Nederlandse Middenstandspartij/Nieuwe Middenpartij partijgeschiedenis

De Nederlandse Middenstandspartij (NMP) werd opgericht in september 1970 door drie ondernemers, Martin Dessing, Ab te Pas en H. Kamping. De NMP wilde in de eerste plaats ‘een betere, recht­vaardiger en aanvaardbare lastenverdeling voor Onderne­mers, Zelfstandigen en Middenstanders’, aldus haar verkiezingsprogramma. Daarbij keerde de partij zich vooral tegen ‘staatsdirigisme’ en bureaucratie, inflatie en anarchie. Op 28 april 1971 won de NMP twee zetels in de Tweede Kamer, maar binnen een jaar brak er een hevig conflict uit tussen de beide Kamerleden, Te Pas en Jacques de Jong. De Jong scheid­de zich af en voerde bij de (vervroegde) Kamerverkiezingen van 29 november 1972 de Democratische Middenpartij (DMP) aan. Noch deze partij, noch de NMP haalde daarbij een zetel. Binnen de NMP brak vervol­gens ruzie uit tussen Te Pas en Kamping enerzijds en Dessing ander­zijds, waarbij de rechtbank in Amsterdam Dessing in het gelijk stelde.

Van de NMP werd vervolgens weinig meer ver­no­men. Dessing echter nam op 21 mei 1986 opnieuw deel aan de Tweede Kamerverkiezingen, als lijstaanvoerder van de Partij voor de Middengroepen (PvdM). De doelstellingen van deze partij waren bijna letter­lijk dezelfde als die van de NMP. Ze kreeg 0,2% van de stemmen, te wei­nig voor een Kamerzetel, en verdween vervolgens van het to­neel.

In 1995 wekte Dessing de NMP weer tot leven. Het electo­raal succes van de ouderenpartijen bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1994 leek een hoopgevend signaal voor een partij als de NMP (telefonisch interview met Dessing, 21 december 1998). De partij trok opnieuw onderne­mers aan, maar bleef kleiner dan 25 jaar eerder: telde ze toen naar eigen zeggen ruim 2500 leden, nu waren het er ongeveer 1200. Dessing noemde zijn partij ‘sociaal maar niet socialistisch, liberaal maar niet libera­listisch’, maar toonde een onmiskenbare voor­keur voor samenwerking met de VVD (liefst onder leiding van Hans Wiegel) boven die met andere partijen. Het verkiezingspro­gram bevatte een tiental kernpun­ten: sanering van de staats­schuld door verkoop van overheidsgebouwen, verlaging van loon- en inkom­stenbelas­ting en 1000 gulden ineens voor armoegezin­nen, verla­ging van de benzineprijs, lastenverlaging voor het midden- en kleinbe­drijf, een perso­neelsstop bij de overheid, geen beper­kin­gen voor Schiphol, een waardevaste AOW, extra geld voor thuis­zorg, een strin­gent toelatingsbeleid voor asielzoekers, extra geld voor veiligheid en verlaging van de ontwikkelings­hulp met 0,5%. De meest urgente problemen waren in de ogen van de partijtop armoedebe­strijding, veilig­heid en vreemdelin­genbeleid.

De NMP herhaalde in haar tweede leven niet het succes van 1971. Met 23.512 stemmen (0,27%) bij de Tweede Kamerverkiezingen van 6 mei 1998 kwam de partij niet in de buurt van een zetel. Ze leek eind 1998 een onge­wisse toekomst tegemoet te gaan, ook vanwege interne span­ningen die de partij voor de tweede keer in haar bestaan parten speelden.

Niettemin nam de partij in 2002 opnieuw aan de Tweede Kamerverkiezingen van 15 mei deel, nadat ze haar naam gewijzigd had in Nieuwe Middenpartij, eveneens tot NMP afgekort. Om haar deelname te financieren, had ze een lening voor vijf jaar tegen vijf procent rente uitgeschreven, met de belofte dat elke honderdste lener de tegenwaarde van 49.800 gulden in euro’s terug zou krijgen(NRC Handelsblad, 14 juli 2001, advertentie). In augustus verbood De Nederlandse Bank deze lening, omdat de NMP geen bankvergunning bezat. Toch slaagde de partij er in, circa 100.000 euro voor de verkiezingscampagne bij elkaar te brengen (telefonisch interview met Dessing, 6 december 2002).

Partijvoorzitter Dessing zocht echter ook een lijsttrekker. Hij had al in 2000 Pim Fortuyn gepolst, maar die voelde daar toen niet voor. Te elfder ure, in maart 2002, diende zich een kandidaat aan: Jos Bron, bouwkundig adviseur en sinds 1999 Statenlid in Noord-Holland voor Nederland Mobiel. Vanwege onenigheid binnen deze partij zocht hij een alternatief en vond die in de NMP. Beide partijen verzetten zich fel tegen een mogelijke kilometerheffing voor automobilisten, alsmede tegen rekeningrijden en soortgelijke heffingen.

Het verkiezingsprogramma van de NMP bestond verder uit eisen als: stopzetting van de geldverslindende Betuwelijn, ontmoediging van (economische) asielzoekers, gratis openbaar vervoer voor ouderen buiten de spitsuren; extra geld voor veiligheid en thuiszorg; strenger kwaliteitscontrole ambtenaren; een strenger WAO-beleid. Hoewel niet expliciet ideologisch, zou het programma toch conservatief-liberaal genoemd mogen worden. Partijvoorzitter  Dessing verheelde niet zijn sympathie voor de vroegere VVD-leider Wiegel en was zelf in Laren lid van de gemeenteraad voor de VVD.

De NMP moest campagne voeren in de schaduw van Fortuyn, die met zijn partij Lijst Pim Fortuyn (LPF) aan de Tweede Kamerverkiezingen van 15 mei deelnam. De NMP was verontwaardigd over de campagnestop die de gevestigde partijen na de moord op Fortuyn (op 6 mei) afspraken. Naast advertenties had de NMP vooral affiches verspreid, met name op sportscholen en in de kermisbranche, waar de lijsttrekker goede contacten zei te hebben. Het resultaat viel echter tegen: 2305 stemmen (0,02%), slechts een tiende van het in 1998 behaalde aantal.

Dessing stond  bij de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november 2006 op de tiende plek van de zogeheten ‘Blanco Lijst’, die bestond uit kandidaten van zes kleine partijen en zeven andere organisaties. Deze hadden een convenant gesloten omdat ze zelfstandige deelname aan de Kamerverkiezingen niet goed mogelijk of niet wenselijk achtten. De Blanco Lijst haalde een paar duizend stemmen.

Laatst gewijzigd: 1 05-02-2020 11:44:17