PvdA jaaroverzicht 1999

Uit: B. de Boer, P. Lucardie, I. Noomen en G. Voer­man, 'Kroniek 1999. Overzicht van de partijpolitieke gebeurte­nissen van het jaar 1999' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 1999 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2000), 13-92, aldaar 60-69.

inleiding

Men zou voor de PvdA 1999 een jaar van consolidatie en bescheiden innovatie kunnen noemen. De partij koos een nieuwe voorzitter, die echter geen drastische vernieuwing voorstond. Op landelijk niveau zouden kenniscentra deskundigen binnen en buiten de partij bijeenbrengen. Op electoraal gebied behaalde de PvdA lichte winst bij de Statenverkiezingen en licht verlies bij de Europese verkiezingen.

partijvoorzitterschap

In 1998 had mevr. K.Y.I.J. Adelmund vanwege haar benoe­ming tot staatssecre­taris van Onderwijs het partijvoorzitterschap neer­gelegd. Vijf kandidaten verklaarden zich in december van dat jaar bereid de vacature te vervullen, maar één daarvan trok zich al spoedig terug. Het partijbestuur sprak een voorkeur uit voor zowel mevr. M. van Hees als voor het duo L. Booij en E. van Bruggen (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 68). Deze kandidaten voerden een vrij felle campagne, waarbij veel afdelings­bijeenkom­sten bezocht werden. Booij en Van Bruggen, historici die de jongerenbeweging Niet Nix hadden opgericht en het Vlugschrift van de PvdA hadden geredigeerd, kregen veel sympathie van vooraanstaande partijleden, zoals de voorzitter van de Tweede Kamer mevr. J. van Nieuwenhoven, staatssecretaris F. van der Ploeg en de oud-ministers E. van Thijn en mevr. M. de Boer. Een aantal van deze bekende partijleden wekte in een open brief de afdelingen van de partij op, het duo te steunen. Van Hees hekelde deze 'ouderwetse' bemoeienis van de partijtop (de Volkskrant, 18 februari 1999). Ideologisch leek er weinig verschil te ontdekken tussen de kandidaten. Van Hees legde echter meer nadruk op de formele partijdemocratie en wilde de controle van de partij op de kamerleden versterken, terwijl Booij en Van Bruggen de kamerleden meer zelfstandigheid gunden. Zij verweten Van Hees dat zij zich ten onrechte ook als vernieuwer presenteerde, terwijl ze al jarenlang lid was geweest van het partijbestuur en dus medeverantwoordelijk voor de toestand die ze nu wenste te veranderen. De twee overige kandidaten, J. Jetten en W. Koning, kwamen er in de campagne amper aan te pas. Jetten trok zich op het laatste moment alsnog terug. Op het congres, dat op 20 februari plaatsvond, versloeg Van Hees haar rivalen met een duidelijke meerderheid (740 tegen 451 stemmen). Enkele aanhangers van Booij en Van Bruggen dreigden teleurgesteld de partij de rug toe te keren, maar het tweetal zelf toonde zich bereid de nieuwe voorzitter te steunen.

partijcongres

Het congres koos op 20 februari overigens niet alleen een par­tijvoorzitter, maar ook andere leden van het partijbestuur. Het dagelijks bestuur werd uitgebreid tot tien leden. Eerste vice-voorzitter werd het Tweede-Kamerlid mevr. M.I. Hamer, tweede vice-voorzitter en internationaal secretaris A. Pinto-Scholtbach, partijsecretaris L. Labruyere en penningmeester J. van Ingen Schenau.

De voorzitter van de Tweede-Kamerfractie, A.P.W. Melkert, sneed in zijn congresrede enkele 'rechtse' thema's aan, zoals vei­lig­heid op straat en woningbezit. Hierbij zette hij zich vooral tegen de 'sociale bleekneusjes' van de VVD af door 'sociale kwa­liteit' en gelijkheid van kansen te benadrukken (PRO, februari 1999).

vluchtelingenbeleid

Melkert had op het congres een pleidooi gehouden voor een scher­per asielbeleid, waarbij afgewezen asielzoekers daadwer­kelijk het land uitgezet zouden worden (in plaats van 'gedoogd'), ook indien ze niet terug konden keren naar het land van herkomst. Het con­gres steunde hem hierin en verwierp een motie van de Jonge Socia­listen, de jongerenorganisatie van de PvdA, om het huidige (gedogende) beleid te handhaven.

In de partij en zelfs in de Tweede-Kamerfractie was de gedachte­wisseling over dit onderwerp hiermee echter nog niet afgesloten. In het voorjaar organiseerde het partijbestuur een twintigtal discussies in de afdelingen, waaraan naar schatting 1.500 leden deelnamen. Het slotdebat vond plaats in Amsterdam op 28 juni. Vooral in de grote steden bleken veel PvdA-leden het vluchte­lingenbeleid te hard te vinden. Uitgeprocedeerde asielzoekers die niet meer welkom waren in hun land van herkomst zouden een per­manente verblijfsver­gunning moeten krijgen in plaats van opge­sloten en uitgezet te worden, vonden veel deelnemers aan de discussie. Het partijbestuur ging niet zover, maar drong er wel bij het kabinet op aan om ingeburgerde 'witte illegalen' (dat wil zeggen: vreemdelingen die bijna aan de voorwaarden voor een ver­blijfsvergunning voldoen) te legaliseren.

Provinciale Statenverkiezingen

Bij de Statenverkiezingen ging de PvdA iets vooruit: van 142 naar 154 zetels. De bescheiden winst stelde veel partijleden teleur. In­tern klonk kritiek op het leiderschap van Melkert, waarbij ook zijn standpunt over asielzoekers als schadelijk werd gezien. De kersverse partijvoorzitter Van Hees vroeg om nader onderzoek naar de verkiezingsuitslag en suggereerde dat de partij een duide­lij­kere linkse koers diende te varen. Het Tweede-Kamerlid F.J.M. Crone weet de geringe winst niet zozeer aan eigen falen, maar meer aan het feit dat GroenLinks naar het politieke midden was opge­schoven.

De PvdA kon haar electorale winst bij de collegevorming verzilveren in een extra aantal gedeputeerden: 27 in plaats van twintig (in 1995). De sociaal-democraten namen in alle provincies aan het college van Gedeputeerde Staten deel.

beginselprogramma

Het congres had in februari besloten dat een nieuw beginsel­programma in 2001 vastgesteld zou moeten worden. De afge­vaar­digden volgden hiermee het advies van de in 1997 inge­stelde commissie onder voorzitterschap van de hoog­leraar W.J. Witte­veen. De commissie achtte in haar in oktober 1998 gepre­senteerde notitie De rode draden van de sociaal-democratie herziening van het beginsel­programma van 1977 wenselijk (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 68). Dezelfde commissie diende nu een ontwerp voor te bereiden. Premier Kok nam in september (in het televisiepro­gramma 'Netwerk') een voorschot op de discussie met de opmerking dat het nieuwe beginselprogram zich niet meer voor een republiek en in het algemeen niet over de staatsvorm diende uit te spreken.

kenniscentra

Het februaricongres had ook ingestemd met de oprichting van een zestal kennis­centra, die het partijbestuur in de nota Nieuwe uitdagingen had voorgesteld. Dit zouden landelijke netwerken van deskun­digen moeten zijn, zowel partijleden als niet-leden, die de fracties in Eerste en Tweede Kamer en Europees Parlement zouden 'voeden' met informatie en adviezen op hun terrein (ruimte en milieu, onderwijs en cultuur, sociaal-economisch en financieel beleid, zorg en welzijn, buitenlands beleid en binnen­land en justitie). Elk kennis­centrum zou door een partijbestuurder en een Tweede-Kamerlid wor­den 'getrokken'. Vanaf 1 juni zou een mede­werker, J. van Zuylen, de kennis­centra coördineren. In totaal meldden zich ruim 5.000 leden aan voor de kenniscentra. Op 16 oktober vond in Utrecht de eerste bijeenkomst plaats van een kenniscentrum, waarbij over onderwijs gesproken werd. Ook de overige centra hielden in de herfst hun eerste bijeenkomst.

Eerste-Kamerverkiezingen

In het najaar van 1998 had het partijbestuur de ontwerp-kandida­tenlijst voor de Eerste-Kamerverkiezingen opgesteld (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 69). Het partijcongres van begin februari stelde deze definitief vast. Overeenkomstig het voorstel werd de hoogleraar vrouwen- en ont­wikkelingsstudies mevr. G. Lycklama à Nijeholt als lijsttrekker aangewezen.

Bij de verkiezingen voor de senaat ging de PvdA er één zetel op vooruit. In afwijking van gemaakte afspraken brachten Gelderse Statenleden bij de verkiezing van de Eerste Kamer een voorkeurs­stem uit op twee provinciege­noten, T.R. Doesburg en R. Rab­binge, die daarmee senator werden. Het partijbestuur betreurde deze actie, temeer daar nu minder vrouwen in de Eerste Kamer gekozen werden dan voorzien. De Gelderlanders wensten echter niet toe te geven aan de druk van de partijtop om hun zetels ter beschikking te stellen, omdat zij het van groter belang vonden dat ook hun provincie in de Senaat vertegenwoordigd zou zijn.

kabinetscrisis

De kabinetscrisis (zie in deze Kroniek onder 'hoofdmomenten') lokte verschillende reacties uit binnen de PvdA. Melkert toonde een duidelijke voorkeur voor 'lijmen' van het kabinet, evenals partijvoorzitter Van Hees. Adelmund sloot niet uit dat haar partij ook zonder D66 zou blijven regeren met de VVD. M.A.M. Wöltgens, oud-voorzitter van de Tweede-Kamerfractie en nu senator, zag meer heil in nieuwe verkiezingen en hoopte dat daarna een kabinet gevormd zou kunnen worden met GroenLinks, D66 en desnoods CDA (Vlugschrift, 22 mei 1999).

parlementaire enquête Bijlmerramp

In april presenteerde de parlementaire enquête-commissie die de door het in 1992 neergestorte El-Al vliegtuig in de Bijlmermeer veroorzaakte ramp had onderzocht, haar eindverslag (zie in deze Kroniek onder 'hoofdmomenten'). Bewinds­lieden, waaronder minister-president Kok, reageerden meteen kritisch op de conclusies van de commissie. PvdA-leden als oud-minister (en oud-burgemeester van Amsterdam) Van Thijn en het Tweede-Kamerlid W. Gortzak vonden die reactie 'erg onverstandig' respectievelijk 'te snel' (Vlugschrift, 24 april 1999).

De Tweede-Kamerfractie sloot zich na enige aarzeling echter aan bij het standpunt van het kabinet, dat de enquête geen politieke consequenties zou hebben: verantwoordelijke ministers hoefden niet alsnog af te treden. Het kamerlid R. van Gijzel, die een zeer stimulerende rol had gespeeld bij het besluit tot de enquête, en R. Oudkerk, PvdA-kamerlid en vice-voorzitter van de enquête-commissie, stemden begin juni als enigen mee met de oppositie voor een motie die het aftreden van de minister van Volksgezond­heid, E. Borst-Eilers, had kunnen bewerkstelligen. De motie werd ver­worpen. Van Gijzel verborg zijn teleurstelling niet, maar onder­nam verder geen stappen.

Twee fractieleden die anoniem wensten te blijven, leverden kri­tiek op de rol die Oudkerk bij de enquête had gespeeld, in het bijzonder zijn aanval op minister Borst. Oudkerk, Van Gijzel en enkele andere kamerleden bleken op hun beurt ontevreden over het leiderschap van fractievoorzitter Melkert in deze zaak (de Volks­krant, 12 juni 1999). Melkert zou bewindslieden teveel de hand boven het hoofd houden en discussies te snel afkappen. Hun kri­tiek gold niet alleen de discussie over de Bijlmerramp, maar ook over de gevolgen van vergiftiging van kippen met dioxine (in juni), waarbij staatssecretaris mevr. G.H. Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij niet adequaat zou zijn opgetreden.

Kosovo

De kwestie-Kosovo liet de PvdA evenmin onberoerd (zie in deze Kroniek onder 'hoofdmomenten'). Op 6 april be­sprak het partijbestuur de zaak op een bijeenkomst in Utrecht, die aanvan­kelijk een besloten karakter zou hebben maar waar uiteindelijk toch ook pers werd toegelaten. Th. Apostolou nam als enige Tweede-Kamerlid van de partij stelling tegen de NAVO-bombar­dementen op Servië. Ook andere aanwezigen pleitten voor (tijde­lijke of definitieve) stopzetting van de luchtacties, maar over het algemeen overwoog de steun voor het standpunt van kabinet en fractie. De discussie werd hiermee niet afgesloten. Zo vond op 17 mei weer in Utrecht een debat plaats tussen Apos­tolou en zijn fractiegenoot M. Zijlstra, die het regerings­standpunt verdedigde. Op 11 juni stond Kosovo ook centraal in een discussie over de internationale rechtsorde in Amsterdam, onder leiding van het oud-kamerlid H.J. van den Bergh, waarbij naast het Tweede-Kamerlid B. Koenders ook vertegenwoordigers van de Hon­gaarse Socialistische Partij en de Sozialdemokratische Partei Deutsch­lands (SPD) het woord voerden.

PvdA-delegatie in het Europees Parlement in opspraak

De campagne voor de verkiezingen van het Europees Parlement van 10 juni stond grotendeels in het teken van fraude en corruptie in de Europese instellingen. Ook de PvdA werd beschuldigd van 'vriendjespolitiek' en oneigenlijk gebruik van Europese gelden. In zijn boek over het Europees Parlement, Europese idealisten, schreef de journalist J. Dohmen dat de PvdA-delegatie in dat parlement onder meer in 1994 een half miljoen gulden aan onkos­tenvergoedingen in de verkiezingskas van de partij had gestort, via de Anne Vondeling Stichting (AVS). Bovendien zou men opdrach­ten voor grafische ontwerpen bij voorkeur aan de zoon van Euro­par­lementariër mevr. H. d'Ancona hebben verleend en zou zij zelf tot de parlementsleden behoren die regelmatig de presentielijst tekenden en daarmee een vergoeding opstreken zonder de betref­fende vergaderingen verder bij te wonen.

Begin april ontkende H. Junk van de AVS deze beschuldi­gin­gen; de zoon van D'Ancona zou gewoon­weg het beste werk hebben geleverd en de accountant van de stichting had geen onregel­matig­heden geconstateerd. Later in april kondigde de ambtelijk secretaris van de partij, J. Huige, niettemin nader onderzoek aan, dat hij samen met Europarle­mentariër A. Metten en het Amster­damse raadslid E. van der Laan zou verrichten. Begin juni moest men toegeven dat de AVS inder­daad geld voor onkostenvergoe­dingen voor leden van het Europees Parlement had doorgesluisd. G. van den Berge, tot februari direc­teur-generaal van het secretariaat van het Europees Parlement, achtte het gebruik van Europees geld 'oneigenlijk', maar merkte ook op dat de AVS zich doorgaans in zorgvuldigheid juist gunstig onderscheidde van soortgelijke instellingen in andere landen.

Europese verkiezingen

In het najaar van 1998 was het partijbestuur begonnen met de voorbereidingen voor de Europese verkiezingen (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 69-70). Het partijcongres van begin februari stelde de kandidatenlijst definitief vast. De afgevaardigden kozen de di­recteur van de ontwikkelingsorganisatie NOVIB en voormalig par­tijvoorzitter M.J. van den Berg tot lijstaanvoerder voor de PvdA-delegatie in het Europees Parlement. Van den Berg, destijds ge­zien als vertegenwoordiger van de linkervleugel van de partij, nam in de verkiezings­campagne enige afstand van zijn verleden, maar benadrukte wel de verschillen tussen zijn partij en CDA en VVD. In tegenstelling tot die partijen wilde hij dat de Europese Unie minder geld aan rijke boeren en meer aan arme stadswijken ging besteden.

Op 1 en 2 maart stelde het congres van de Partij van Europese Soci­aal-democraten (PES) in Milaan een manifest vast, dat voor alle aangesloten partijen als verkiezingsprogram voor de Europese verkiezingen diende. Het Tweede-Kamerlid F.C.G.M. Timmer­mans vond het ontwerp-manifest 'slappe hap',andere PvdA-ers lieten zich in gunstiger zin uit (Vlug­schrift, 6 februari 1999).

In het voorjaar gaf de Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de PvdA, samen met deze partij De achteloosheid voorbij. Een Europees engagement uit, ge­schreven door de hoogleraar J.W. de Beus en de publicist P. Scheffer. Met dit discussiestuk wilde het tweetal de discussie over Europese eenwording een nieuwe impuls geven.

Tijdens de verkiezingscampagne had Van den Berg zijn onge­noe­gen kenbaar gemaakt over de kandidatuur van voormalig VVD-leider Bolkestein voor de Europese Commissie. De PvdA bleek hierover verdeeld. Zo toonde J. Wallage, burgemeester van Groningen en voorheen fractievoorzitter in de Tweede Kamer, zich wel bereid Bolkestein te steunen. Op 4 juni hield de PvdA een 'Europadag' in Rotterdam, waarbij ook Kok en zijn Britse ambtgenoot Blair acte de présence gaven. Op 9 juni werd de campagne in Maastricht afgesloten.

Bij de verkiezingen moest de PvdA twee van haar acht zetels prijsgeven. De partij had verlies verwacht en toonde zich niet ontevreden met het behaalde resultaat. Wel was men verontrust over de lage opkomst. Op 28 juni hield de PvdA een symposium over de kwestie van de lage opkomst bij Europese en andere verkie­zin­gen. Oud-minister J.A. van Kemenade en de hoogleraar politieke wetenschappen R. Andeweg deden een aantal voorstellen om de opkomst te verhogen, die door Melkert welwillend werden ont­vangen. Zo wilde men kiezers op meer dagen en langs meer wegen laten stemmen – per post, mogelijk ook via internet.

belastingpolitiek

De vèrgaande herziening van het belastingstelsel die minister van Financiën G. Zalm (VVD) en staatssecretaris W.A.F.G. Ver­meend (PvdA) voor­bereid hadden, leverde ook stof voor debat in de PvdA. Op 19 juni vond in Amster­dam een conferentie over de plan­nen plaats. Directeur P. Kalma van de WBS had met de econoom B. Ja­cobs een kritische notitie geschreven, waarin zij het vooral be­treurden dat de voorgestelde vermogensrendements­heffing weinig rekening hield met draagkracht, en dat hypotheek­renteaftrek en pensioensparen opnieuw buiten discussie bleven. De partijtop was nogal ongelukkig met dit stuk. Fractievoorzitter Melkert zou de verspreiding ervan verboden hebben (de Volks­krant, 17 juni 1999). Partijvoorzitter Van Hees wilde het wel op de conferentie aan de orde stellen, maar dan naast een notitie van de fractie waarin de be­lastingplannen met meer welwillendheid besproken werden. Kalma beschouwde dit als pogingen tot censuur en trok zijn notitie ver­volgens in.

Op de conferentie klonk niettemin ook kritiek op het belasting­plan. De vice-voorzitter van de Tweede-Kamerfractie, J.P.C.M. van Zijl, pleitte onder meer voor een progressievere heffing op vermogensrende­ment en voor belastingvoor­delen voor gezinnen met kinderen. Van Hees kondigde een onderzoek aan naar aftrek­posten, waaronder de hypotheekrenteaftrek. Melkert verklaarde daar geen bezwaar tegen te hebben, mits het 'H-woord' geen 'OH-woord' zou worden (NRC- Handelsblad, 21 juni 1999).

Ook S. van Wijnbergen, PvdA-lid en secretaris-generaal van Economische Zaken, leverde kritiek op het belastingplan. Hoewel hij dit deed op een besloten bijeenkomst van belastingadviseurs, besteedde een aanwezige journalist er in De Telegraaf (op 24 september) aandacht aan. Voor Van Wijnbergen, die toch al een gespannen relatie met zijn minister, mevr. Jorritsma-Lebbink (VVD) had, was dit aanleiding zijn ontslag in te dienen.

minister Peper

Minister Peper raakte eind oktober in opspraak door een publi­catie in het Algemeen Dagblad (28 oktober 1999) waarin ano­nieme bronnen beweerden dat hij als burgemeester van Rotterdam (1982-1998) gemeenschapsgeld gebruikt zou hebben voor privé-doeleinden. De gemeenteraad van de Maasstad zou een onderzoek instellen. Peper noemde de beschuldigingen 'lariekoek' (de Volkskrant, 29 oktober 1999). Premier Kok verklaarde achter zijn minister te staan.

Niet Nix, Opschudding en LEF

De in 1996 opgerichte vernieuwingsbeweging Niet Nix, in zekere zin een concurrent van de JS, besloot eind september een samenwerkingsverband aan te gaan met de groep Opschudding bij D66, onder de naam LEF (zie ook in deze kroniek onder D66). De afkorting LEF stond voor: Liberté, Egalité, Fraternité (vrijheid, gelijkheid en broederschap: het motto van de Franse Revolutie van 1789). Op 20 december vierde Niet Nix zijn opheffing met een slotfeest in Amsterdam. LEF zou de fakkel van de politieke vernieuwing overnemen, maar dan onafhankelijk van bestaande partijen. Mevr. E. Mastenbroek, coördinator van Niet Nix, verklaarde dat die beweging veel had bereikt maar nu deel van het partij-establishment was geworden, en misbruikt werd als een excuus om het gebrek aan openheid en vernieuwing in de partij te verbloemen (de Volkskrant, 11 december 1999). Met Niet Nix zou ook het PvdA-Vlugschrift verdwijnen: op 11 december verscheen het laatste nummer

verwante instellingen en publicaties

In januari verscheen Natuur en sociaal-democratie. In de voet­sporen van Henri Polak. Het boek was de uitkomst van de discussie in de PvdA-werkgroep Milieu en Energie, en geschreven door M. Drees en J. Keessen.

De Tweede-Kamerfractie van de partij publiceerde in mei onder verantwoorde­lijkheid van M. Bussemaker, lid van de fractie, Het Sociale Europa. Uitdaging voor sociaal-democraten, waarin een Europees sociaal beleid verdedigd werd. In september gaf de fractie Een plan voor de krijgsmacht uit; in deze nota deed zij voorstellen om de krijgsmachtdelen beter te integreren en te richten op crisis- en vredesoperaties. In december liet de fractie in samenwerking met de PvdA-delegatie in het Europees Parle­ment een discussienota het licht zien over hervormingen van de Europese instellingen onder de titel PvdA-aandachts­punten voor de IGC-2000.

De Wiardi Beckman Stichting (WBS) hield samen met de Evert Ver­meer Stichting (EVS), de nevenorganisatie die zich bezig houdt met ontwikkelings­samenwerking, op 20 maart een confe­rentie over de toekomst van de financiële orde onder de titel 'Op weg naar de volgende crisis?'. Naast univer­sitaire des­kundigen uit ver­schillende landen voerden het Tweede-Kamerlid Crone en Euro­parlementariër Metten het woord.

De WBS publiceerde samen met de Alfred Mozer Stich­ting en het wetenschap­pelijk bureau van de Duitse zusterpartij SPD, de Friedrich Ebert Stiftung, de studie Troubled transition: Social Democracy in East Central Europe. How social democrats, after the collapse of communism, face the task of constructing capital­ism, van de hand van M. Dauderstädt, A. Gerrits en G.G. Márkus. De voorzitter van de Hongaarse Socialistische Partij, L. Kóvács, schreef een voorwoord voor het boek, dat de geschie­denis van sociaal-democratische en 'post-communis­ti­sche' partijen in Hongarije, Polen, de Tsjechische Republiek en Slowakije schetste en in een politicologisch perspectief plaatste. In oktober presenteerde de WBS het twintigste Jaarboek voor het democra­tisch socialisme aan premier Kok. Bij deze gelegenheid waar­schuwde de oud-hoogleraar en ondernemer A. van der Zwan tegen de 'derde weg' van het volkskapitalisme. Hij wilde de hervorming van de maatschappij weer op de agenda van de sociaal-democratie zetten. Kok wilde niet zo ver gaan, maar maakte zich wel zorgen over de toenemende neiging van kapita­listen zich op speculatiewinst in plaats van ondernemen te richten. Hij verklaarde dat in een vraaggesprek met Kalma en F. Becker (adjunct-directeur van de WBS), dat ook in het jaarboek was gepubliceerd.

Het Centrum voor Lokaal Bestuur (CLB) organiseerde op 2 oktober in Oss het jaarlijkse Festival van het Binnenlands Bestuur. Na toespraken van minister Peper en de voorzitter van het CLB, H.G. Ouwerkerk, vond een forumdis­cussie plaats over de benoe­ming van de burgemeester met deelname van twee Belgische en twee Nederlandse burgemeesters. De burgemeester van Leuven, L. Tobback, hield tevens de Wibautlezing, waarin hij vooruit trachtte te kijken naar het jaar 2025.

De EVS organiseerde op 17 april in Utrecht haar jaarlijkse Afrika-conferentie onder de titel 'De macht tot verandering'. Eregast en inleider was de oud-president van Mali, A. Toumani Toure. Minister E. Herfkens van Ontwikke­lingssamenwerking hield eveneens een rede. Verder gaf de EVS een brochure uit, getiteld Vluchten naar veiligheid en bestaanszekerheid.

De jongerenorganisatie van de PvdA, de Jonge Socialisten (JS), koos op haar congres in Maastricht op 10 en 11 april een nieuwe voorzitter: E. Bekkers volgde O. Ramadan op. Beiden richtten met enkele anderen in april de 'bende van de Rode Hand' op, die het partijbestuur kritisch ging volgen. Samen met de EVS en de PvdA organiseerde de JS op 23 oktober in Amsterdam een 'poli­tiek feest' met als thema 'The Power of Solidarity'. Op 6 en 7 november hield de JS haar najaarscongres in Rotterdam.

In maart richtte een aantal jonge vrouwen in de PvdA een nieuw netwerk op, 'Rode Dozen' genoemd. Zij verzetten zich tegen het 'slachtofferdenken' van oudere feministes en tegen positieve discriminatie. Aan het eind van het jaar richtten mevr. M. Dozeman en W. Scheerder de Rode Rotary op, bedoeld om inter­nationaal ondernemerschap vanuit de sociaal-democratische gedachte te bevorderen en een brug te slaan tussen politiek en bedrijfsleven.

personalia

In januari werd mevr. L. van Maaren-van Balen benoemd tot bur­gemeester van Leeuwarden, als opvolger van H. Apotheker (D66) die als minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in augustus 1998 tot het tweede kabinet-Kok was toegetreden.

Op 19 februari overleed H. Vos. Hij was van 1983 tot 1998 lid van de Tweede Kamer geweest; voordien was hij bestuurder van de Industriebond van NVV en FNV.

In april werd mevr. S. Stuiveling benoemd tot president van de Algemene Rekenkamer, als opvolger van H. Koning (VVD). Zij was op dat moment vice-president van dit orgaan.

In juni werd mevr. A. Brouwer-Korf, burgemeester van Amers­foort, benoemd tot burgemeester van Utrecht. Zij werd op 2 juli geïn­stal­leerd. Haar benoeming verliep niet rimpelloos: ze kreeg wel steun van de vertrouwenscommissie van de Utrechtse gemeente­raad, maar de Commissaris van de Koningin van de provincie, B. Staal, bleek voorkeur te hebben voor zijn partijgenoot J. Kohnstamm (zie verder in deze Kroniek onder D66).

J.M.M. Ritzen, oud-minister van Onderwijs, Cultuur en Weten­schappen, werd met ingang van 16 augustus benoemd tot vice-president van de Wereldbank, belast met ontwikkelingsbeleid.

Op 1 oktober overleed W. Polak, staatssecretaris van Binnen­landse Zaken in het kabinet-Den Uyl (1973-1977) en burge­meester van Amsterdam van 1977 tot 1983.

Laatst gewijzigd: 1 19-11-2020 16:19:39