SGP jaaroverzicht 2005

Uit: J. Hippe, R. Kroeze, P. Lucardie, N. van de Walle en G. Voerman, 'Kroniek 2005. Overzicht van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 2005' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 2005 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2006), 14-98, aldaar 78-89.

inleiding

In de SGP werd in 2005 verder gediscussieerd over de betekenis van de theocratische beginselen van de partij, met name voor de godsdienst­vrijheid. Maar vooral de gebeurtenissen in de tweede helft van 2005 kleurden dit jaar voor de staatkundig-gereformeerden. Enerzijds werden zij geconfronteerd met een ongunstige juridische uitspraak over het vrouwenstandpunt van de partij. Anderzijds liepen de spanningen bin­nen de SGP over de positie van de vrouw hoog op, met name in relatie met de electorale samenwerking met de ChristenUnie.

theocratie en godsdienstvrijheid

De discussie binnen de SGP over theocratie en godsdienstvrijheid, die in 2004 weer opbloeide (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 89-90), werd in 2005 voortgezet. In een interview zei het staatkundig-gereformeerde Eerste-Kamerlid G. Holdijk onder meer dat ook in het geval dat de SGP in de meerderheid zou zijn, de partij aan andere godsdiensten de ruimte zou moeten geven ‘hun religie te belijden en gebedshuizen te bouwen en te onderhouden’ (Reformatorisch Dagblad, 12 februari 2005). Dat betekende echter niet, aldus Holdijk, dat hij daarmee het theocratisch beginsel wilde loslaten en de godsdienstvrijheid kritiekloos en principi­eel aanvaardde. Zijn uitspraken leidden tot verdeelde reacties. Zo zei het oud-hoofdbestuurslid van de SGP L.M.P. Scholten dat hij het ‘funda­menteel oneens’ was met Holdijk. SGP-jongerenvoorzitter Chr. van Bemmel daarentegen gaf aan dat hij niet kon aanvaarden dat de SGP in een meerderheidspositie de godsdienst­vrijheid en andere vrijheden zou beëindigen. Partijleider B.J. van der Vlies stelde dat de SGP de gods­dienstvrijheid niet zou afschaffen, maar dat ‘publieke ongeloofsuitin­gen’ geweerd zouden worden. Daarbij dacht hij aan zaken als processies en gebedsoproepen vanaf minaretten. Van der Vlies omschreef zijn standpunt als ‘gewetensvrijheid met een zekere bewegingsvrijheid’ (Reformatorisch Dagblad, 19 februari 2005). In deze lijn dacht ook de algemeen voorzitter van de SGP, W. Kolijn. Holdijk zei later trouwens ook dat processies en minaretten voor hem niet acceptabel waren.

Het Tweede-Kamerlid C.G. van der Staaij zei op 27 april in een lezing dat de SGP in de discussie met buitenstaanders maar beter niet het begrip ‘theocratie’ kon hanteren. Dat gaf kans op verwarring, want volgens hem werd theocratie ten onrechte vaak als strijdig met demo­cratie gezien. De SGP streefde niet naar een andere regeringsvorm dan de democratie. Van der Staaij vond de aanduiding ‘theocratische poli­tiek’ meer toepasselijk, maar gaf de voorkeur aan ‘christelijke of bijbel­genormeerde politiek’ (Nederlands Dagblad, 28 april 2005). Als de SGP een tweederde meerderheid zou behalen, moest naar de mening van het kamerlid aan andersdenkenden ruimte worden geboden. De lezing van Van der Staaij werd door de Guido de Brès-Stichting, het wetenschappelijk instituut van de SGP, onder de titel Theocratie en democratie in brochurevorm uitgegeven.

Op de jaarvergadering van de SGP op 2 april zei partijleider Van der Vlies dat de staatkundig-gereformeerden ‘absoluut’ geen dictatuur of totalitaire staat voor ogen hadden, maar ‘een democratisch georgani­seerde rechtsstaat met bijbels genormeerd beleid’ (Nederlands Dagblad, 4 april 2005).

jaarvergadering

Op de jaarvergadering, die voor het eerst niet in februari werd gehouden (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 86), werd onder meer een aantal leden van het hoofdbestuur verkozen. Hierbij werd rekening gehouden met het ontstaan van de Hersteld Hervormde Kerk (HHK), waarin die Neder­landse Hervormden zich hadden verenigd die geen lid wilden worden van de fusiekerk Protestantse Kerk Nederland (PKN). In 2004 had men de vacature die was ontstaan door het vertrek van dominee D.J. Budding niet vervuld, omdat toen de situatie nog niet duidelijk was. Nu werd op basis van de vaste doelstelling het hoofdbestuur een zo goed mogelijke afspiegeling van de kerkelijke achterban van de SGP te laten zijn, gekozen voor vier zetels voor de PKN en twee voor de HHK, op een totaal van vijftien hoofdbestuursleden.

Tijdens de middagvergadering was er een themabijeenkomst over het onderwerp ‘vrijheid van meningsuiting’, waarbij Van der Staaij de inleiding hield.

omstredn burgemeestersbenoeming

Op 11 april vernam de burgemeester van Graafstroom J. van Belzen dat de gemeenteraad van Barendrecht hem unaniem had voorgedragen als burgemeester van deze plaats. Daarmee zou Van Belzen – die tevens lid was van het hoofdbestuur van de SGP – de staatkundig-gereformeerde burgemeester van de grootste gemeente (40.000 inwoners) worden. Een deel van de inwoners van Barendrecht wilde echter geen burgemeester van een ‘fundamentalistische partij’, wier ideologie haaks op de demo­cratie zou staan (Nederlands Dagblad, 21 april 2005). Eind april werd een actiecomité tegen de benoeming van Van Belzen actief. De handte­keningen die het op Koninginnedag verzamelde, werden aan minister Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestuurd met het verzoek af te zien van de benoeming van Van Belzen. De minister ging daar niet op in; op 1 juli werd Van Belzen als burge­meester van Barendrecht geïnstalleerd.

referendum Europese grondwet

Bij de campagne voor het referendum over de Europese grondwet sprak de SGP zich duidelijk voor het ‘nee’ uit. De staatkundig-gereformeerde hoofdpunten van bezwaar kwamen overeen met die van de Christen­Unie (zie in deze Kroniek onder ChristenUnie). Anders dan bij de ChristenUnie was het ‘nee-stemmen’ bij de SGP niet of nauwelijks een punt van discussie. Een punt van overweging voor de SGP was wel dat de partij behalve tegen de Europese grondwet ook ‘tegen de aan refe­renda ten grondslag liggende gedachte van volkssoevereiniteit’ was.

Toch besloot de partij, die zich in het parlement tegen een referendum over de Europese grondwet had uitgesproken, aan de volksraadpleging deel te nemen. Daarbij speelde mee dat het hier om een raadplegend referendum ging: het parlement behield het recht een zelfstandig besluit te nemen – ook al waren er partijen die zich aan de uitslag van het referendum wensten te binden. In de tweede plaats was voor de SGP een duidelijke tegenstem ten aanzien van de Europese grondwet van meer belang dan het ‘wellicht wat in het gedrang komen’ van staatkun­dige beginselen van de partij (de Banier, 25 maart 2005). Ook de oppo­sitionele, behoudende Landelijke Stichting ter Bevordering van de Staatkundig Gereformeerde Beginselen, die zich verzette tegen deel­name van de SGP aan de verkiezingen voor het Europees Parlement (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 88), zag geen bezwaren tegen het gaan stemmen bij dit referendum. Wel zouden volgens het stichtingsbestuur ‘in lijn met onze principes’ alleen de mannen hun stem mogen uitbren­gen (Reformatorisch Dagblad, 28 mei 2005).

radio en televisie

In september nam het hoofdbestuur van de SGP het officiële besluit tot aanpassing van de bestaande mediarichtlijn. Hierdoor kregen staatkun­dig-gereformeerde partijbestuurders en politici wat meer ruimte voor het meewerken aan radio- en televisieuitzendingen (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 86-87).

Tweede-Kamerverkiezingen 2007

Eind 2005 werd op voordracht van de permanente campagnecommissie door het hoofdbestuur de programmacommissie ingesteld met als voor­zitter partijsecretaris P.A. Zevenbergen en als secretaris J.W. van Berkum, medewerker van het wetenschappelijk bureau van de SGP. Deze commissie zou het ontwerpverkiezingsprogramma gaan schrijven.

vrouwenlidmaatschap: rechterlijke uitspraken

Op 2 juni begonnen de rechtszittingen in het kader van de door de Stichting Proefprocessenfonds van het Clara Wichmann Instituut (CWI) mede namens negen maatschappelijke organisaties tegen de Neder­landse staat en de SGP aangespannen processen (zie Jaarboek 2003 DNPP, blz. 118; en de bijdrage van A.H.M. Dölle in dit Jaarboek). In de zaak tegen de Nederlandse staat werd door het CWI van de rechter gevraagd uit te spreken dat de overheid in ieder geval de subsidie aan de SGP diende te beëindigen zolang deze partij geen vrouwen als volwaar­dig lid toeliet. Vooral artikel 7 van het Vrouwenverdrag van de Vere­nigde Naties nam een belangrijke plaats in het pleidooi van de CWI-advocaten in. Vijf dagen later was de tweede zittingsdag met nu de SGP als tegenpartij. Het CWI eiste dat de SGP vier maanden na de uitspraak van de rechter haar statuten zou moeten hebben gewijzigd, zodat een volledig vrouwenlidmaatschap van de partij mogelijk werd. Het CWI baseerde die eis op de overtuiging dat het vrouwenstandpunt van de SGP met name niet strookte met internationale verdragen.

Naast deze processen kwam het SGP-standpunt over de politieke positie van vrouwen nog vanuit een andere richting onder vuur te liggen. In een evaluatieverslag van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) over de laatste vijf jaar dat op 21 juni bekend werd was het voorstel opgenomen de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) in die zin aan te passen, dat verenigingen intern geen onderscheid meer konden maken naar geslacht of ras. De praktijk binnen de SGP was voor de CGB een belangrijke aanleiding om dit voorstel te doen. Na een dergelijke aan­passing zou de commissie klachten over de gang van zaken bij de SGP niet langer niet-ontvankelijk behoeven te verklaren. De SGP reageerde afwijzend op dit voorstel. Kolijn memoreerde dat de politiek naar aan­leiding van de grondrechten­nota van minister De Graaf voor Bestuur­lijke Vernieuwing en Konink­rijks­relaties nog recentelijk had uitgespro­ken dat er geen hiërarchie in de grondrechten moest worden aange­bracht. Van der Staaij wees er op dat er bij het tot stand komen van de AWGB bewust voor gekozen was politieke partijen en de meeste vere­nigingen buiten de reikwijdte van de wet te laten vallen.

Op 7 september verklaarde de rechter in de zaak van het CWI tegen de SGP de Stichting Proefprocessenfonds en de ondersteunende maat­schap­­pelijke organisaties niet ontvankelijk, zodat hij zich niet inhou­delijk over de zaak uitsprak. Het ging hier om een belang – aldus de rechter – dat met name SGP-vrouwen aanging, en die waren niet bij het proces betrokken. De uitspraak in het proces tegen de staat was voor de SGP echter ongunstig. De staat mocht van de rechter de SGP geen subsidie meer verstrekken, zolang vrouwen geen volwaardig lid zouden kunnen worden van deze partij. Volgens de rechter schaadde de over­heid het VN-Vrouwenverdrag door geen stappen tegen de SGP te ondernemen. Dat de staat verschillende grondrechten tegen elkaar moet afwegen was volgens de rechter geen excuus, omdat in het betreffende verdrag die afweging al heeft plaatsgevonden: politieke partijen mogen niet discrimineren en zo nodig moet de vrijheid van godsdienst worden ingeperkt. De in te houden subsidie voor de partij bedroeg jaarlijks ongeveer 800.000 euro, voor de Tweede-Kamerfractie werd ruim 300.000 euro beschik­baar gesteld. Dit laatste bedrag zouden de staat­kundig-gereformeerden niet kwijt raken.

De SGP reageerde ‘verbaasd en teleurgesteld’ op de uitspraak van de rechter tegen de staat. Het oordeel zou niet corresponderen met eerdere politieke en juridische uitspraken. Bovendien was een ‘vergaande en aanvechtbare’ uitleg gegeven aan het VN-Vrouwenverdrag, en was in de Wet subsidiëring politieke partijen intrekking van de subsidie gekop­peld aan veroordeling wegens strafbare discriminatie (persbericht SGP, 7 september 2005). In het verleden was uitdrukkelijk bepaald dat de SGP zich daar niet aan schuldig maakte. De partij was zich verder bewust dat de rechterlijke uitspraak opnieuw druk zou zetten op de discussie binnen de SGP over het lidmaatschap van vrouwen. In dat debat moesten inhoudelijke en niet financiële argumenten de doorslag geven, aldus de partijleiding.

Op 10 september kondigde minister Remkes aan dat hij namens de staat hoger beroep zou aantekenen tegen het vonnis tegen de staat. Hij wilde niet alleen een principiële uitspraak over de relatie van de staat tot de politieke partijen, maar ook over de verhouding tussen de grondrechten onderling. Het hoger beroep betekende echter geen opschorting van de stop­zetting van de subsidie voor de SGP. Medio november maakte Remkes dan ook bekend dat hij met ingang van 1 januari 2006 de subsi­die voor de SGP zou inhouden. De SGP deelde mee hiertegen in beroep te gaan bij de bestuursrechter. Verder dacht de partij aan noodmaatre­gelen als een giftenactie en een verhoging van de contributie.

Op 7 november werd bekend dat de Stichting Proefprocessenfonds hoger beroep had aangetekend tegen de uitspraak van de rechter dat de Stich­ting niet ontvankelijk was verklaard in de zaak tegen de SGP zelf.

Andere politieke partijen reageerden verdeeld op de rechterlijke uit­spraak inzake het beëindigen van de subsidie aan de SGP. De Tweede-Kamerfractie van de VVD was tevreden, en het Tweede-Kamerlid Van der Laan van D66 ‘zeer verheugd’ (Nederlands Dagblad, 8 september 2005). Het CDA was van mening dat de subsidie niet stopgezet zou moeten worden, al kon partijvoorzitter mevr. M. van Bijsterveldt zich vanuit de positie van de rechter bekeken de uitspraak wel voorstellen. Partijleider Rouvoet van de ChristenUnie was ‘verbaasd en bezorgd’ over de uitspraak (Handschrift, september 2005). Ook de regering had steeds het standpunt ingenomen dat er op grond van de vrijheden van godsdienst en vereniging ook ruimte was voor de SGP-visie, en dat moest zo blijven, aldus Rouvoet.

vrouwenlidmaatschap: het debat binnen de partij

Naast de gebeurtenissen op het juridische terrein en mede gestimuleerd daardoor ging ook de discussie over het vrouwenstandpunt binnen de SGP door (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 90-91). Uit een lezersonder­zoek van het Reformatorisch Dagblad (10 september 2005) bleek overi­gens dat 65 procent van de SGP-achterban niet van mening was dat de rechterlijke uitspraak een nieuw debat binnen de SGP nood­zakelijk maakte; 70 procent vond niet dat de partij als gevolg van de uitspraak van de rechter de partij open moest stellen voor vrouwen. Wel dacht 57 procent dat op de korte dan wel langere termijn vrouwen voor de SGP in raden, Staten of Kamers zitting zouden nemen.

Vooraanstaande SGP-ers pleitten echter wel voor meer mogelijkheden voor vrouwen binnen de partij. Nog vóór de uitspraak van de rechter op 7 september sprak burge­mees­ter en hoofdbestuurslid Van Belzen zich er voor uit dat elke lokale kies­vereniging van de SGP zelf zou kunnen besluiten of het lidmaatschap voor vrouwen zou worden opengesteld. In dezelfde tijd zei burgemeester A. Noorder­graaf van Hardinxveld-Gies­sendam in een televisieprogramma niet tegen een volledige gelijkstel­ling van man en vrouw binnen de SGP te zijn. Enkele dagen na de rechterlijke uitspraak riep SGP-jongerenvoorzitter Van Bemmel het hoofdbestuur op nu snel met het door haar toegezegde rapport over het vrouwenstandpunt naar buiten te komen (zie Jaarboek 2003 DNPP, blz. 118). Dat rapport was volgens hem belangrijk, omdat het voor veel jongeren duidelijk was dat op bijbelse gronden de vrouw geen ambt in de kerk mocht bekleden, maar dat het voor hen twijfelachtig was of die lijn naar de politiek kon worden doorgetrokken.

Midden november werd bekend gemaakt dat dit rapport nog even op zich zou laten wachten, onder meer omdat een aantal juristen was ge­vraagd zich te buigen over de vraag ‘in welke vormen, uitgaande van de principiële afwijzing van het passief kiesrecht (regeermacht) de betrok­ken­heid van vrouwen gestalte zou kunnen krijgen’ (de Banier, 25 no­vem­ber 2005). Kolijn deelde mee dat in een bijeenkomst van de rap­por­teurs en de meelezers van het rapport de meesten niet gelukkig bleken te zijn met de geldende formule van het buitengewoon lidmaatschap voor vrouwen. Volgens de partijvoorzitter werd er naar gestreefd de brochure in maart 2006 aan de kiesverenigingen toe te zenden.

vrouwenlidmaatschap: de SGP-jongeren

Het bestuur van de SGP-jongeren stelde aan het begin van november aan de aangesloten verenigingen voor dat vrouwen lid zouden kunnen worden van het landelijk bestuur en de secties (permanente commissies) van de jongeren­organisatie. Algemeen voorzitter Kolijn gaf te kennen dat het hoofdbestuur van de partij hiertegen geen bezwaar had. Met Van Bemmel meende hij dat met het regeerambt steeds was bedoeld ‘het deel uitmaken van volksvertegenwoordigende organen en het bekleden van publieke ambten’ (Reformatorisch Dagblad, 4 november 2005). Het voorstel van het SGP-jongerenbestuur had daarop geen betrekking. In het voorstel waren nog wel enige beperkingen voor vrouwelijke bestuursleden opgenomen. Zo zouden zij bijvoorbeeld geen openbare bijeenkomsten mogen leiden, of die openen en sluiten met gebed. In 2000 was een voorstel van het jongerenbestuur om vrouwen deel te laten uitmaken van alleen de secties door de achterban nog weggestemd.

Op 18 en 19 december hielden de SGP-jongeren een tweedaags congres over de positie van de vrouw in de moederpartij, met als titel ‘Vrouwen zetten SGP in vuur en vlam’. Tot de organisatie hiervan had het bestuur van de jongerenorganisatie na de uitspraak van de rechter besloten. Ook tegenstanders van het vrouwenstandpunt van de partij kregen alle ruimte hun visie naar voren te brengen. De Katwijkse wethouder W.J. van Duyn meende dat de positie van de vrouw een onderwerp was dat aan ieders geweten kon worden overgelaten. Van der Vlies zei dat hij de plannen van het hoofdbestuur tot ‘nadere betrokkenheid’ van de vrou­wen steunde (Nederlands Dagblad, 21 november 2005) en riep de achterban op de gelederen te sluiten. De congresserende jongeren gaven met een zeer duidelijke meerderheid te kennen dat het vrouwen­stand­punt van de partij verruimd zou moeten worden.

samenwerking ChristenUnie en SGP bij gemeenteraadsverkiezingen

Na de Europese verkiezingen in 2004 had partijleider Rouvoet van de ChristenUnie om een evaluatie van de samenwerking tussen zijn partij en de SGP gevraagd. Hij had daarbij ook de samenwerking bij gemeen­teraadsverkiezingen op het oog (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 41). Op 14 februari 2005 kwamen de besturen van ChristenUnie en SGP over­een dat bij de raadsverkiezingen in 2006 een gezamenlijke lijst de voorkeur had als dat ‘nuttig en noodzakelijk’ was (Nederlands Dagblad, 16 februari 2005). Dat zou met name het geval zijn als kiesverenigingen zelfstandig geen zetel zouden kunnen behalen. Samenwerking lag minder voor de hand als kiesverenigingen wel op eigen kracht zetels zouden kunnen behalen. De beide besturen voerden dit overleg tegen de achtergrond van een onder­zoek dat de ChristenUnie onder haar leden had laten uitvoeren. Daaruit bleek onder meer dat ruim 40 procent van de Unieleden meende dat hun kiesvereniging in 2006 niet met de SGP een gemeenschappelijke lijst moest vormen. Als dit toch zou gebeuren, dan zou acht procent niet op die lijst stemmen. Bijna de helft van de Unieleden dacht wel positief over samenwerking.

Eind maart maakte het hoofdbestuur van de SGP bekend dat de regels waaraan staatkundig-gereformeerde kiesverenigingen moesten voldoen in het geval van lokale samenwerking met de ChristenUnie soepeler zouden worden toegepast. Op verzoek van de kiesvereniging zou een com­missie van drie hoofdbestuursleden (Kolijn, Zevenbergen en Van Belzen) kunnen oordelen dat van een of meer criteria mocht worden af­ge­­weken, en in die zin het hoofdbestuur adviseren. Wat betreft de positie van de vrouw betekende dit – aldus algemeen voorzitter Kolijn – dat wanneer een vrouwelijke kandidaat van de ChristenUnie via voor­keurstemmen gekozen werd of na verloop van tijd via opvolging in de gemeenteraad kwam, de SGP niet meer automatisch de samenwerking met de Unie zou opzeggen. De commissie zou dan in samenspraak met de kiesvereniging alle belangen afwegen, waarbij ook de mate van weer­stand in de SGP-kiesvereniging tegen vrouwelijke raadsleden van de ChristenUnie zou worden betrokken.

Ondanks deze versoepeling ontstonden er toch problemen ten aanzien van de electorale samenwerking met de ChristenUnie. Op 23 november keurde het SGP-hoofdbestuur vier samenwerkingsovereenkomsten af, in de gemeenten Amersfoort, Zoetermeer, Enkhuizen en Gorinchem. De reden voor dit besluit was het feit dat er ChristenUnie-vrouwen op direct-verkiesbare plaatsen stonden. Deze afkeuring was volgens Kolijn niet in strijd met de eerder dit jaar afgekondigde versoepeling, want deze had geen betrekking op vrou­welijke raadskandidaten op direct-verkiesbare plaatsen. De vier kies­ver­e­nigingen vonden het standpunt van het hoofdbestuur niet consequent nu ChristenUnie-vrouwen via voorkeurstemmen en opvolging eventueel wel in de raad mochten komen, maar niet via een direct verkiesbare plaats. Na overleg met de kiesverenigingen handhaafde het hoofdbestuur zijn besluit. Uit teleur­stelling zegde wethouder H. Akkerman uit Gorinchem zijn partijlid­maatschap op. In Enkhuizen stapte onder meer het staatkundig-gerefor­meerde raadslid D. van Pijkeren naar de ChristenUnie over; op de kandidatenlijst van zijn nieuwe partij werd hij meteen op de tweede plaats gezet. De kiesvereniging van de SGP in Enkhuizen riep haar achterban op bij de komende raadsverkiezingen op de ChristenUnie te stemmen. In Amersfoort legden de vier bestuursleden van de kiesvere­niging hun functie neer; ook zij adviseerden hun achterban om Chris­tenUnie te gaan stemmen. SGP-burgemeester B.J. van Putten uit Putten – broer van de bekende voorvechter binnen de partij voor een gelijke positie van de vrouw in de SGP, mevr. H. Grabijn-Van Putten – beëin­dig­de zijn lidmaatschap.

Begin december legden ook twee leden van het hoofdbestuur hun func­tie neer. Eén van hen was de vice-partijvoorzitter, de hervormde pre­di­kant J.H. van Daalen. Hij stond weliswaar achter het partij­stand­punt dat het regeerambt de vrouw niet toekwam, maar meende dat de SGP niet in de rechten van een andere partij moest treden. Van Daalen bleef wel lid van de SGP. Ook Van Belzen trad terug als lid van het hoofdbestuur. Hij vond onder meer dat wanneer de SGP-aanhang klein was, er in samenwerking met de ChristenUnie toch veel kon worden bereikt.

Op 9 december stelde een groep staatkundig-gereformeerde wethouders en raadsleden – verenigd in het Beraad Christelijke Politiek – voor dat het hoofdbestuur de afhandeling van de vrouwenkwestie zou overdragen aan een commissie van wijze mensen. Het bestuur had in dezen het morele gezag verloren en het leek erop dat het er niet meer op eigen kracht kon uitkomen. Kolijn betwijfelde of dit standpunt van weliswaar ‘gezichtsbepalende SGP-ers’ wel leefde in de volle breedte van de partij (Reformatorisch Dagblad, 9 december 2005). De algemeen voorzitter van de SGP was dan ook niet van plan voor de uitgeoefende druk te zwichten.

Eveneens op 9 december sprak partijleider Van der Vlies zich in het openbaar over de ontstane situatie uit. Hij meende dat de partij er niet meer omheen kon ‘ernstig te overwegen de verantwoordelijkheid voor de kandidaatstelling te leggen bij de plaatselijke kiesverenigingen’ (Reformatorisch Dagblad, 9 december 2005). Hij gaf daarbij aan dat hij als adviseur van het hoofdbestuur dit standpunt herhaaldelijk had inge­nomen. Tegelijk nam Van der Vlies het hoofdbestuur in bescherming door er onder andere op te wijzen dat veel partijgenoten het als zeer moeilijk zouden ervaren als in een politiek orgaan een vrouw namens hen het woord zou voeren.

In een spoedvergadering op 12 december schortte het hoofdbestuur het besluit tot afwijzing van de vier samenwerkingsverbanden op. Een com­missie van vier bestuursleden kreeg het mandaat rechtstreeks met de vier kiesverenigingen afspraken te maken, met de uitdrukkelijke intentie de lijstineenschuivingen toe te staan. Kolijn deelde mee dat Van der Vlies in dit besluit ‘een zware stem’ had gehad (NRC Handelsblad,14 december 2005). De algemeen voorzitter kondigde ook aan dat er een nieuwe samen­werkingsrichtlijn zou komen, tegelijkertijd met de afron­ding van de discussie in de partij in 2006 over de plaats van de vrouw in de politiek en in de SGP zelf. Wat betreft die samenwerking met de ChristenUnie was de ‘denkrichting’ nu om het hoofdbestuur wel een adviserende stem toe te kennen, maar de uiteindelijke beslissings­be­voegd­heid bij de kiesverenigingen te leggen (Reformatorisch Dagblad, 13 december 2005).

De herziening van het afwijzende besluit door het hoofdbestuur leidde overigens in Amersfoort en Enkhuizen niet tot herstel van de samen­werking tussen ChristenUnie en SGP. In Gorinchem daarentegen kwam er wel een gemeenschappelijke lijst tot stand, en trad wethouder Akkerman weer toe tot de SGP. Ook in Zoetermeer gingen de Unie en de staatkundig-gereformeerden alsnog gezamenlijk in zee.

Van de kant van de ChristenUnie wees directeur H. van Rhee van het landelijk bureau erop dat de partijlijn was dat op lokaal niveau met de SGP kon worden samengewerkt als de plaatselijke ChristenUnie maar vrij was in het samenstellen van haar kandidatenlijst, waarbij de oproep van de landelijke Unie om meer vrouwen op deze lijsten te krijgen onverkort van kracht bleef. Begin december verbrak de ChristenUnie in Hilversum het 23 jaar oude gemeenschappelijke optreden bij de raads­verkiezingen, onder meer omdat men dacht dat de Unie nu zelfstandig een zetel zou kunnen behalen.

internationale contacten

Ook in 2005 was de Werkgroep Oost-Europa van de SGP weer betrok­ken bij activi­teiten gericht op het stimuleren van politiek bewustzijn in Oost-Europa. De projecten werden gesubsidieerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken. De hoofdmoot van deze projecten werd gevormd door – veelal meerdaagse – conferenties en zomerkampen, waar mede van SGP-zijde lezingen werden verzorgd. In Hongarije werd onder meer een jongerenkamp van 16-19 augustus 2005 gehouden over het thema ‘het gezin in een veranderende wereld’. In Roemenië – waar met name de Hongaarse minderheid de doelgroep is – vonden tien bijeenkomsten plaats, waaronder een driedaagse conferentie van 12 tot 14 mei voor studenten over Europese integratie, en een tweedaagse bijeen­komst op 28 en 29 oktober over abortus, gen-technologie en euthanasie.

verwante instellingen en publicaties

Het hoofdbestuur van de SGP organiseerde op 2 december de jaarlijkse conferentie in samenwerking met de verschillende geledingen in de partij (zoals het wetenschappelijk bureau) alsmede de Tweede-Kamer­fractie. Onderwerp was het rapport De islam in huis. Een politieke positiebepaling, dat was geschreven op initiatief van de Tweede-Kamer­fractie (met als auteur fractiemedewerker E.J. Brouwer). In de door het hoofdbestuur goedgekeurde publicatie stelde de SGP dat zij moslims als volwaardige staatsburgers beschouwde, maar ook dat ‘om principiële en historische redenen de islam in Nederland niet een zelfde bescherming mag genieten als het christendom’. Onder anderen Van der Staaij hield een inleiding.

Het wetenschappelijk bureau van de SGP, de Guido de Brès-Stichting, organiseerde in 2005 twee conferenties. Op 5 april was het onderwerp ‘De eerste christenen als voorbeeld. Lessen uit de vroege kerk’. Er werd gesproken door A. van de Beek, hoogleraar theologie aan de Vrije Universiteit en R. Bisschop, historicus en SGP-gemeenteraads- en Statenlid. Op 3 oktober werd geconfereerd over het thema: ‘Theocraten aan het stuur’, over de mogelijkheden en beperkingen voor theocrati­sche politiek in een democratisch bestel. In het panel zaten naast Van der Staaij het christen-democratische Eerste-Kamerlid H.E.S. Woldring en B. Levering, lid van de Provinciale Staten in Utrecht voor de PvdA. De De Brès-Stichting organiseerde in samenwerking met onder meer de wetenschappelijke instituten van het CDA en de ChristenUnie op 22 juni een conferentie over biotechnologie in de landbouw. Verder liet het wetenschappelijk bureau van de SGP naast de hierboven reeds vermelde lezing van Van der Staaij twee brochures het licht zien. In De betekenis van levensbeschouwing voor het onderwijs werden de inleidingen gepubliceerd die waren gehouden op de gelijknamige, door de De Brèsstichting georganiseerde conferentie op 16 december 2004 (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 93). De tweede publicatie was De ene school is de andere niet: over de brede school, geschreven door de aan het wetenschappelijk bureau verbonden G. van der Hoek.

Voorlichting en Vorming organiseerde op 19 september in Gouda een congres voor lokale bestuurders, met als thema ‘Integrale veiligheid’. Minister Remkes zette het kabinetsbeleid in dezen uiteen; SGP-burge­meester S. Stoop van Dirksland gaf een reactie uit de praktijk.

De SGP-jongeren hielden op 1 april hun jaarvergadering. Op 22 april organiseerde de jongerenorganisatie van de SGP in Gouda een congres over het onderwerp ‘Vrede over Israël’. Daar werd ook een zogeheten Infoschets met dezelfde titel gepresenteerd. Op 23 juni werd – evenals in 2004 – de ‘Haagse debatavond’ belegd. Behalve door het Tweede-Kamerlid Van der Staaij werd daar een bijdrage geleverd door zijn collegae J.N. Dubbelboer (PvdA) en B. van der Ham (D66). Op 5 november hielden de SGP-jongeren een bijeenkomst over terrorisme, en op 16 december over ‘De toekomst van de SGP’. Hier spraken van SGP-zijde Bisschop en Van Bemmel, en verder de directeur van de Edmund Burke Stichting B.J. Spruyt en de voorzitter van de Jonge Democraten R. de Vries. De SGP-jongeren publiceerden ook nog de Infoschets Stamcellen, het geneesmiddel voor de toekomst? Een morele en politieke beoordeling, van de hand van A.A. Teeuw.

personalia

Op 10 april overleed plotseling J. Mulder, de directeur van de Guido de Brès-Stichting, het wetenschappelijk bureau van de SGP. Hij had vanaf 1987 de leiding van dit instituut gehad. Mulder was ook een stimulator en deelnemer aan het debat in zijn partij over de vraag hoe de SGP in de huidige samenleving haar theocratische uitgangspunten tot uitdrukking moest brengen (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 89).

Laatst gewijzigd: 1 25-11-2020 12:01:21