moest het verkiezingsprogram volgens de partijraad worden getoetst aan de 'nieuwe politieke en economische verhoudingen' (NRC-Han­delsblad, 21 november 1994). Ook werd een inhoudelijk debat over de 'grote maat­schappelijke vraagstukken' als de sociale zekerheid en de inburgering van allochtonen aange­kondigd. Deze 'politieke positiebepaling' zou worden voorbereid door een 'Strate­gische Beraads­groep' onder leiding van het Weten­schap­pelijk Instituut voor het CDA. Voor­stellen van de Beraads­groep zouden op de voorjaarspartijraad in 1995 worden bespro­ken.

vertrek Brinkman

Kort nadat het partijbestuur het rapport van de Evaluatiecom­mis­sie had besproken, kwam Brinkman opnieuw onder vuur te liggen. Tijdens de kabi­netsformatie, in juli, werd Brinkman op de vingers getikt door het partijbe­stuur omdat hij teveel zou aan­sturen op een coali­tie van het CDA met D66 en de VVD. Een forma­tie-onderzoek naar een kabinet met de PvdA achtte Brink­man 'overbodig'. Voor het partijbestuur was dit moeilijk te rijmen met één van de con­clusies van het rapport van de Evalu­atiecommissie, waarin ge­pleit werd voor een duidelij­ker soci­aal pro­fiel van het CDA. Interim-partijvoorzitter Lod­ders-Elfferich zei dat er geen sprake van was dat het CDA een combinatie met de PvdA blokkeerde.

Tijdens de formatie nam de kritiek op Brinkman binnen het CDA toe. Lodders-Elfferich brak in juli een lans voor een 'col­lec­tief, col­legiaal leider­schap' (de Volks­krant, 19 juli 1994). Oud-kamer­lid A.J. Hermes meende dat W.J. Deetman Brinkman tijdens de kabi­netsfor­matie moest bij­staan. Voorzit­ter T. Jongma van het CDA-Vrou­wenberaad riep Brinkman op terug te treden. Zij werd later bijgevallen door A.M. Oost­lander, na­mens het CDA lid van het Europees Parle­ment.

Op 16 augustus legde Brinkman zijn functie neer. Een dag eer­der had het dagelijks bestuur er bij hem op aangedron­gen om zich te beraden over zijn positie. Brinkman gaf bij zijn te­rug­treden te kennen dat hij het CDA-bestuur van te voren had ingelicht over zijn besluit dat hij zelfstandig had genomen; Lodders-Elfferich ontkende dat. In een brief aan de fractie schreef Brinkman dat hij te­rugtrad om de partij in de gelegen­heid te stellen 'een nieuwe start te kunnen maken' (CDActueel, 27 augustus 1994).

In de Tweede-Kamerfrac­tie heerste on­vrede over het feit dat de par­tijtop zou hebben aange­drongen op Brinkmans heengaan als poli­tiek lei­der, maar men schikte zich in zijn vertrek. Als opvol­gers van Brinkman als fractie­voorzitter werden ge­noemd Van Rooy, J.G. de Hoop Scheffer en Heerma. Deet­man, in­mid­dels herkozen als voorzitter van de Tweede Kamer, zei geen be­lang­stelling te hebben. Op 18 augustus werd Heerma als op­vol­ger van Brinkman aangewezen. In 1971 was Heerma voor de ARP in de Amsterdamse gemeen­te­raad gekomen. Van 1978 tot 1986 was hij wethou­der, waarna hij in het tweede kabinet-Lubbers staats­­secretaris werd - eerst van Econo­mi­sche Zaken, daarna van Volks­­huis­ves­ting. Na zijn verkie­zing tot fractie­voorzitter zei Heerma dat hij hiermee niet de politiek leider van het CDA was. In plaats van één leider zou er een meerhoof­dig leider­schap moeten komen, waarin ook de fractie­voorzit­ters uit de Eerste Kamer en het Europees Parlement zouden participeren.

Wester

Vlak voor de Tweede-Kamerverkiezingen werd bekend dat de pr-adviseur van Brink­man, F. Wester, na de stembusdag zou ver­trekken naar de com­merciële omroep RTL. Half mei trad hij in dienst als chef van de Haagse redactie. Met de dalende trend voor het CDA in de opinie­peilingen had Wester steeds meer kri­tiek te verduren gekregen. Hij werd binnen het CDA verant­woor­delijk geacht voor de sterk persoonsgebon­den campag­ne van Brinkman. Zo was hij de bedenker van de 'Brink­man-shuf­fle', waarin de CDA-leider zich met draadloze micro­foon over het toneel be­woog. Lubbers zou eind 1993 aan Brinkman hebben gevraagd om Wester te ontslaan (Trouw, 17 december 1994). Wes­ter ontkende dat zijn vertrek te maken had met de neergang van het CDA. In november legde hij om 'persoonlijke rede­nen' zijn functie bij RTL neer.

Lubbers

Op 3 mei, onmiddellijk nadat de stembussen voor de kamerver­kie­zingen waren gesloten, maakte Lubbers bekend zich kandidaat te stellen voor de func­tie van voorzitter van de Europese Commis­sie. Voor die tijd had Lubbers altijd een duidelijke uitspraak ont­weken. Lubbers kreeg concurren­tie van de Belgi­sche premier J.L. Dehae­ne, eveneens van christen-democra­tische komaf. Op 30 mei, tijdens een bijeenkomst in Mulhouse van de Franse presi­dent F. Mitterand en de Duitse bondskanselier H. Kohl, bleek dat de Belgische kandidaat de steun kreeg van Parijs en Bonn. In de race om het voor­zitterschap ver­slechter­de de ver­stand­houding tussen Lubbers en Dehaene. De Belgische oud-pre­mier en voor­zitter van de Europese Volks­partij (EVP) W. Mar­tens trachtte te bemid­delen, omdat de EVP één kandi­daat naar voren wilde schui­ven. Zijn poging mislukte echter. Op de bij­eenkomst van de Europese regeringsleiders en het Franse staatshoofd op het Griekse eiland Korfoe op 24 en 25 juni vielen zowel Lub­bers als Dehae­ne uit de boot. Enkele weken later werd vervol­gens J. Santer, premier van Luxemburg, tot voor­zitter van de Euro­pese Commissie benoemd.

In oktober viel Lubbers' naam in verband met de vrijkomende functie van secretaris-generaal van de Organisatie voor Econo­mische Samen­werking en Ontwikkeling (OESO). De zittende secre­taris-gene­raal, de Fransman J.C. Paye, werd echter herbenoemd.

Met de installatie van het kabinet-Kok nam Lubbers als premier afscheid. Hij had vanaf 1982 lei­ding gegeven aan drie kabinet­ten. Hij was daarmee de langst-zitten­de minis­ter-president uit de Nederlandse parlementaire geschie­denis. Van 1973 tot 1977 was Lubbers minis­ter van Econo­mische Zaken in het kabi­net-Den Uyl. Hij werd in 1978 voorzitter van de Tweede-Kamer­fractie van het CDA. Vier jaar later volgde hij A.A.M. van Agt als premier op.

In november onthulde E. van Thijn in zijn boek Retour Den Haag: dagboek van een minister dat Lubbers eind maart - onge­veer een maand voor de kamerver­kiezin­gen - op het punt had gestaan om zijn ontslag als minis­ter-president in te dienen. Naar verluidt zou vice-minister-president Kok hem hiervan hebben weerhouden.

Europese verkiezingen

Bij de Europese verkiezingen in juni wist het CDA zijn tien zetels te behouden. 'Het CDA klimt kennelijk uit het dal', al­dus lijsttrekker Maij-Weggen (CDA-krant, 18 juni 1994). Dat het zeteltal gelijk bleef, lag echter vooral aan de uit­brei­ding van het aantal zetels dat Nederland kreeg toebe­deeld. Ten opzichte van 1989 ging het CDA er namelijk 3,8% op achter­uit. De delegatieleider van het CDA in het Europees Parlement J. Pen­ders keerde niet terug. In de nieuwe fractie had ook ex-par­tijvoorzitter Van Velzen zitting. De CDA-delega­tie in de fractie van de EVP kantte zich met succes tegen het voorstel om Forza Italia van de Italiaan­se premier S. Berlusco­ni deel van de fractie te laten uitmaken. De Britse Conserva­tieven daarentegen werden opnieuw toegela­ten, nadat zij het EVP-manifest hadden ondertekend.

partijfinanciën

De partijraad van 28 januari stemde in met strengere richtlij­nen voor het accepteren van giften van het bedrijfsle­ven. Ma­ximaal 2500 gulden per gift per jaar mocht worden aangenomen door lokale afde­lingen. Voor kamerkies­krin­gen lag de grens bij vijfduizend gulden. Voor hogere bedragen was de toestemming vereist van de landelijke penningmeester. Voor de landelijke partijorga­ni­satie was geen limiet gesteld. 'De nieuwe richt­lijnen moeten leiden tot een volwassen even­wicht in de finan­ciering van de partij', zo stelde partijvoor­zitter Van Velzen (de Volkskrant, 13 januari 1994). De bedoe­ling was te voorko­men dat de partij in opspraak zou kunnen raken, zoals in 1993 gebeurde met het CDA-Lim­burg (zie Jaarboek 1993 DNPP, blz. 30). Het gewestelijk bestuur van Limburg werd echter begin 1994 van alle blaam gezui­verd door de commissie onder lei­ding van senator C.P. van Dijk. In het eindrapport dat in januari verscheen, stelde de commissie dat er 'geen enkel spoor van malversaties' gevonden was.

Appèl en Weerklank II

In oktober presenteerde de partijcommissie Appèl en weerklank II haar rapport Herkenbaar en slagvaardig over de interne partijdemocratie. In 1983 was het rapport Appèl en Weerklank verschenen, dat mede tot doel had de orga­nisatorische eenheid van het CDA te versterken. De huidige commis­sie, die in de zomer van 1993 door het par­tijbe­stuur was inge­steld, had de ontwikkeling van de partijorgani­satie van de afgelopen tien jaar tegen het licht gehouden. Onder leiding van L.J. Klaas­sen, lid van het dage­lijks bestuur en voorzitter van de kamer­kring Groningen, deed de commissie aanbe­velin­gen 'om de par­tij­cultuur te vitaliseren en het volks­par­tijka­rakter van onze partij te versterken'. Daartoe moest onder andere het partij­bestuur worden gehalveerd en een ledenraad­pleging worden inge­voerd bij de verkiezing van de partijvoor­zitter en de samen­stelling van de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement. Zo zou de slagvaardig­heid vergroot, de centra­lisa­tie verminderd en de achterban meer bij de besluit­vor­ming betrokken worden, aldus de commissie.

Het partijbestuur concludeerde op 14 oktober dat in het rap­port de 'wezenlij­ke discussiepunten' werden aangegeven. In de partij werd evenwel gemengd gereageerd op de voorstellen. Het Vrouwen­beraad was tegen het plan om de eigen organisatie voor het jaar 2000 om te vormen tot 'een vrouwennetwerk van en voor het CDA'. Ook de Bestuurdersvereniging was niet ingenomen met de voorgestelde wijziging van haar status. Beide organisa­ties maakten in december hun bezwaren kenbaar aan het partij­be­stuur. Het CDJA vreesde dat door het aannemen van de plannen zijn invloed binnen de moeder­partij zou verminderen.

Op de partijraad van 19 november werd een hoorzitting over het rapport gehouden. De partijraad van 10 juni 1995 zou het laat­ste woord hebben.

Statenverkiezingen

De voorbereidingen voor de Statenverkiezingen van 8 maart 1995 waren al vroeg begonnen. Op 4 maart 1994 stelde het partijbe­stuur de leidraad voor de provin­ciale verkiezingsprogramma's 1995-1999 vast. Het stuk, geti­teld De nieuwe provin­cie: slag­vaar­dig, inspi­re­rend, schoon en dienstbaar, was opgesteld door een commissie onder leiding van J.B.V.N. Pleu­meekers. In sep­tember begon de provincia­le CDA-organi­satie in Noord-Bra­bant al met haar cam­pagne. De bedoe­ling was om de voorma­lige CDA-kiezers te berei­ken die bij de raads- en kamerverkie­zingen waren weggelo­pen. In een aantal plaatsen werden grote manifes­taties gehou­den, waar landelijke coryfeeën de Brabantse lijst­trekker bijston­den. Op 12 november organi­seerde het CDA in sa­menwer­king met de CDA-delegatie in het Europees Parlement een bij­eenkomst over het thema 'Europa en de provincies'.

Eerste-Kamerverkiezingen

In verband met de Eerste-Kamerverkiezingen van 29 mei 1995 stelde het partijbestuur op 23 september een adviescomissie in onder voorzitterschap van V.N.M. Korte-van Hemel, oud-staats­secretaris van Justitie. Tot 1 november konden de pro­vinciale afdelingen en de CDA-statenle­den personen voordragen. Partij­leden konden ook zelf solliciteren. Op 12 december stel­de het dagelijks bestuur een eerste ad­vieslijst op. Op 13 fe­bruari 1995 zou het partij­bestuur de definitieve kandidaten­lijst vaststellen. 

Bundeling voor Christelijke Politiek (BCP)

Op 16 april hield de Bundeling voor Christelijke Politiek (BCP) haar eerste congres in Utrecht. In de BCP werken de Be­weging Christelijke Koers CDA en de Stichting Rooms-Katho­lieke Partij Nederland (RKPN) samen. Op de bijeenkomst die circa tweehonderd belangstellenden trok, voerde onder meer bisschop H.J.A. Bomers van Haarlem het woord. Hij had in 1993 het CDA verlaten uit protest tegen de in zijn ogen te weinig principi­ële stellingname van de partij ten aanzien van abortus en euthanasie (zie Jaar­boek 1993 DNPP, blz. 25). Bij de Europese ver­kie­zingen voerde de BCP een voor­keursactie voor G.L.O. Baron van Boetze­laer, die op de 21ste plaats van de kandida­ten­lijst stond. De initi­atiefnemers prezen Van Boetze­laer aan als 'een positief-chris­telijke kandidaat, die zich beroept op bijbelse normen en waarden' (Reformatorisch Dag­blad, 25 mei 1994).

verwante instellingen en publikaties

Op 18 februari organiseerde het CDA samen met de EVP een con­ferentie over het subsidiariteitsbeginsel. Als sprekers fun­geerden onder anderen de CDA-Europarlementariërs J. Sonne­veld en K. Peijs.

Een dag later belegden de CDA-Vrouwen een symposium met als thema 'de nieuwe werknemer met zorgtaken', over de verdeling van werk en zorg tussen mannen en vrouwen. Op 24 september hield het CDA-Vrouwenbe­raad zijn landelijke ledendag. Op deze bijeenkomst werd de discussie geopend over 'duur­za­me ont­wikke­ling', het thema van het sei­zoen 1994-1995. Het ver­slag van de bijeen­komst ver­scheen onder de titel Droom van een wereld.

Op 23 april hield het CDJA zijn algemene ledenvergadering. Voorzitter J. de Vries werd herkozen. Hij bekleedde deze func­tie sinds 1992.

De CDA-Bestuurdersvereniging publiceerde in januari 'Een steekpenning bederft het hart'. Deze notitie over de integri­teit van het openbaar bestuur was vastgesteld op de ledenraad van 13 november 1993 (zie Jaarboek 1993 DNPP, blz. 30). De vereniging hield op 1 oktober een conferen­tie over de 'veran­derende gemeenten'. Sprekers waren onder anderen de burgemees­ter van Hoogeveen, S. Faber, en Europarle­mentariër Oost­lander. De ledenraad van de CDA-Bestuur­dersvereni­ging kwam op 5 novem­ber bijeen.

De Eduardo Frei Stichting - de Stichting voor Internationale Solidariteit van het CDA - belegde op 8 oktober samen met de Nationale Commissie Ontwikkelingssamenwerking een bijeenkomst over de functie van maatschap­pelijke organisaties in landen met zwakke democrati­sche structuren. Op 10-12 november werd bijgedragen aan het 'Seminar on Civil Society in Central and Eastern Europe' in Boekarest. De Nederlandse bijdragen ver­schenen in Essays on civil society, subsidiarity and federa­lism. A chris­tian-demo­cratic approach.

Op 5 april publiceerde het Wetenschappelijk Instituut het beleids­advies Schakels tussen landbouw, milieu en natuur. In het advies werd een 'reeks van vernieuwende initiatieven' voorgesteld voor de agrari­sche sector. Op 5 november organi­seerde het Wetenschappelijk Instituut in samenwerking met het Chris­telijk Studiecentrum een congres over het chris­telijk perspec­tief op ouder worden. Het Instituut hield op 30 novem­ber een sympo­sium over 'zingeving en verantwoordelijk­heid'. Tot de sprekers behoorde Hirsch Ballin. Op 10 december belegde het Wetenschappelijk Instituut een studie­conferentie met als thema 'schepping en rentmeester­schap'.

In september verscheen het CDA-Jaarboek 1994-1995. Rode draad vormde de 'generatiewisseling' die het CDA doormaakte en waarvan het vertrek van Lubbers een duidelijk voorbeeld was.

personalia

Oud-minister P.J. Engels overleed op 13 april. Engels was van 1971 tot 1973 minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappe­lijk Werk in het kabinet-Biesheuvel. Van 1963 tot 1971 maakte hij deel uit van de Tweede-Kamerfractie van de KVP.

Op 3 mei overleed H. Tegelaar-Boonacker. Zij was in 1986 lid van de Tweede-Kamerfractie van het CDA geworden. Daarvoor was zij onder meer vice-voorzitter van het CDA.

Op 1 juni overleed W.C.L. van der Grinten. Hij behoorde in 1945 tot de oprichters van de KVP. Van 1949 tot 1951 was hij staatssecreta­ris van Economische Zaken in het kabinet-Drees-Van Schaik. In 1977 formeerde hij het kabinet-Van Agt-Wiegel.

Op 8 oktober overleed J. de Koning. Hij was minister van Ontwikkelingssa­menwerking geweest in het eerste kabinet-Van Agt (1977-1981), minister van Landbouw en Visserij in het tweede kabi­net-Van Agt (1981-1982) en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de eerste twee kabinet­ten-Lubbers (1982-1989). Voor de ARP had hij van 1969 tot 1971 zitting in de Eerste Kamer en vanaf 1971 tot 1977 in de Tweede Kamer. Hij was bovendien par­tijvoorzitter van de ARP in de jaren 1973-1975.

Laatst gewijzigd: 1 17-07-2012 11:51:21