CDA partijgeschiedenis

Door Hans-Martien ten Napel


geschiedenis

De formele oprichtingsdag van het Christen Democratisch Appèl (CDA) is 11 oktober 1980. De partij ontstond niet uit het niets. Voor de genoemde datum bestonden er reeds drie grotere confessionele partijen in Nederland, te weten de protestants-christelijke Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Christelijk-Historische Unie (CHU), en de Katholieke Volkspartij (KVP). Wie zich verdiept in de achtergronden van de totstandkoming van het CDA, kan niet heen om de fundamentele kerkelijke, theologische, maatschappelijke en politieke veranderingen die zich in Nederland na de Tweede Wereldoorlog hebben voltrokken en die in de jaren zestig van de vorige eeuw in een stroomversnelling raakten. Als gevolg hiervan boetten de drie moeder­partijen van het CDA aan politieke invloed in. Zo verloren ARP, CHU en KVP bij de Tweede Kamerverkiezingen in februari 1967 hun gezamenlijke meerderheid in het parlement, die zij (en hun voorlopers) sinds 1918 vrijwel onafgebroken hadden bezeten.

Het christendemocratische fusieproces verliep moeizaam en de uitkomst stond allerminst op voorhand vast. Er waren dan ook meer integrerende factoren voor nodig dan verlies aan politieke invloed alleen om tot het uiteindelijke resultaat te komen. Daarvan was de bij belangrijke delen van de protestants-christelijke en rooms-katholieke volksgroepen levende wens om een expliciete relatie te blijven leggen tussen het christelijk geloof en hun politieke handelen niet de geringste. Zonder een dergelijke behoefte valt de basis weg onder partijvorming op christelijke grondslag. Verder wogen de positieve ervaringen met de samenwerking tussen ARP, CHU en KVP in Europees verband mee. Zoals zo vaak in de politiek, drukten personen eveneens hun stempel op het verloop van het fusieproces. Voor iemand als de KVP-er Piet Steenkamp bijvoorbeeld is de vorming van het CDA weinig minder dan zijn levenswerk geweest. Op een moment in de jaren zeventig dat het proces aan de top dreigde te stagneren, speelde de ondubbelzinnige steun die door de aanhang van de drie partijen in het land werd gegeven aan het christendemocratische eenheidsstreven, een rol van betekenis. Ten slotte bevorderde de betrekkelijk vijandige omgeving waarin het CDA-fusieproces zich heeft afgespeeld, in het bijzonder als gevolg van het polarisatiestreven van de PvdA en andere ‘linkse’ partijen, het samengaan van ARP, CHU en KVP.

Het CDA mag dan niet uit het niets zijn ontstaan, dat betekent nog niet dat de partij volledig overeenkomt met haar drie voorlopers. Veeleer valt achteraf bezien vast te stellen dat de confessionele partijen in de aanloopperiode tot de fusie een karakterverandering hebben ondergaan in christendemocratische richting. Een christendemocratische partij kan worden omschreven als een partij die op rechtstreekse wijze – dat wil zeggen zonder bemiddeling door kerken of kerkelijke instanties – politiek wenst te bedrijven vanuit een meer of minder expliciet gemaakte algemeen-christelijke inspiratie en die zich daarbij in beginsel richt tot de gehele bevolking, zonder onderscheid naar sociale klasse of godsdienstige overtuiging. Dat het CDA aan deze omschrijving voldoet, is in niet geringe mate te danken aan het door een commissie onder voorzitterschap van de voormalige CHU-voorzitter Otto baron van Verschuer uitgebrachte Rapport grondslag en politiek handelen uit 1978. Volgens dit rapport, dat als een van de basisdocumenten van de fusie kan worden beschouwd, fungeert het evangelie weliswaar als richtsnoer voor het politieke handelen van het CDA, maar is het samenbindende element in de partij niet het evangelie zelf of het kerkelijk leergezag, maar de als antwoord op de oproep van het evangelie geformuleerde ‘politieke overtuiging’. Tot de partij, zo is de gedachte, treedt men niet langer toe – zoals bij een confessionele partij – op grond van het feit dat men tot een bepaalde zuil en/of kerkelijke gezindte behoort. Men treedt tot het CDA toe op eigen gezag, omdat men zich kan vinden in de in beginsel- en verkiezingsprogramma van de door de partij neergelegde ‘politieke overtuiging’, waarbij men aanvaardt dat het hart hiervan wordt gevormd door de inspiratie van en de toetsing aan het evangelie. Zeker uit het laatste deel van deze omschrijving blijkt echter tevens dat de verschillen tussen confessionele en christendemocratische partijen – en derhalve ook tussen ARP, CHU en KVP enerzijds en CDA anderzijds – niet te zwaar moeten worden aangezet. Naast veranderingen is er zeker ook continuïteit, met name op het punt van de wens een expliciete relatie te leggen tussen het christelijk geloof en het politieke handelen. Ook de inhoud van het antwoord op de door betrokkenen als zodanig ervaren oproep van het evangelie voor het politieke handelen vertoont parallellen, zoals hierna nog ter sprake zal komen.

De totstandkoming van het CDA in 1980 bracht bepaald niet onmiddellijk het nieuwe elan waarop door zijn voorvechters was gehoopt. Het jaar 1983 markeert in dit opzicht in zekere zin de omslag. Toen kwam het tot een kristallisatie van de reeds veel langer lopende, ingewikkelde discussie over welke elementen van het antirevolutionaire, christelijk-historische en katholieke erfgoed nog bruikbaar waren en welke concepties als achterhaald konden worden aangemerkt. De notie van de ‘verantwoordelijke samenleving’ waarin dit resulteerde, bleek binnen het CDA voldoende herkenning op te roepen om aan te slaan. Bovendien kon het door het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986) gevoerde economische beleid geleidelijk op waardering rekenen, wat tot uitdrukking kwam in een stijgende populariteit van premier Ruud Lubbers. Door dit alles wist de partij bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1986 een winst van negen zetels te boeken, daarmee uitkomend op het tegenwoordig nog indrukwekkender overkomende aantal van 54 zetels. In 1989 slaagde het CDA erin deze winst te consolideren.

Kon het CDA zijn tienjarig jubileum in 1990 al met al nog in opgetogen sfeer vieren, in de eerste helft van de jaren negentig bleek in toenemende mate spanning te ontstaan tussen twee kenmerken van het CDA, dat van christelijke beginselpartij en dat van bestuurderspartij. In combinatie met de perikelen tussen Lubbers en zijn opvolger Elco Brinkman, droeg dit bij aan het historische verlies van het CDA van twintig zetels bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994. De met het karakter van bestuurderspartij samenhangende gouvernementele instelling van het CDA vormt tevens een voorname verklaring voor het feit dat de partij tussen 1994 en 2002 de nodige moeite heeft gehad met de invulling van haar oppositierol tegenover de ‘paarse’ coalitie van PvdA, VVD en D66. Tijdens deze periode moesten in korte tijd maar liefst drie partijleiders het veld ruimen: Brinkman, die reeds kort na de verkiezingen van 1994 terugtrad, Enneüs Heerma en Jaap de Hoop Scheffer.

Achter de schermen werd tijdens deze periode echter wel degelijk de basis gelegd voor een verdere inhoudelijke vernieuwing, waarvan de partij na het op zichzelf onverwachte aantreden van Jan Peter Balkenende in 2001 de vruchten kon plukken. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2002 steeg het CDA van 29 naar 43 zetels. Het ging een coalitie aan met de VVD en de door Pim Fortuyn opgerichte LPF, die echter nog datzelfde jaar strandde. Bij de Kamerverkiezingen in 2003 boekte het CDA een zetel winst en vormde het met VVD en D66 het tweede kabinet-Balkenende. Na de val van dit kabinet, en een kortstondig derde kabinet-Balkenende, verloor het CDA bij de Tweede Kamerverkiezingen van november 2006 weliswaar drie zetels, maar bleef mede door een gevoelig verlies voor de PvdA veruit de grootste partij. Samen met PvdA en ChristenUnie vormde het het vierde kabinet-Balkenende

In februari 2010 kwam aan deze coalitie een voortijdig einde. Bij de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen in juni leed het CDA een zwaar verlies van twintig zetels, waarmee de partij op 21 zetels uitkwam – een electoraal dieptepunt.  Het CDA belandde in een crisis, niet alleen omdat partijleider Balkenende opstapte zonder dat er een opvolger werd aangewezen, maar ook omdat de partijtop besloot om een minderheidsregering met de VVD te vormen die werd gedoogd door de Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders. De samenwerking met de  anti-islamitische PVV was in het CDA zeer omstreden, zo bleek onder meer op het partijcongres in oktober 2010 dat zich uiteindelijk voor deelname aan het door de liberaal Mark Rutte geleide kabinet uitsprak. In april 2012 kwam dit kabinet ten val. In het CDA konden de leden vervolgens voor het eerst de lijsttrekker (en daarmee de partijleider) verkiezen, met als uitkomst dat de fractievoorzittter in de Tweede Kamer Sybrand van Haersma Buma.

Voorzover het verlies aan politieke invloed van de oude confessionele partijen een van de drijfveren voor de tostandkoming van het CDA was geweest, kan de fusie al met al ongetwijfeld als een succes worden aangemerkt. Hoewel de partij gedurende de periode 1994-2002 buiten de regering is gebleven, heeft zij zowel ervoor als erna (tot 2010) de minister-president kunnen leveren. Dit mede dankzij de niet te verwaarlozen omvang die het CDA zich in de volksvertegenwoordiging wist te verwerven. Over de sterke positie van de partij op gemeentelijk, provinciaal en Europees niveau is dan nog niet eens gesproken.

ideologisch-programmatische ontwikkeling

De ARP, CHU en KVP hadden tijdens de laatste decennia van hun bestaan in toenemende moeite gehad om op basis van hun christelijke mensbeeld een aan de kerkelijke, theologische, maatschappelijke en politieke veranderingen van dat moment aangepaste, samenhangende maatschappij- en staatsvisie te formuleren. Tijdens en na de fusie slaagden zij hierin door een gezamenlijke krachtsinspanning echter wel. De discussie mondde via belangrijke partijnota’s als Van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij (1983) en De verantwoordelijke samenleving (1987) en een reeks rapporten van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, uiteindelijk uit in het omvangrijke rapport Publieke gerechtigheid. Een christen-democratische visie op de rol van de overheid in de samenleving (1990) en een geactualiseerd Program van uitgangspunten (1993). In 1996 kwam daar nog het rapport Publieke gerechtigheid en de Europese Unie bij.

Centraal in de maatschappij- en staatsvisie van het CDA staan blijkens deze documenten vier zogeheten ‘kernbegrippen’: gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap (dat wil zeggen de notie dat de mens beheerder is van de door God geschapen wereld). In combinatie leiden deze kernbegrippen tot het ideaal van een ‘verantwoordelijke samenleving’, een begrip dat het CDA overigens heeft ontleend aan de Wereldraad van Kerken en dat in grote lijnen ook ten grondslag ligt aan de katholieke sociale leer. Daarmee is reeds aangegeven dat de verschillen tussen de protestantse en katholieke tradities bij de ontwikkeling van een christendemocratische maatschappij- en staatsvisie geen onoverkomelijk beletsel hebben gevormd, ofschoon zij wel als zodanig ervaren bleven worden. Te denken valt in dit verband aan de deels afwijkende strekking van het antirevolutionaire beginsel van de soevereiniteit in eigen kring en het rooms-katholieke subsidiariteitsbeginsel.

Na het historische verlies bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 adviseerde een evaluatiecommissie onder voorzitterschap van Til Gardeniers-Berendsen onder meer om bij het uitdragen van de politieke koers de CDA-beginselen helderder dan voorheen te laten doorklinken. Hiertoe werd een jaar later het zogeheten ‘Strategisch Beraad’ in het leven geroepen, dat vanuit christendemocratisch perspectief lange termijnvisies diende te ontwikkelen op brede maatschappelijke problemen. Voorzitter van het Strategisch Beraad werd de oud-KVP-fractievoorzitter en voormalig Europees Commissaris Frans Andriessen, secretaris Balkenende, toen nog medewerker van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Andere bekende deelnemers aan het Strategisch Beraad waren Piet Hein Donner, Ernst Hirsch Ballin en Herman Wijffels.

Op 8 november 1995 presenteerde Andriessen als voorzitter van het Strategisch Beraad het rapport Nieuwe wegen, vaste waarden, dat ‘een principiële verkenning tot in de volgende eeuw’ wilde zijn. Het rapport stelde een tiental strategische keuzen van de christendemocratie voor: voor de kwaliteit van samenleven; voor waardenoverdracht en waardencommunicatie; voor leefbare steden en een evenwichtige balans tussen stad en platteland; voor veiligheid; voor een dynamische economie waarin iedereen kan participeren; voor een sociale zekerheid die activeert en niet uitsluit; voor het duurzaam samengaan van het bewerken en bewaren van de aarde; voor een onbelaste toekomst; voor een hecht verenigd, effectief Europa; en voor een solide overheid. De nota en een aantal daarop gebaseerde rapporten van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA zouden ten grondslag komen te liggen aan de zogenoemde ‘hervormingsagenda’ die het CDA vooral onder de eerste drie kabinetten-Balkenende heeft gehanteerd.

Daarmee is niet gezegd dat de ideologische gedrevenheid die deze drie kabinetten-Balkenende kenmerkte, bij de gehele achterban ook in goede aarde viel. Door de tijd heen heeft het streven naar vermaatschappelijking op terreinen als volkshuivesting, gezondheidszorg en sociale verzekeringen bij delen van het CDA de behoefte opgeroepen om vast te leggen dat het een essentiële taak van de overheid is een schild te vormen voor de zwakken in de samenleving. Zo waarschuwde toenmalig Tweede Kamerfractievoorzitter Bert de Vries al in 1988 om de gedachte van de verantwoordelijke samenleving niet tot ideologie te verheffen. Zoals gezien vormde een solide overheid een van de tien in 1995 voorgestelde strategische keuzes voor het CDA. Dit neemt niet weg dat dezelfde De Vries tien jaar later in zijn boek Overmoed en onbehagen. Het hervormingskabinet-Balkenende II een ontwikkeling meende te bespeuren van zijn partij ‘in de richting van een neoconservatieve partij, die zich in sociaal-economisch opzicht sterk aangetrokken voelt tot neoliberale denkbeelden’.

Door de ontwikkeling van de samenleving en de conjuctuur en de belangstelling die het CDA traditioneel in zijn uitgangspunten ten toon spreidt voor de rol van de overheid in de samenleving, heeft de herijking van de verzorgingsstaat in de eerste circa dertig jaar van zijn bestaan onmiskenbaar in ideologisch opzicht een rode draad gevormd. Het CDA richtte zich echter nooit uitsluitend op sociaaleconomische thema’s. In haar meer dan dertigjarige geschiedenis is de partij ook tamelijk consequent opgekomen voor een publieke rol van religie in de samenleving. Deze benaderingswijze van religie heeft ertoe bijgedragen dat binnen het CDA geruime tijd is verondersteld dat een islamitische zuil de emancipatie en integratie zou kunnen bevorderen. Daarbij speelde ongetwijfeld ook de herinnering aan de verzuiling in protestants-christelijke en rooms-katholieke kring een rol. In 2002 merkte toenmalig fractievoorzitter Balkenende in zijn boek Anders en beter echter op dat gemeenschapszin gemeenschappelijke waarden veronderstelt. ‘In die zin is de multicturele samenleving dus niet iets om naar te streven’, voegde hij daaraan toe in een bekend geworden citaat. Tijdens het CDA-congres van 1 november 2003 sprak hij mede naar aanleiding van het rapport Investeren in integratie van het Wetenschappelijk Instituut van zijn partij zelfs over de islamitische zuil als ‘een gevangenis van achterstand’.

In hetzelfde jaar suggereerde het toenmalige Eerste Kamerlid Alfons Dölle in Christen Democratische Verkenningen dat het CDA voor zijn gedachtengoed de ondertitel ‘sociaal-conservatief’ zou gaan hanteren als seculiere term die de christendemocratische boodschap het meest benaderde. Dit voorstel sloot aan bij een reeds langer lopende discussie in wetenschappelijke kring of en zo ja in hoeverre het CDA een verdere karakterverandering zou ondergaan in de richting van een moderne liberale en/of conservatieve partij, die de christelijke traditie erkent als één van haar (vele) inspiratiebronnen (als het vervolg op de eerdere transformatie van de oude confessionele partijen tot de christendemocratie). Hoewel een dergelijke ontwikkeling stellig tot de mogelijkheden behoort, is daarvan vooralsnog minder te merken geweest dan aanvankelijk werd verondersteld. Zo kan de speciale voorliefde van de christendemocratie voor de staatsproblematiek naar een van de grondleggers van de reformatorische wijsbegeerte met ten minste evenveel recht als Dooyeweerdiaans worden aangemerkt. Bovendien lijkt het CDA zich, na een periode waarin het accent heeft gelegen op vermaatschappelijking, regelmatig zelf als het ware te corrigeren door weer meer nadruk te leggen op de rol van de overheid. Het vierde kabinet-Balkenende was hiervan een voorbeeld, waarbij de wisseling van coalitiepartners uiteraard eveneens van belang is geweest.   

Van potentieel belang voor de ideologische positionering van het CDA is nog de aansluiting van deze partij bij de Europese Volkspartij (EVP). Evenmin als de nationale omstandigheden, is de Europese ontwikkeling voor de christendemocratie de afgelopen decennia geheel probleemloos geweest. De kern van de problematiek waarmee de christendemocratie zich op dit niveau geconfronteerd heeft gezien, schuilt in de gestaag voortschrijdende verbreding van het mede door haar zelf geëntameerde proces van Europese integratie. Sinds het begin van de jaren zeventig gaat het bij de nieuwe lidstaten van de Europese Gemeenschap, later de Europese Unie, namelijk vrijwel zonder uitzondering om landen waar geen authentieke christendemocratische partij van enige omvang bestaat, maar doorgaans wel krachtige sociaaldemocratische bewegingen. Mede om deze reden zijn in de loop van de tijd verscheidene niet expliciet christendemocratische, conservatieve partijen als de Ierse Fine Gael, de Spaanse Partido Popular, de Griekse Nea Demokratia en de Italiaanse Forza Italia tot de gelederen van de EVP toegelaten. In de jaren negentig zijn onder druk van met name de Duitse Christlich-Demokratische Union (CDU) en haar leider Helmut Kohl bovendien de Britse en Deense Conservatieven een fractiegemeenschap gaan vormen met de EVP-fractie in het Europees Parlement.

Evenals in Nederland in de jaren zestig en zeventig, lijkt op Europees niveau derhalve het antwoord op dreigend verlies aan politieke invloed te worden gezocht en gevonden in een hergroepering van partijen. Een niet onbelangrijk verschil is echter dat het ditmaal om een hergroepering van christendemocratische en niet-christendemocratische partijen gaat. Als gevolg hiervan vormen de christendemocraten tot op zekere hoogte een minderheid binnen de centrum-rechtse EVP. Wel heeft het CDA bereikt dat, tegelijk met de verbreding, een zekere verdieping van de EVP heeft plaatsgevonden. Zo heeft het congres van de EVP in november 1992 in Athene een beginselprogramma vastgesteld. Papier is echter geduldig. Hier staat tegenover dat na de Europese verkiezingen van juni 2009 de Britse Conservatieven om inhoudelijke redenen, in het bijzonder de houding jegens het Europese integratieproces, de fractiegemeenschap met de EVP-fractie in het Europees Parlement hebben verbroken.

organisatorische ontwikkeling

Gedurende zijn ruim dertigjarige bestaan heeft het CDA vrijwel voortdurend tevens aandacht geschonken aan zijn interne organisatie. Te wijzen valt onder meer op de rapporten Appèl en weerklank (1983) en Herkenbaar en slagvaardig. Voorstellen ter versterking van de organisatie van het CDA (1994). Bijzondere vermelding verdienen evenwel de voorstellen van de commissie-Partijontwikkeling onder leiding van Koos Janssen uit 2001, die ertoe strekten de partij te moderniseren en laagdrempeliger te maken. Een belangrijk voorstel betrof de vergroting van de invloed van de leden bij het kiezen van personen in belangrijke partijfuncties met behulp van een meervoudige voordracht. Een ander voorstel was de invoering van besluitvorming op basis van het ‘one-person-one-vote’-systeem, waarbij partijraad en partijcongres bovendien samengevoegd zouden worden tot één algemene vergadering, te weten het partijcongres. In 2003 werden deze voorstellen opgenomen in de Statuten en huishoudelijk reglement, met onder meer als gevolg dat de partijvoorzitter rechtstreeks door de leden wordt verkozen. In het voorjaar van 2012 konden de leden voor het eerst direct de partijleider verkiezen, zoals hierboven al is vermeld.

Kijken we wat preciezer naar de statuten, dan valt op dat de partij volgens artikel 18 daarvan op gemeentelijk en provinciaal niveau verbanden en op landelijk niveau respectievelijk organen, bijzondere organen en bijzondere organisaties kent. De decentrale verbanden van de partij zijn de gemeentelijke afdeling, die volgens artikel 19 een of meer wijk- of dorpsafdelingen kan omvatten en de provinciale afdeling, die uit regio’s kan bestaan. Het stemrecht binnen de algemene vergadering van de gemeentelijke afdeling komt toe aan alle leden van de afdeling (artikel 25). Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de algemene vergadering van de provinciale afdeling, met dien verstande dat het stemrecht hierbinnen tevens toekomt aan de daartoe aangewezen afgevaardigden van de gemeentelijke afdelingen (artikel 27). Organen van de partij zijn op grond van artikel 28 het partijcongres, het partijbestuur en het dagelijks bestuur. Artikel 30 bepaalt dat het stemrecht binnen het partijcongres toekomt aan alle leden alsmede aan de afgevaardigden van de provinciale afdelingen, de jongerenorganisatie en het Vrouwenberaad. Bijzondere organen van de partij zijn onder meer het Scholingsinstituut (Steenkampinstituut), de Commissie Buitenland, de Eduardo Frei Stichting (Stichting van het CDA voor Internationale Solidariteit) en het Intercultureel Beraad (artikel 36). Bijzondere organisaties zijn het Wetenschappelijk Instituut, de Bestuurdersvereniging, de jongerenorganisatie (het Christen Democratisch Jongeren Appèl) en het Vrouwenberaad (genaamd CDAV) (artikel 59).

Na de statutenwijziging waarbij partijraad en congres werden samengevoegd tot één algemene vergadering, wijkt het CDA qua formele organisatiestructuur nog minder af van de andere grotere Nederlandse politieke partijen dan zij reeds deed. Als gevolg van de combinatie van een teruglopend ledental en interne partijdemocratie, voldoet het CDA aan de kenmerken van wat de politicoloog Ruud Koole een ‘moderne kaderpartij’ heeft genoemd. Per 1 januari 2012 bedroeg het het aantal leden ruim 61.000, tegen meer dan 162.000 op de fusiedatum van 11 oktober 1980 – een verschil van 100.000. De organisatiegraad van de partij (dat wil zeggen de verhouding tussen het aantal leden van het CDA en het aantal stemmen dat op die partij is uitgebracht) beweegt zich richting de 2,5%, tegen respectievelijk 18,2%, 9,3% en 16,0% voor de ARP, de CHU en de KVP in 1963.

In de periode direct volgend op de fusie in 1980 legde een speciaal fusieprotocol de verhoudingen tussen de ‘bloedgroepen’ in de organen en fracties van de nieuwe partij gedetailleerd vast. In 1984 werd dit fusieprotocol conform een aanbeveling uit het rapport Appèl en weerklank echter vervroegd buiten werking gesteld. Met het verstrijken van de jaren neemt het aantal mensen dat lid is geweest van een van de moederpartijen af en het aantal rechtsreekse leden toe. Daarmee is automatisch een einde gekomen aan de bloedgroepenstrijd tussen antirevolutionairen, christelijk-historischen en katholieken. Wel wordt nog toegezien op een evenredige verdeling van functies over rooms-katholieken en protestanten (sinds het ontstaan van de Protestantse Kerk in Nederland in 2004 is het maken van onderscheid tussen hervormden en gereformeerden minder zinvol). Zo ligt het bij een protestantse premier voor de hand dat dat de fractievoorzitter in de Tweede Kamer van katholieke komaf is en andersom. Begin 2007 deed zich in dit opzicht een relatief nieuw fenomeen voor, toen een groep islamitische CDA-leden zich bij de partijvoorzitter sterk maakte voor de benoeming van een islamitische minister of staatssecretaris uit de eigen partij.

electorale ontwikkeling

Een belangrijk jaar in de electorale ontwikkeling van het CDA was 1986, toen de partij – min of meer verzekerd van de steun van haar ‘natuurlijke achterban’ – in het offensief kon gaan en niet alleen randkerkelijke kiezers, maar ook een deel van het niet-kerkelijke electoraat wist aan te trekken. Dit verschijnsel werd indertijd wel aangeduid met de term ‘omgekeerde doorbraak’.

Sinds de Fortuyn-revolte van 2002 lijkt het politieke landschap aan verdere verandering onderhevig. Het einde van deze ontwikkeling is nog niet in zicht, als gevolg waarvan de precieze implicaties onzeker zijn. Zoveel is echter zeker dat de christendemocraten in 2002 volgens peilingen van het bureau Interview/NSS opnieuw winst wisten te boeken onder de buitenkerkelijke kiezers, die de partij in de jaren negentig massaal de rug hadden toegekeerd. Thans maakte deze categorie ruim een kwart van de kiezersaanhang uit.

Indien men de partijkeuze naar achtergrondkenmerken beziet, dan valt op dat volgens het Nationaal Kiezersonderzoek 2006 het CDA weliswaar percentueel de meeste 65-plussers aan zich wist te binden, maar ook de meeste kiezers in de leeftijdscategorie 18-24 jaar (24%). De partij trok een gelijk percentage van de mannelijke en de vrouwelijke kiezers (27%), terwijl zich ten aanzien van opleidingsniveau evenmin significante verschillen voordeden. Daarvan was wel sprake bij de stedelijkheidsgraad. Naarmate deze toenam, daalde het percentage stemmers op het CDA. Ook de herkomst van de kiezer bleek er toe te doen: van de niet-westerse allochtonen stemde slechts 15% op het CDA, tegen 46% op de PvdA.  Kijken we tenslotte naar religie, dan brachten veruit de meeste rooms-katholieken en leden van de Protestantse Kerk in Nederland hun stem uit op het CDA (respectievelijk 45 en 49%), al is onder de laatste categorie ook de ChristenUnie met 23% sterk vertegenwoordigd.

Concludeerden wij hierboven dat de CDA-fusie bezien vanuit het perspectief van een dreigend verlies aan politieke invloed van de oude confessionele partijen een succes kan worden genoemd, voor de electorale ontwikkeling van het CDA geldt dat in aanzienlijk mindere mate. Met 21 zetels die de partij momenteel telt, heeft zij minder dan de helft van de 49 zetels die zij ten tijde van de oprichting nog bezat. Tussendoor heeft het CDA bovendien ook al eens 34 en 29 zetels behaald in achtereenvolgens 1994 en 1998. De CDA-fusie lijkt al met al de electorale neergang van de confessionele partijen niet structureel te hebben kunnen stoppen.

typering

Een lastige kwestie is tot het eind bewaard: hoe is, alles overziende, het CDA te typeren? Velen zullen geneigd zijn hierbij allereerst te denken aan het karakter van het CDA als bestuurderspartij. Inderdaad is de partij op alle niveaus principieel bereid om regeringsverantwoordelijkheid te dragen. Zo heeft het CDA tussen 1977, toen de drie moederpartijen voor het eerst met een gemeenschappelijke lijst aan de Tweede Kamerverkiezingen deelnamen, en 1994 aan alle kabinetten deelgenomen. Sinds 2002 is dat opnieuw het geval. De gouvernementele instelling van het CDA vormt tevens een verklaring voor het feit dat de partij tussen 1994 en 2002 de nodige moeite heeft gehad met de invulling van haar oppositierol.

Toch is daarmee geen volledig beeld van het CDA geschetst. Zoals zowel uit de paragraaf over de geschiedenis als uit die over de ideologisch-programmatische ontwikkeling bleek, is de partij tevens te karakteriseren als christelijk geïnspireerde beginselpartij. Wanneer op enig moment de balans te zeer doorslaat in de richting van de ene of andere kant, klinkt vroeger of later de roep om herstel van het evenwicht. Kenmerkend is de constatering van de commissie-Gardeniers, die de grote nederlaag van 1994 heeft geëvalueerd, dat het CDA ‘zich als een wat zelfgenoegzame bestuurderspartij heeft opgesteld die “het aan de macht zijn” te gewoon is gaan vinden’, als gevolg waarvan ‘de identiteit van het CDA te weinig uit de verf is gekomen’. De commissie die onder leiding van Léon Frissen de electorale nederlaag van 2010 onderzocht, kwam tot een vergelijkbare slotsom.

Het CDA kan dan ook niet alleen worden getypeerd als een partij die zich in de ruim dertig jaar van zijn bestaan heeft beziggehouden met zowel sociaaleconomische thema’s als de herijking van de verzorgingsstaat, als met meer immateriële issues als de publieke rol van religie. Het is tevens een partij die zich bij beide soorten politieke vraagstukken voortdurend heeft bevonden in het spanningsveld tussen macht en inhoud. Soms wordt dit spanningsveld zelfs binnen een en dezelfde persoon teruggevonden. Zo heeft Balkenende zich geruime tijd kunnen concentreren op de inhoud van het CDA-gedachtegoed, onder meer als secretaris van het Strategisch Beraad in de jaren negentig van de vorige eeuw. Gedurende zijn achtjarig premierschap lijkt het zwaartepunt te zijn verschoven naar de bestuurder, al blijft bijvoorbeeld in vergelijking met bepaalde buitenlandse politici zijn ideologische profiel in het oog springen.

Laatst gewijzigd: 1 04-06-2018 16:23:50