VVD jaaroverzicht 1986

Uit: L. Koeneman, P. Lucardie en I. Noomen, 'Kroniek 1986. Overzicht van de partijpolitieke gebeurte­nissen van het jaar 1986' in: R.A. Koole (red.), Jaarboek 1986 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1987), 15-61, aldaar 53-61.

inleiding

'Volkomen verziekt', noemde VVD‑erelid en Commissaris van de Koningin in Friesland Hans Wiegel, de verhoudingen in de VVD tijdens een dieptepunt in het voor de partij zeer onstuimige jaar 1986. Hij deed zijn uitspraken in juni in het Haagse Dagblad Het Binnenhof, waarin hij zich tevens aanbood als co‑formateur naast premier Ruud Lubbers om de personele problemen in zijn partij op te lossen. De positie van fractievoorzitter en formatie‑onder­handelaar Ed Nijpels was toen al uiterst wankel geworden door de forse verkie­zings­nederlaag van de VVD bij de Tweede Kamerverkiezingen in mei. Pas toen Nijpels als politiek leider van het toneel was verdwenen en het ontstane machtsva­cuüm na interne strijd eind juni werd opgevuld door het duo Joris Voor­hoeve (als nieuwe fractievoorzitter) en Rudolf de Korte (als nieuwe minister van Economische Zaken en vice‑premier), kwam de partij tijdelijk in rustiger vaarwater terecht.    

euthanasie    

De regeling van euthanasie in de wet was een regelmatig terug­kerend discus­sie­punt in 1986. Begin februari kwam Wiegel in het nieuws met het voorstel de kwestie voorlopig te laten rusten en pas over een paar jaar wettelijk te regelen. De Tweede Kamerfractie wilde echter vasthouden aan het voornemen om het initiatief‑wetsvoorstel van D66‑Kamerlid Elida Wessel‑Tuin­stra te steunen, waarin euthanasie niet langer meer strafbaar gesteld werd wanneer er sprake is van ondraaglijk lijden. De VVD‑ministers daarentegen stemden in met het standpunt van het kabinet, dat zelf met een 'proeve' van een wet kwam, waarin euthanasie alleen toegestaan werd ingeval van een 'concrete doods­verwachting'. Toen de VVD‑fractie halverwege februari inderdaad besloot het D66‑initiatief te steunen en niet de proeve van het kabinet, kwam dat haar te staan op een forse reprimande van CDA‑fractieleider Bert de Vries, die van mening was dat het VVD‑standpunt de samenwerking in coalitieverband 'nu en na de verkiezingen' schaadde. VVD‑voorzitter Jan Kamminga leverde op zijn beurt felle kritiek op de houding van het CDA. Hij legde er de nadruk op dat de euthanasie‑kwestie voor de VVD geen verkiezingsstrijdpunt was en dat dit 'gewetensvraag­stuk' uit de politieke sfeer gehouden moest worden. Nadat Lubbers had gedreigd een eventueel aangenomen initiatief‑wets­ontwerp Wes­sel‑Tuinstra het contraseign te weigeren (dat wil zeggen het niet mede te ondertekenen) bood Nijpels een compro­mis-voorstel aan om een kabinetscrisis te voorkomen. Nijpels' voorstel behelsde dat de VVD‑fractie voorlopig haar stem zou onthouden aan het initiatief‑wetsontwerp van D66. Zowel dit ontwerp als de 'proeve' van het kabinet, die ook tot wetsont­werp zou moeten worden verheven, zouden voor advies aan de Raad van State moeten worden voorgelegd. Dit voorstel stuitte op veel weerstand in de fractie, maar uiteindelijk legde deze zich erbij neer. Het compromis betekende een voorlopig uitstel van een beslissing omtrent de euthanasiewetgeving tot in ieder geval na de verkiezingen. De JOVD (de met de VVD verwante jongerenorganisatie) zag deze ontwikkelingen met lede ogen aan. Op haar congres van 21 juni verklaarde J. Remarque (scheidend voorzitter van de JOVD) dat de ministers in een nieuw kabinet van CDA en VVD hun handtekening niet zouden mogen weigeren aan een euthanasie‑wetsvoorstel dat de steun krijgt van een meerderheid in de Tweede Kamer. Hij legde er tevens de nadruk op dat de JOVD zich van de VVD zou afwenden en zich op D66 richten zou, wanneer mocht blijken dat de VVD in een komend regeerakkoord de liberale beginselen verkwansel­de in kwesties zoals de euthanasie, het mediabeleid en de wet gelijke behandeling.    

Wiegel minister van Binnenlandse Zaken?    

Op 20 februari overleed plotseling VVD‑minister Koos Rietkerk van Binnenlandse Zaken in zijn werkkamer op het ministerie. Hij was 58 jaar. Politiek Neder­land reageerde geschokt op zijn plotselinge overlijden. Premier Lubbers noemde Rietkerk 'een man van karakter, een democraat in hart en nieren, een libe­raal om trots op te zijn'. De VVD herdacht hem als 'één van de aller­grootsten uit haar kring'. Ook door politieke tegenstan­ders werd hij ondanks zijn soms formele en onbuigzame opstel­ling gewaardeerd om zijn integriteit en nuchterheid. Zo noemde PvdA‑fractievoorzitter Joop den Uyl hem een 'integer politicus'.    

Het kabinet besloot VVD‑minister Frits Korthals Altes van Justitie voorlopig tevens te benoemen tot minister van Binnenlandse Zaken. Ondertussen vond overleg plaats tussen Nijpels en Lubbers over een andere oplossing. Begin maart werd bekend dat Nijpels de Commissaris van de Koningin in Friesland, Hans Wiegel, had gevraagd de ministerspost tot na de verkiezingen en de kabinetsformatie te bekleden. Nijpels voerde als argu­ment voor zijn voor­dracht aan dat Wiegel al eerder minister van Binnenlandse Zaken was geweest (van 1977‑1981) en daarom genoeg ervaring had. Politieke waarnemers wezen er echter op dat het voor de VVD‑top belangrijk was om het vertrouwen in de partij (die het zeer slecht deed in de opiniepeilingen) weer wat te her­stellen. Wiegel ('het orakel van Leeuwarden') zou in staat zijn veel meer stemmen te trekken dan Nijpels, die door zijn vaak ongelukkige politieke optreden (zoals recentelijk nog rond de euthanasie‑wetgeving) steeds meer goodwill had verspeeld onder de liberale kiezers. Nijpels zelf verklaarde echter 'verbaasd' en 'teleurgesteld' te zijn over berichten in de pers die zijn plan beschreven als 'verkiezingsstunt'. Tevens sprak hij geruchten tegen dat hij tot zijn voordracht van Wiegel was gekomen onder druk van anderen binnen de par­tij. Wiegel voelde veel voor een tijdelijke functie als minis­ter van Binnenlandse Zaken, maar stelde als voorwaarde dat hij terug zou kunnen keren op zijn post in Friesland. In de Pro­vinciale Staten van Friesland stak een storm van protest op tegen deze manoeuvre. Men was van mening dat Wiegel moest kiezen: òf hij aanvaardde het ministerschap, òf hij bleef in Friesland als Commissaris van de Koningin. Wiegel vroeg een aantal dagen bedenktijd en besloot uiteindelijk in Friesland te blijven. Het VVD‑Tweede Kamerlid De Korte, financieel specialist en woordvoerder op financieel en sociaal‑economisch terrein, werd benoemd als minister van Binnenlandse Zaken.    

De "Playboy‑affaire"    

Eind maart werd de VVD opgeschrikt door een rel binnen de eigen gelederen. In het blad Playboy verscheen een met een serie foto's geïllustreerd arti­kel, getiteld 'Erotiek in de Tweede Kamer'. Arnoud Cevaal, ambtelijk secre­taris van de VVD‑fractie en Lorette Welter, persoonlijk medewerkster van het Tweede Kamerlid voor de VVD Jaap Metz, werden erin gepor­tretteerd als 'Vrijmoedig Vrijend Duo'. Met name een foto, die zonder toestemming in de vergaderzaal van de Tweede Kamer was gemaakt en waarop Cevaal stond afge­beeld met zijn hand op de ontblote bil van Welter veroorzaakte een storm van verontwaar­diging. Kamervoorzitter Dick Dolman schreef een brief aan Nijpels waar­in hij om opheldering vroeg. Fractie en bestuur reageerden geschokt op de escapades van het VVD‑duo en meenden dat hier­mee Tweede Kamer en politiek in diskrediet waren gebracht. Het bestuur vond tevens dat Cevaal, die op de achtenvijftigste (onverkiesbare) plaats stond van de kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen alle geloofwaardigheid als kandidaat had verloren. Maatregelen bleven dan ook niet uit. Men begon tegen beiden een ontslag­procedure. Voor Welter had dit weinig consequenties. Zij zou na de Tweede Kamerverkiezingen in mei toch haar baan verliezen omdat Metz niet meer zou terugkeren in het parlement. Voor Cevaal daarentegen waren de gevolgen ernstiger. Het Hoofdbestuur besloot hem tevens te schrappen van alle kandi­daten­lijsten voor de komende verkiezingen en hem te royeren als lid. Het bestuur moest zich voor deze stap, die conform de reglementen alleen in zeer bijzondere gevallen toegestaan is, verantwoorden op het eerstvolgende huis­houde­lijk congres van de VVD. Welter mocht wel lid blijven van de partij. Half juli bekrachtigde het kantongerecht in Den Haag het ontslag van Cevaal. 

verkiezingen    

Op 1 maart begon de VVD in Den Bosch haar campagne voor de gemeen­te­raads­ver­kiezingen. De partij leed bij de verkiezingen van 19 maart een forse neder­laag, maar troostte zichzelf met het feit dat de prognoses een nog slechter resultaat voorspeld hadden. Nijpels noemde de uitslag een goede basis voor de verkiezingen van 21 mei, maar hield er wel rekening mee dat de coalitie in gevaar zou kunnen komen.

Op 17 en 18 januari was er een buitengewone algemene vergade­ring te Almelo, waarin het programma voor de Tweede Kamerver­kiezingen werd vastgesteld. De partij wilde voor de periode 1986‑1990 het financieringstekort niet meer terugdringen met één procent per jaar, zoals in het ont­werp‑ver­kie­zings­program­ma stond, maar met driekwart procent. In totaal wilde de VVD 19 miljard gulden bezuinigen (in mei verlaagde de partij dit op grond van berekeningen van het Centraal Planbureau tot een bedrag van 17,5 miljard). Tegelijkertijd bevatte het program een lastenverlaging voor burgers en bedrijfsleven. Het stelsel van sociale zekerheid wilde de partij niet buiten schot laten; in het openbaar vervoer, het sociaal cultureel werk en de maatschappelijke dienstverlening moest het profijtbeginsel sterker worden gehanteerd (hogere tarieven of minder dienst­verlening). Op de meeste onderdelen van het program volgde het congres de ontwerp‑tekst. Alleen over de inpoldering van de Markerwaard ontstond discussie. Voor‑ en tegenstanders konden zich uiteindelijk vinden in een compromis van partijvoorzitter Kamminga, waarbij inpoldering niet zonder meer werd afgewezen. Een partij­commissie moest de kwestie opnieuw bestuderen. Over de resultaten van de studie zou later een apart congres gehou­den worden. (Zie ook Jaarboek DNPP 1985, p. 66.) Het congres voegde verder nog aan het program toe dat de geheime diensten hun activiteiten moesten opvoeren om het hoofd te bieden aan het toenemende internationale terrorisme en de drugs‑ en wapenhandel. Aan de mediaparagraaf voegde men toe dat het verbod op ondertiteling van op Nederland gerichte reclame in buitenlandse televisie‑uitzendingen moest vervallen.

Op 1 februari was er een buitengewone algemene vergadering in Amersfoort over de definitieve volgorde van de kandidaten­lijst. De vergadering besloot met de vereiste twee‑derde meerderheid het Tweede Kamerlid Wim Keja acht plaatsen omhoog te schuiven van de 39ste naar de 31ste plaats. Dit ging ten koste van de kandidaat Henk van Hoof, die nu op de 39ste plaats kwam te staan. Verder accepteerde het congres zonder discussie de lijst die op 14 december was vastgesteld door de Verkie­zingsraad van de VVD. Dit hield in dat fractievoorzitter E. Nijpels werd aangewezen als lijsttrekker; tweede op de lijst stond minister Neelie Smit‑Kroes en op de derde plaats kwam De Korte.

Op 3 mei begon de VVD haar campagne voor de Tweede Kamerver­kiezingen. Centraal stond de boodschap dat het succesvolle kabinetsbeleid een typisch VVD‑beleid was geweest. De partij, die in de opiniepeilingen op fors verlies stond, mikte erop tenminste 30 zetels te behouden, genoeg om de coalitie met het CDA voort te kunnen zetten. Partijvoorzitter Kamminga zei in een toespraak tijdens de opening van de campagne in Amsterdam dat zich onder de mensen een omslag heeft voltrokken: 'van doemdenken naar vertrouwen in de toekomst. Daarvoor zal deze coalitie op 21 mei worden beloond'. De VVD begon de campagne dan ook onder het motto 'kies de VVD in het kabinet, als de toekomst je lief is'. Tijdens de bijeenkomst in Amsterdam werd 'Het Winnend Team' (Nijpels en 'zijn' ministers en staatsse­cretarissen) gepresenteerd, compleet met Olympisch vuur, verwijzend naar de kandidatuur van Amsterdam voor de Olympi­sche Spelen van 1992. Tijdens de campagne zette de VVD zich af tegen de Partij van de Arbeid. Zo hield Nijpels op de algemene vergadering van 18 en 19 april in Arnhem een lange tirade tegen die partij: door het aan­scherpen van tegenstellingen in de samenleving, bijvoorbeeld tussen wer­kenden en niet‑werken­den, voor‑ en tegenstanders van kruisraketten, chris­tenen en niet‑christenen, zou de PvdA zichzelf buiten de regering manoeu­vreren. Dit alles voorkwam echter niet dat de partij bij de verkie­zingen op 21 mei terugviel van 36 naar 27 zetels. De verloren stemmen gingen vooral naar het CDA dat van 45 naar 54 zetels steeg. Alleen dankzij de grote winst van het CDA be­hield de coalitie een ruime meerderheid. Opvallend was het grote aantal voorkeurstemmen voor het Tweede Kamerlid Theo Joekes. Op hem stemden ongeveer 280.000 mensen, genoeg voor 5 Kamerzetels. Hij was hiermee verzekerd van zijn terugkeer in de Tweede Kamer. Aan zijn herverkiezing was een wervingsactie voorafgegaan, georganiseerd door hemzelf en een aantal mede­standers. Hij was door de VVD namelijk op een onverkiesbare 40ste plaats gezet, formeel vanwege zijn leeftijd (62 jaar); maar algemeen werd aange­nomen dat Joekes' eigenzinnige opstel­ling in de RSV‑enquête‑commissie (hij onderschreef het nega­tieve oordeel van de commissie over de rol van VVD‑minister Gijs van Aardenne) hem parten had gespeeld. Het comité voor zijn herverkiezing adverteerde met de leus: 'Kritiek op de VVD? Met een stem op Joekes bent u duidelijk en toch loyaal!' Ook Wiegel en Henk Vonhoff, Commissaris van de Koningin in Groningen, betuigden openlijk steun aan dit initiatief. Na Joekes' her­verkiezing werd het Kamerlid Len Rempt‑Halmmans de Jongh, die als laatste van de lijst gekozen was, gedwongen haar plaats aan Joekes af te staan.    

interne strijd    

Na de verkiezingsnederlaag was de positie van Nijpels als politiek leider uiterst onzeker geworden. In een fractieverga­dering vlak na de verkiezingen werd hij weliswaar bij acclama­tie herkozen als fractievoorzitter, maar hij ontkwam ternau­wernood aan een stemming hierover. In die vergadering kreeg Nijpels veel kritiek te verduren. De fractie wees hem welis­waar ook als formatie‑onderhandelaar aan, maar velen waren van mening dat hij na de formatie moest opstappen als partijlei­der. Nijpels zelf voelde het meest voor een vakministerschap, zonder de last van het vice‑premierschap. Enige dagen later werd bekend dat hij inderdaad zijn plaats als politiek leider zou afstaan. Omdat dit zijn positie als formatie‑onderhande­laar bepaald niet versterkte, werd een speciaal formatie‑team samengesteld (met onder andere Kamminga, De Korte en het Kamerlid Joris Voorhoeve), dat hem moest bijstaan in de onderhan­delingen. Met name Joekes bekritiseerde het feit dat Nijpels kandidaten moest aanzoeken voor VVD‑ministersposten, terwijl hij zelf tot een van de gegadigden behoorde. Er ontstond weer onrust binnen de VVD toen Wiegel zich aanbood als mede‑forma­teur om de personele problemen in de partij op te lossen.

Het gevecht om het politiek leiderschap barstte los na het verdwijnen van Nijpels. Volgens VVD‑zegslieden, die ondanks een zwijgplicht berichten lieten uitlekken naar de pers, bestonden er globaal drie kampen in de partij. De eerste was een groep rond Nijpels, die het niet terecht vond dat alleen hij de schuld moest dragen van de verkiezingsnederlaag; de tweede was een groep rond staatssecretaris Frits Bolkestein van Economische Zaken en minister Korthals Altes van Justitie, die van mening was dat Nijpels de afgelopen jaren een flagrant gebrek aan leiderscapaciteiten had getoond; en tenslotte was er een groep die een afwachtende houding aannam. Inzet van de strijd vormden de drie belangrijkste functies in de partij (die van partij­voorzit­ter, fractievoorzitter en vice‑premier), de stijl van politiek bedrijven en de strategie ten opzichte van het CDA. Eind juni kwam het formatieteam dat rond Nijpels was samengesteld met het volgende voorstel: demissionair mi­nister van Binnenlandse Zaken De Korte moest, zodra informa­teur Jan de Koning gereed was, worden voorgedragen als co‑forma­teur om uiteindelijk vice‑pre­mier en minister van Economische Zaken te worden in een tweede kabinet Lubbers; als fractie­voorzitter en formatie‑onderhandelaar werd de buiten­landde­skundige Voorhoeve voorgesteld. (De populaire VVD‑minister van Volks­huisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu Pieter Winsemius, die in een volgend kabinet Economische Zaken ambieerde, werd hiermee gepasseerd. Hij vertrok in juli vrij onverwacht uit de politiek.) Men had De Korte liever in de functie van fractie­voorzitter gezien, omdat volgens klassiek liberale opvatting dit tevens het politiek leiderschap inhield. Het voorstel was in feite een com­promis tussen De Korte's wens om minister te blijven en de wens van de meerderheid van de fractie om hem het politiek leiderschap te geven. Voorhoeve, die bekend stond als bedaard, principieel denkend, en weten­schap­pelijk analyse­rend ‑ in veel opzichten het tegendeel van Nijpels ‑, zou de politieke stijl van de fractie moeten bijschaven en de per­soonlijke verhou­dingen moeten herstellen. De Korte zou vanuit het kabinet de VVD‑politiek gezicht moeten geven. In een lange fractievergadering werd dit voorstel aangenomen. Men koos voor een tweehoofdig politiek gezag, waarbij echter De Korte als 'teamleider' werd aangewezen. De fractie was van mening dat politiek leiderschap moest groeien. Voorhoeve noemde de nieuwe samenwerking tussen hem en De Korte op de partijraad van 20 september in Utrecht 'stra­tegisch duolisme', dit als variant op het 'strategisch monisme' dat Nijpels in de vorige kabi­netsperiode tot zijn handelsmerk had verheven. In november introduceerde hij op een partijbijeenkomst in Weert de strate­gie 'van kleine maar concrete successen'. Na de confronta­tie‑politiek van Nijpels moest har­mo­nieuze samenwerking met de coalitiepartner, zonder publicitair stuntwerk, maar met het vasthouden van een standvastige koers, voorop staan.

Ondanks dit goede voornemen deden nog geen twee weken later, in begin de­cember, uitspraken van De Korte tijdens een partij­bijeenkomst in Woudenberg veel stof opwaaien. Deze noemde een voorgenomen staatsbezoek van koningin Beatrix aan keizer Hirohito van Japan op korte termijn 'niet verstandig, niet wijs en niet gewenst'. Hij deed zijn uitspraken nog voordat het kabinet hierover een beslissing had genomen. Lubbers distantieerde zich in ongewoon harde bewoordingen van het optreden van zijn vice‑premier en typeerde het als behorend tot de categorie 'eens, maar niet meer'. De Korte zag zich gedwongen te erkennen dat hij "een procedurele fout" had gemaakt. Hoewel de fractie zijn standpunt steunde, verzwakte deze kwestie de positie van De Korte als politiek leider aanzienlijk. (zie verder ook het artikel van Andeweg in dit Jaarboek)    

partijbijeenkomsten    

Naast de twee hierboven genoemde buitengewone algemene verga­deringen hield de VVD nog twee algemene vergaderingen in 1986.

Op 18 en 19 april vond de jaarlijkse algemene vergadering plaats in Arnhem onder meer over huishoudelijke zaken. Daar­naast hield een aantal sprekers politieke redevoeringen. Nijpels pleitte in zijn rede voor het loslaten van de koppe­ling tussen ambtenarensalarissen en sociale uitkeringen ‑ in tegen­stelling tot het CDA. Daardoor zou het mogelijk worden ambtenaren even goed te betalen als gelijkwaardige functiona­rissen in het bedrijfsleven en te komen tot een afgeslankt maar goed betaald overheidsapparaat. Hij deed zijn uitspraken naar aanleiding van de eerder openbaar gemaakte vergelijking van beloningen van ambtenaren en werknemers in het bedrijfsle­ven, die in het nadeel van eerstgenoemden uitviel. Nijpels zei in zijn rede ook dat er tijdens de komende kabinetsformatie sluitende afspraken moesten komen over de financiering van de bestrijding van criminaliteit en vandalisme en over de media­wetgeving (de VVD was voor invoering van een commerciële omroep). Kamminga, die op deze vergadering tijdelijk werd herkozen als partij­voor­zit­ter, hield een polariserende rede tegen de PvdA.

Op 29 november hield de partij een algemene ledenvergadering in Breda. Leendert Ginjaar (minister van Volksgezondheid en Milieu­hygiëne in het kabinet Van Agt‑Wiegel, 1977‑1981), lid van de Eerste Kamer voor de VVD, werd bij accla­matie gekozen tot nieuwe partijvoorzitter. Hij was de enige kandidaat, nadat Ivo Opstelten, burgemeester van Delfzijl, zich had teruggetrokken. Ginjaar volgde Kamminga op, die zich weer volledig wilde gaan wijden aan zijn beroep van makelaar in Groningen. Het Hoofdbe­stuur had hem al in augustus unaniem voorgedragen als kandi­daat. Hij stond bekend als een onomstreden, afstande­lijk persoon, een goed bestuurder en een compromiszoeker. De keuze voor Gin­jaar weerspiegelde de behoefte van de liberalen aan herstel van rust en een­heid in de gelederen. In zijn eerste toespraak tot het congres zei de nieuwe voorzitter dat hij zich vooral wilde gaan bezighouden met het intern func­tio­neren van de partij. Hij wilde zich bewust niet te veel bemoeien met de actuele politiek. 'Het is helemaal niet nodig dat ik over de standpunten van de Kamerfractie heen ga toeteren', aldus Ginjaar. Verder stond op de alge­mene vergadering het referen­dum centraal. Men discussieerde over de voor­stellen van een interne commissie, die al in 1979 was ingesteld. In het Libe­­raal Manifest, het nieuwe beginselprogramma van 1980, werd voorzichtig gepleit voor een beperkte vorm van referendum. Er bleef echter binnen de partij steeds een belangrijke stroming tegen de invoering hiervan. Aan het congres werd uiteindelijk een voorstel voorgelegd dat invoering van de mogelijkheid van een 'niet‑verplicht beslissend referendum' op lokaal en pro­vinciaal niveau bevatte: alleen in fundamentele gevallen zouden burgers via een referendum een beslissing van de ge­meente of provincie moeten kunnen afwijzen. Pas als hiermee de nodige ervaring was opgedaan, zou invoering van het referendum op nationaal niveau moeten worden overwogen. Vanuit de partij kwamen verschillende wijzigingsvoorstellen die verder of juist minder ver gingen. De vergadering wees echter alle voorstellen uiteindelijk van de hand. Men vond het referendum niet passen in het Nederlandse systeem van representatieve democratie.    

Op 20 september hield de VVD haar partijraad in Utrecht. Het was de eerste bijeenkomst na de tumultueuze wisseling van de wacht. De politieke top trachtte duidelijk te maken dat de rust en eensgezindheid in de partij was weergekeerd. Partij­voorzitter Kamminga zei in zijn openingsrede: 'Deze partijraad is in zekere zin een happy end van een stormachtige zomer voor de VVD'. Hij riep de  partij op tot saamhorigheid. De partij­raad was belegd om troonrede en miljoenennota te becommentariëren. Voorhoeve verwierp in zijn toespraak de bezuinigingsmaatregel van CDA‑minister Wim Deetman om vierjarige kleuters later toe te laten tot de basisschool. In plaats daarvan wilde de VVD 275 miljoen bezuinigen door vierjarigen minder uren per week naar school te laten gaan en door de onderwijsvoorrangswet (voor kinderen in achter­stand­situaties) niet in te voeren. CDA‑fractievoorzitter De Vries reageerde geïrriteerd op Voorhoeve's rede.    

Op 1 november vond er een partijraadsvergadering in Rotterdam plaats. De liberalen debatteerden over vijf economisch‑poli­tieke stellingen, geformu­leerd door een werkgroep op basis van twee rapporten van de prof. mr. B.M. Telders­stichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD. Kern van de stel­lingen was dat de partij weinig voelde voor economische politiek en de voor­keur gaf aan vrije ondernemingsgewijze produktie. In de uitwerking van deze opvattingen bevestigde de partijraad het liberale vertrouwen in de markt­economie. Andere conclusies: het belastingstelsel moest herzien worden, waarbij de VVD het liefst een systeem met één tarief zou willen; regionaal econo­misch beleid was niet mogelijk bij gebrek aan de nodige gege­vens en bovendien niet wenselijk omdat het verstarrend werkte in een dynamische economie.    

De VVD en de FPÖ (Freiheitliche Partei Österreichs)    

Op een vergadering van de Liberale Internationale begin okto­ber in Hamburg stond onder meer de vraag ter discussie of de FPÖ niet van de lijst van aangesloten organisaties moest worden geschrapt. De VVD betoogde dat een partij die voor een groot deel bestond uit oud‑nazi's en neo‑nazi's moeilijk liberaal genoemd kon worden. De Liberale Internationale be­noemde hierop een internationale commissie, die dit moest gaan onderzoeken. Voor de VVD zat hier Algemeen Secretaris W.J.A. van den Berg in. Zijn conclusie luidde, op grond van onder meer een bezoek aan Oostenrijk en een gedetailleerde analyse van het FPÖ‑partijprogramma dat de partij gekenschetst moest worden als 'een fascistoïde partij' en dat het feit dat de FPÖ in 1979 tot de Liberale Internationale was toegelaten 'een blunder van de eerste orde' was. Het antwoord van de commissie op de vraag of de FPÖ een liberale partij was luidde dus ondubbelzinnig 'nee', maar men vond de FPÖ evenmin fascis­tisch. Een rapport van de commissie met deze mening (plus een minderheidsstandpunt van West‑Duitsland, dat de Oostenrijkse partij niet af wilde vallen) werd in december uitgebracht aan het hoofdkwartier van de Liberale Internationale in Londen. In 1987 moest een beslissing genomen worden over de uitsluiting van de FPÖ.

Laatst gewijzigd: 1 10-08-2021 16:31:20