Campagne Tweede Kamerverkiezingen 1981

Uit: D.J. Elzinga en G. Voerman, Om de stembus. Verkiezingsaffiches 1918-1998 (Amsterdam/Antwerpen 2002), 166-173.

Op 21 april 1980 richtte een zware Noordwesterstorm voor miljoenen guldens schade aan. Strandpaviljoens en kampeerhuisjes spoelden weg of werden vernield. Op dezelfde dag stak een politiek storm op met vergelijkbare windkracht binnen het CDA. Vanuit het snikhete Balikpapan op het Indonesische eiland Borneo kondigde premier Van Agt aan dat hij als lijsttrekker beschikbaar zou zijn voor de Kamerverkiezingen van 1981. Gestoken in een bontgekleurd tropisch shirt met hemdsmouwen vertelde Van Agt de verzamelde Nederlandse verslaggevers dat het beleid van het kabinet-Van Agt-Wiegel inzet zou moeten zijn van de stembusstrijd. De mededelingen van de premier leidden tot aanzienlijke politieke commotie, omdat was afgesproken dat het fusiecongres van het CDA in de herfst van 1980 de lijstaanvoerder aan zou wijzen. Met name vanuit het anti-revolutionaire kamp werd kribbig gereageerd op Van Agts uitlatingen. De premier had zijn partij weer eens voor het blok geplaatst. De andere kandidaten voor het lijstaanvoerderschap - fractieleider Lubbers en minister De Koning - trokken zich schielijk terug. Ondanks Van Agts solistische optreden waren er maar weinig tegenstemmers op het CDA-congres dat uiteindelijk zijn kandidatuur bevestigde.

Het in 1977 geformeerde eerste kabinet-Van Agt steunde op een krappe Kamermeerderheid van 77 zetels. Daarbij moet worden aangetekend dat zes leden van de CDA-fractie zich ‘loyalist’ noemden en weinig affiniteit voelden met het kabinet. Van een normaal meerderheidskabinet was derhalve opnieuw geen sprake. Politieke waarnemers gaven dan ook weinig voor de wankele coalitie van CDA en VVD. Tot verbazing van velen wist Van Agt zijn ploeg echter vier jaar in het zadel te houden. Zonder moeite ging dat niet. Het kabinet sleepte zich voort van het ene incident naar het andere conflict. De problematiek van de kernwapens, de Nederlandse houding tegenover Zuid-Afrika, de abortuswetgeving en het bezuinigingsbeleid (‘Bestek '81’) voerden de spanningen op. Reeds enkele maanden na de beëdiging raakte het kabinet zijn eerste bewindsman kwijt. Minister van Defensie Kruisinga (CDA) stapte op, omdat hij zich niet wilde neerleggen bij het kabinetsbesluit over de neutronenbom. De confessioneel-liberale coalitie overleefde ternauwernood het Kamerdebat over de plaatsing van Amerikaanse kruisvluchtwapens op Nederlands grondgebied. Vooral het conflict over een eenzijdige olieboycot van Zuid-Afrika door Nederland leek het einde van het kabinet in te luiden. In juni 1980 werd een door Den Uyl ingediende motie van wantrouwen maar nipt verworpen met 74 tegen 72 stemmen. Daarnaast moest het kabinet zich ook intensief bezig houden met de kwestie-Aantjes en de inhuldiging van koningin Beatrix. CDA-fractieleider Aantjes trad - na onthullingen door professor De Jong van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie - af wegens een verzwegen oorlogsverleden. In het voorjaar van 1980 leidde de kroning van prinses Beatrix tot grote rellen en onrust. Achteraf bezien had Van Agt helemaal gelijk, toen hij vlak na het aantreden zijn kabinet wat losjes als volgt typeerde: "Ik denk dat het zo zal kunnen zijn: een rubbervlot op de woelige baren, op en neer geslingerd op de golven, maar het blijft drijven. Dat is het grappige van een rubbervlot."

De aanloop naar de verkiezingen werd vooral gekenmerkt door de interne spanningen binnen het CDA. In oktober 1980 was, na jaren van voorbereiding, de fusie tussen KVP, ARP en CHU tot stand gekomen. Vooral in anti-revolutionaire kring bestond tegen de samenwerking nogal wat verzet, hetgeen onder meer leidde tot de oprichting van de Evangelische Volkspartij (EVP). Deze nieuwe partij hoopte tevergeefs dat verschillende ‘loyalisten’ uit de CDA-fractie in de Tweede Kamer zich bij de EVP zouden aansluiten. De christen-democratische eenwording had aan de rechterzijde tot de totstandkoming van een orthodox-christelijke partij geleid: de Reformatorisch Politieke Federatie (RPF). Onder het lijstaanvoerderschap van Leerling, een voormalige journalist van de EO, behaalde de RPF twee zetels in de Tweede Kamer.

Terwijl VVD-leider Wiegel en D66-leider Terlouw met groot gemak door hun partijen tot lijsttrekker waren gekozen, moest PvdA-leider Den Uyl alle zeilen bijzetten om zijn vijfde lijsttrekkerschap binnen te halen. De discussie over de kernwapens trok diepe sporen van verdeeldheid in de PvdA. Het standpunt van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) – ‘alle kernwapens de wereld uit, te beginnen met Nederland’ - kreeg veel weerklank binnen de sociaal-democratische gelederen. Den Uyl verzette zich tegen dit IKV-standpunt. Hij verklaarde geen lijstaanvoerder te willen zijn als de partij deze zienswijze zou overnemen. Na een verwoede strijd tussen een ‘atoompacifistische’ en een meer gematigde stroming verwierf Den Uyl - tegen de verwachting in - een grote meerderheid op het partijcongres. Door radicale pacifisten buiten de PvdA werd Den Uyl afgeschilderd als ‘Joop Atoom’.

Bij enkele kleinere partijen traden nieuwe lijsttrekkers naar voren. De SGP had vaak een predikant als eerste man aangewezen, maar dit keer trad ingenieur Van Rossum voor de staatkundig-gereformeerden in het veld. Bij het GPV verving Schutte Verbrugh als leider. DS'70 maakte ook een wisseling van de wacht mee: partijsecretaris Nijhof volgde Drees jr. als lijsttrekker op. En ten slotte maakte bij de PSP Van der Lek plaats voor Van der Spek. Na het verkiezingsdebâcle van 1977 voltrok zich binnen de CPN een heroriëntatie. Dissidente intellectuelen en een feministische vleugel maakten zich samen sterk voor een democratisering van de stalinistisch geleide partij. De val van partijleider De Groot luidde een periode van politieke vernieuwing in.

In de verkiezingscampagne sprak D66 de wenselijkheid uit van een kabinet met PvdA en CDA. Een progressieve meerderheids- of minderheidsregering werd echter niet uitgesloten. Bij de PvdA was een linkse meerderheidsregering de eerste optie; voor de tweede optie, samenwerking met het CDA, was weinig enthousiasme. Het CDA hield zich op de vlakte, terwijl de VVD pleitte voor een nationaal kabinet. Omdat de opiniepeilingen aangaven dat een meerderheid van CDA en VVD er waarschijnlijk niet zou komen, leek deze optie voor de liberalen de enige mogelijkheid om kabinetsdeelname veilig te stellen.

De verkiezingscampagne was tamelijk vlak. De meeste partijen deden hun uiterste best om polarisatie te vermijden, teneinde de kans op regeringsdeelname zo groot mogelijk te maken. De verkiezingsleuzen brachten dit depolariserende streven tot uitdrukking: ‘samen verantwoordelijk’ (CDA); ‘samen aan het werk’ (VVD); en ‘het moet anders, samen kunnen we dat’ (PvdA). D66 presenteerde zich weer als ‘het redelijke alternatief’. Omdat D66 het in de opiniepeilingen goed deed en Terlouw bij de formatie wel eens een sleutelrol zou kunnen gaan vervullen, richtten zich nogal wat politieke pijlen op de democraten. Beducht voor de electorale concurrentie van D66 trok vooral Wiegel fors van leer: "Terlouw is een schildknaap die tegen PvdA-leider Den Uyl opkijkt. Eigenlijk is Terlouw dan ook de Sancho Panza van de Don Quichotte van de Nederlandse politiek."

Nadat de stembus was gesloten, bleek dat de PvdA de grote verliezer was geworden. De sociaal-democratische zetelwinst van 1977 was vrijwel in rook opgegaan. De kleine linkse partijen profiteerden hier enigszins van: de PSP met twee zetels en de CPN met één zetel. De grootste winst was - zoals voorzien - weggelegd voor D66: negen zetels erbij. Licht verlies was er voor de beide coalitiepartijen CDA en VVD. Hoewel deze teruggang meeviel, verloren beide partijen hun krappe parlementaire meerderheid: van 77 naar 74 zetels. De verkiezingsuitslag bracht zodoende weliswaar grote duidelijkheid, maar schiep daarmee tegelijkertijd een probleem. Alleen een kabinet van CDA, PvdA en D66 zou op een werkbare parlementaire meerderheid kunnen rekenen. Dit betekende dat Van Agt en Den Uyl, die elkaar niet meer konden luchten of zien, gezamenlijk de onderhandelingen zouden moeten voeren.

Van meet af aan hing de invulling van het premierschap als een dreigende wolk boven de formatiebesprekingen. Iets meer dan honderd dagen waren nodig om het premierschap van Van Agt acceptabel te maken voor de sociaal-democraten en de drie partijen tot inhoudelijke overeenstemming te brengen. Lubbers en De Koning (beiden CDA) traden op als de eerste informateurs. Van Thijn (PvdA) en De Gaay Fortman sr. (CDA) volgden. Het was vooral CDA-fractieleider Lubbers die uiteindelijk de kar uit de modder wist te trekken. Begin september 1981 kon het tweede kabinet-Van Agt worden getoond, maar aan de levensvatbaarheid van de boreling werd zwaar getwijfeld.

Laatst gewijzigd: 1 14-08-2012 16:00:03