VVD jaaroverzicht 1985

Uit: L. Koeneman, en G. Voerman, ‘Het Partijgebeuren. Kroniek van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 1985’ in: R. A. Koole en P. Lucardie (red.), Jaarboek 1985 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1986), 14-67, aldaar 62-67.

Na het roerige jaar 1984, waarin de VVD volop in het nieuws kwam vanwege spanningen met haar coalitiepartner, de RSV-enquête en de geplande PTT-verhuizing, beloofde de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de VVD, Ed Nijpels, op een bijeenkomst in Den Bosch dat 1985 ‘een politiek kalm jaar’ zou worden. Het grote verlies van de VVD in opiniepeilingen verontrustte hem niet, want ‘de politieke historie leert dat peilingen in twee maanden tijd volkomen kunnen omslaan’. Wellicht doelde Nijpels hier op de laatste twee maanden van de verkiezingen van mei 1986. De opiniepeilingen in 1985 lieten vooralsnog een constant beeld zien: fors verlies voor de VVD. Eind februari stelde Volkskrantjournalist Jan Joost Lindner dat dit politiek rustige jaar kennelijk in maart zou beginnen, want tot dan was de VVD weinig politieke ellende bespaard gebleven.

Van Aardenne

Discussies over de rol van minister Gijs van Aardenne in de RSV-affaire sleepten zich ook in 1985 voort. Als minister van Economische Zaken in het eerste kabinet-Van Agt (1978-81) had hij bewust de Tweede Kamer niet ingelicht over financiële toezeggingen, gedaan aan het Rijn-Schelde-Verolme concern. De parlementaire enquêtecommissie noemde dit gedrag in haar eindrapport 'onaanvaardbaar'. Op 19 januari verklaarden twee CDA-ers, Wim Mateman en Arie Oostlander, publiekelijk dat Van Aardenne de eer aan zichzelf moest houden. VVD-voorzitter Jan Kamminga bestreed deze opvatting nadrukkelijk en gaf aan dat bij onvoldoende vertrouwen van de Kamer in Van Aardenne, de VVD-bewindslieden zouden opstappen. Een ministercrisis zou wat de VVD betreft tot een kabinetscrisis leiden. ‘Het komt onrechtvaardig voor dat alle schuld zich op Van Aardenne concentreert’, aldus Kamminga. ‘De indruk bestaat dat met name voorzitter Van Dijk (CDA) en Joekes van de politieke vloer zijn losgeraakt.’ Na het tweede RSV-debat in de Tweede Kamer verklaarden respectievelijk prof. Jacques van Doorn, lid van het bestuur van de Teldersstichting, senator Molly Geertsema en fractievoorzitter van de VVD in de Eerste Kamer Guus Zoutendijk dat minister Van Aardenne had moeten aftreden naar aanleiding van het rapport van de RSV-enquête-commissie. Geertsema zei tijdens een spreekbeurt in Zoetermeer: ‘Door de gang van zaken is de positie van Van Aardenne dusdanig aangetast, dat ik het onbegrijpelijk vind dat hij niet is opgestapt. Hij zou dat alsnog moeten doen, daardoor zou het komende (= derde) debat tussen Kamer en kabinet veel zuiverder zijn.’ Zoutendijk wees bovendien op de electorale kant van de zaak: ‘Er komen verkiezingen aan en ik vind dat Van Aardenne ook dat aspect mee zou moeten wegen.’ Ook de voorzitter van de liberale jongerenorganisatie JOVD, Julius Remarque, was de mening toegedaan dat Van Aardenne vrijwillig zou moeten opstappen. Maar ondanks deze publiekelijke uitlatingen van prominente partijleden bleef Nijpels volhouden dat er in liberale kring geen onenigheid was omtrent de positie van de minister. Begin maart erkende hij echter dat alle (tegenstrijdige) commentaren van verschillende topmensen de VVD schade had berokkend. De komende tijd, zo was afgesproken, zou de partij zich echter zeer terughoudend opstellen bij het doen van uitlatingen. De kiezer zou de zaak dan snel zijn vergeten. Van Aardenne bleef minister, maar maakte later in het jaar bekend niet opnieuw beschikbaar te zijn voor een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst. Deze beslissing hield naar zijn zeggen geen verband met de RSV-affaire.

P.C. Hooftprijs

Een andere affaire die de VVD niet onberoerd liet, betrof de P.C. Hooftprijs. Minister Elco Brinkman, en met hem de regering, had besloten de P.C. Hooftprijs niet toe te kennen aan de essayist Hugo Brandt Corstius, waarmee het unanieme juryrapport terzijde werd geschoven. De VVD-fractie ondersteunde dit besluit, hetgeen veel boze reacties in VVD-kring veroorzaakte. Dit in tegenstelling, tot het CDA waar het weigeren van de P.C. Hooftprijs geen interne discussies opleverde. Een inhoudelijke beoordeling van kunst door de overheid zou ingaan tegen de liberale traditie, zo klonk onder andere uit de mond van oud-staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Henk Vonhoff. Hij vond het een onbegrijpelijk besluit van het kabinet. Ook de JOVD achtte het kabinetsbesluit ontoelaatbaar. Eind februari waren op het partijbureau van de VVD 960 opzeggingen van leden binnengekomen, tegenover 475 nieuwe aanmeldingen. Algemeen secretaris W.J.A. van den Berg schatte dat twintig procent van de mensen uit politieke motieven had opgezegd.

partijbijeenkomsten

In 1985 vonden naast de gebruikelijke partijraadsvergadering en de jaarlijkse algemene vergadering een zestal themadagen plaats in verband met het opstellen van het verkiezingsprogramma 1986-1990. De partijraad op 27 april besprak een rapport van de Teldersstichting over sociale zekerheid, waarin voorstellen werden gedaan over het stelsel van sociale zekerheid in de jaren negentig. Besloten werd onder andere dat op den duur voor iedereen van 18 jaar en ouder die werkloos of arbeidsongeschikt wordt, één algemene uitkering komt die gelijk is aan het sociale minimum voor één individu. Het hoofdbestuur wilde het sociale minimum afstemmen op een leefeenheid, maar de partijraad koos op voorstel van de VVD-vrouwen voor een sociaal minimum per individu.

Op 10 en 11 mei hield de VVD haar jaarlijkse algemene vergadering te Breda, die voornamelijk aan huishoudelijke en statutaire zaken was gewijd. Na alle perikelen in het begin van het jaar opende partijvoorzitter Kamminga zijn toespraak vol optimisme: ‘Het is lente en de VVD staat weer in bloei. Mei 1985, tien maanden voor de verkiezingen, is er optimisme en vertrouwen.’ Met een felle aanval op de PvdA gaf Kamminga al het startsein voor de komende verkiezingscampagne. ‘Vandaag gaan wij in de aanval tegen de Partij van de Arbeid. Een aanval voor de arrogantie van de macht waaraan zij alleen nog kunnen ruiken. We willen, negen en zullen het socialisme geen kans geven om te regeren. ik heb vertrouwen in het CDA maar we zullen ze ook niet de kans geven af te drijven in de richting van de socialisten. Het CDA vraag ik daarom, laat de Partij van de Arbeid links liggen.’ Fractievoorzitter Nijpels bekritiseerde het PvdA-standpunt dat een verdrag met de Verenigde Staten over de plaatsing van de kruisraketten weer opgezegd zou kunnen worden. ‘Iedere partij die op deze wijze omspringt met parlementaire besluiten die schaadt niet alleen het aanzien van onze parlementaire democratie, maar spot ook met de internationale fatsoensnormen’, aldus Nijpels. Hij vroeg verder van het kabinet om vóór 1 juli met een standpunt te komen over de wet gelijke behandeling. CDA en VVD waren verdeeld over de vraag in hoeverre de overheid gelijke behandeling van werknemers mag afdwingen bij particuliere organisaties.

Op 18 mei vond een partijraad plaats waar het rapport van de commissie-Polak werd besproken. De commissie had opdracht gekregen een discussiestuk te schrijven over het bestrijden van het tekort aan betaald en onbetaald werk, rekening houdend met de liberale beginselen. De nota zou gelden als een voorbereiding op het nieuwe verkiezingsprogramma. Het rapport bevatte een aantal aanbevelingen die meer leken aan te sluiten bij standpunten van de PvdA dan bij die van de VVD, zoals de invoering van een werkweek van gemiddeld 36 uur in 1987, een voortrekkersrol van de overheid bij arbeidstijdverkorting en desnoods wettelijke dwang om het werk eerlijker te verdelen. Nijpels concludeerde dan ook dat een aantal aanbevelingen duidelijk in strijd waren met het VVD-beleid van alledag. Dat de partijraad dezelfde mening was toegedaan bleek uit de grote reeks ingediende amendementen.

De partijraad van 18 mei slaagde er niet in deze hoeveelheid af te handelen en besprak de rest een maand later. Uiteindelijk bleef weinig van de oorspronkelijke nota overeind. De aangebrachte wijzigingen waren veelal lijnrecht in strijd met de aanbevelingen van de commissie. Onder andere het standpunt over de gewenste 36-urige werkweek in 1987 werd verworpen. Over de meest wenselijke arbeidsduur werd nu geen uitspraak gedaan. Voorzitter Jim Polak reageerde teleurgesteld en noemde de VVD toch conservatiever dan hij had verwacht. De uiteindelijke besluiten zouden de basis vormen voor het sociaaleconomisch gedeelte van het nieuwe verkiezingsprogramma.

ontwerp-verkiezingsprogramma

Op 26 augustus presenteerde de VVD het ontwerpverkiezingsprogramma. Aandachtspunten: het financieringstekort van de overheid zou in de periode 1986-1990 teruggebracht moeten worden naar 4 a 5 procent, terwijl in dezelfde tijd de burgers jaarlijks een belasting- en premieverlaging zouden krijgen van één procent per jaar. Bezuinigingen moesten gezocht worden in verdere privatisering en afstoting van overheidstaken; de burgers zouden meer moeten betalen voor overheidsvoorzieningen; een arbeidsduurverkorting van twee procent per jaar bij de overheid. De Markerwaard zou niet mogen worden ingepolderd. Dit laatste was verrassend, aangezien de VVD-ministers Nelie Smit-Kroes (Verkeer en Waterstaat) en Gijs van Aardenne (Economische Zaken) zich altijd sterk gemaakt hadden voor inpoldering. Door de opgenomen passage in het ontwerpprogram was de kwestie Markermeer weer een actueel onderwerp geworden. Minister Smit-Kroes sprak enkele weken later tijdens een VVD-bijeenkomst in Lelystad de hoop uit dat de VVD een standpunt zou innemen ‘in lijn’ met het kabinetsbeleid. Inpoldering van het Markermeer zou ‘op het juiste moment en op een gezonde financiële basis het landsbelang in de toekomst zeer zeker dienen’, aldus Smit-Kroes. Haar collega en partijgenoot minister Pieter Winsemius van Milieubeheer was tegen inpoldering. De fractie was verdeeld. (Bij de definitieve vaststelling van het program in 1986 werd besloten inpoldering niet zonder meer af te wijzen. Een partijcommissie zou de zaak opnieuw moeten bestuderen.)

Op 14 december vond in Amersfoort de verkiezingsraad van de VVD plaats, waar de kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen werd vastgesteld. Het verkiezingscongres in februari 1986 zou nog wijzigingen kunnen aanbrengen, maar een twee derde meerderheid was dan nodig. VVD-fractieleider Nijpels werd aangewezen als lijsttrekker, gevolgd door Smit-Kroes op de tweede plaats. De eerste zeventien plaatsen waren onveranderd gebleven in vergelijking met de ontwerp-kandidatenlijst, zoals opgesteld door de Kamercentrales. De VVD-Kamerleden Benk Korthals en Len Rempt rukten zes plaatsen op, en kwamen nu respectievelijk op de twintigste en zevenentwintigste plaats. Korthals zou oorspronkelijk lager gestaan hebben, omdat er rekening mee was gehouden dat hij Kamminga als partijvoorzitter zou opvolgen. Kamminga had laten weten na de beëindiging van zijn termijn in april 1986 niet meer herkiesbaar te zullen zijn. Op verzoek van het hoofdbestuur om zich toch nog een keer kandidaat te stellen, bleek Kamminga bereid voor beperkte tijd het voorzitterschap voort te zetten. Dit verzoek was gedaan om de ongelukkige samenloop van kandidaatstelling, de verkiezingen voor gemeenteraad en Tweede Kamer, en de benoeming van een nieuwe partijvoorzitter te vermijden. Het Kamerlid Theo Joekes was op een onverkiesbare veertigste plaats terecht gekomen. Door de pers werd verband gelegd tussen deze onverkiesbare plaats van Joekes en zijn rol in de roemruchte RSV-enquêtecommissie (Joekes onderschreef het negatieve oordeel van de commissie over de rol van VVD-minister Van Aardenne). Kamminga ontkende dit: ‘Ook als er geen RSV-zaak zou zijn geweest, was het een dubbeltje op z'n kant.’ Joekes moest concurreren met prima Haagse Kamerleden, aldus Kamminga.

 

 

 

Laatst gewijzigd: 1 20-05-2021 09:38:25