PvdA jaaroverzicht 1995

Uit: J. Hippe, P. Lucardie en G. Voerman. 'Kroniek 1995. Overzicht van de partijpolitieke gebeurte­nissen van het jaar 1995' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 1995 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1996), 14-91, aldaar 62-71.

inleiding

De PvdA zette in 1995 de vernieuwing van de partij voort, waarbij spannin­gen niet uitbleven. De verkiezingen voor Pro­vinciale Staten en Eerste Kamer brachten de sociaal-democraten opnieuw enig ver­lies. De politiek leider van de PvdA, minis­ter-president W. Kok, mocht zich volgens de opiniepeilingen echter in een groeiende populari­teit verheu­gen.

partijcongres

Op 4 maart kwam het congres van de PvdA bijeen in Maastricht. De belang­rijkste onderwerpen waren de wijziging van het huis­hou­delijk regle­ment en de kandidatenlijst voor de Eerste Ka­mer. De voormalige voorzitter van de Europese Commissie, de Franse sociaal-democraat J. Delors, sprak het con­gres toe. Minister-president Kok verdedigde in zijn rede het internati­o­nalisme en het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Voorts uitte hij kritiek op de 'bijna oppositionele toon' van VVD-fractie­voorzitter Bol­kest­ein in de Tweede Kamer. Kritiek op de VVD-leider leverde ook de voorzit­ter van de Tweede-Kamer­fractie, J. Wallage. Deze pleitte daarnaast voor verhoging van de uitkeringen voor sociale minima en nam daarbij afstand van minister Wijers van Economische Zaken (D66).

F. Rottenberg en R. Vreeman werden herkozen als voorzitter respectievelijk vice-voorzitter van de partij; er waren geen tegenkandidaten. Het partijbe­stuur bestond nu uit tien vrouwen en vier mannen.

Provinciale Statenverkiezingen

Bij de Provinciale Statenverkiezin­gen ging de PvdA van 166 naar 142 zetels (zie tabel 1). De PvdA bleef slechts in Groningen en Drenthe de grootste partij. In Gro­ningen droeg wellicht de persoonlijke campagne van lijsttrekker G. Beuke­ma, die groten­deels te voet de provincie door trok, bij tot beper­king van het verlies tot één zetel.

Premier Kok weet het resultaat aan de lage opkomst en aan onpopulaire maat­regelen van het kabinet. De toekomst zag hij echter optimistisch te­gemoet: 'Kom over drie jaar maar eens terug' raadde hij journalisten aan (NRC-Handelsblad, 13 maart 1995). Fractievoorzitter Walla­ge pleitte voor behoud van de eigen stijl, maar ook voor loyali­teit aan het kabinet. Minister Pronk verwoordde waar­schijnlijk de mening van de linkervleugel van de par­tij met zijn reactie: 'We zullen een eigen socialis­tisch gezicht moeten plaatsen tegen­over het dualistisch popu­lisme van Bol­kestein' (NRC-Handels­blad, 9 maart). Ook de vice-voor­zitter van de partij, Vreeman, pleitte voor een scher­pere sociale koers.

deining in Drenthe

Op 9 januari werd oud-minister van Defensie A.L. ter Beek geïnstalleerd als Commissaris van de Koningin in Drenthe. Hij volgde mevr. M. de Boer op, die minister van Volkshuisves­ting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer was geworden. Hoewel Ter Beek een geboren Drent is, stuitte zijn benoe­ming in december op grote weerstand bij de Provinciale Staten. Een vertrou­wens­commissie van de Staten had unaniem een andere kandidaat voorgedra­gen. De fractievoorzitter van de PvdA in de Staten, me­vr. A. Edelen­bosch-van Houten, liet haar ongenoe­gen over de Haagse inmen­ging openlijk merken.

De onvre­de binnen de Drentse PvdA uitte zich vervol­gens na de Staten­verkiezingen, die zij in was gegaan onder leiding van het in Havelte woon­achtige Tweede-Kamerlid L.P. Mid­del. Tegen de gewekte ver­wachtingen in werd Middel na de verkie­zingen niet gekozen in de Gedeputeerde Staten; de helft van de frac­tie gaf de voor­keur aan zijn voorgangster, mevr. Edelen­bosch-van Houten, en aan de vroegere gedeputeerde H. Wegge­mans. Mid­del liet het niet op een stemming aankomen maar trok zich te­rug. Inspannin­gen van het gewestelijk bestuur en van de als bemid­delaar aangestelde Groningse burgemeester H. Ouwer­kerk konden de fractie niet van standpunt doen verande­ren. In no­vember nam Middel afscheid van de Statenfractie.

Eerste-Kamerverkiezingen

Op 10 december 1994 presenteerde partijvoorzitter Rotten­berg de ontwerp-kandidatenlijst voor de Eerste Kamer. De lijst was voor het eerst niet door de gewesten opgesteld maar door een landelijke kandidaten-commissie onder leiding van S. Patijn, burgemeester van Amsterdam (zie Jaarboek 1994 DNPP, blz. 66). Van de zestien zittende senatoren kregen er slechts vier een verkies­bare plaats op de lijst. Sommige waren hierover zeer verbol­gen. Voor twee onver­kiesbaar gestelde kamerleden, W. van de Zandschulp en M. Pit, werden voorkeursacties gevoerd.

Het partijcongres stelde op 4 maart de lijst vast. Van de Zand­schulp steeg naar een verkiesbare zevende plaats, zijn col­lega Pit bleef op een onverkies­bare 29e plaats staan. De rest van de lijst werd zonder belangrijke wijzigin­gen goedge­keurd.

De aanhangers van Pit legden zich echter niet bij het congres­besluit neer. Zij zagen in hem een noodzakelijk tegenwicht tegen de liberale stroming in de PvdA en een vertegenwoordiger van het onderbedeelde Gelderland. Dank zij voorkeurstemmen van Gelderse Statenle­den kwam hij op 29 mei alsnog in de Eerste Kamer, tot grote verontwaardiging van de partijtop en de door hem gepasseerde kandidaat P.R. Stoffelen, een voormalig Twee­de-Kamerlid. Pit weerstond echter de druk die op hem werd uitge­oefend om zijn zetel alsnog ter beschikking te stellen.

De PvdA verloor twee van haar zestien zetels in de senaat (zie tabel 2). H.D. Tjeenk Willink, de voorzitter van de Eerste Kamer die de lijst van de PvdA aange­voerd had, werd opnieuw tot voorzitter geko­zen dank zij de steun van de VVD, die als grootste fractie gewoontegetrouw het recht had een voorzitter te leve­ren maar daarvan afstand deed. De Leidse hoogleraar J.Th.J. van den Berg werd voorzitter van de frac­tie. G.J.J. Schinck, zijn voorganger, be­hoorde tot de zittende leden die niet herkies­baar gesteld waren.    

partijtop en partijvernieuwing

De partijtop van de PvdA maakte in 1995 soms een verdeelde indruk. De par­tijvernieuwing, ook in 1995 doorgezet door voorzitter Rottenberg, wekte weerstand binnen de partij.

Oud-partijbe­stuurder en socioloog B. Tromp verweet Rotten­berg als een Romeinse dictator de partijdemocratie uit te hollen en teveel aandacht te schenken aan meningsvorming en discussie. Hij uitte zijn kritiek eerst in het wetenschappe­lijk partij­blad Socialisme en Democratie (februari 1995) en vervolgens in een debat dat op 25 februari in Amster­dam gehou­den werd. Rotten­berg meende dat Tromp te veel vast­hield aan een verou­derd partijmo­del. 

In april vertrok de hoofdredacteur van het ledenblad Pro, E. Bosman, ook uit onvrede met het beleid van Rottenberg. Deze ver­weet Bosman een ge­brek aan 'commitment' en aan belangstel­ling voor de partijorganisatie in al haar vertakkingen. Naast het officiële ledenblad startte Rottenberg in februari het PvdA-Vlug­schrift, 'een fax voor sympathisanten en criticasters van de Partij van de Arbeid', dat in een oplage van vierdui­zend exem­plaren via fax, post en Internet verspreid werd. Het bevatte korte bijdragen van vooraanstaande leden over uiteen­lopende actuele onder­werpen.

Na de Staten­verkiezingen in maart leverde Rotten­berg kritiek op de manier waarop Wallage de Tweede-Kamerfractie leidde en debatten in de kamer voerde. In augustus hekelde Wallage voor Radio West de ver­nieuwingsdrift van Rottenberg en raadde hem aan om gewone leden meer bij de partij te betrekken. In novem­ber erkende Wallage dat er spanningen bestonden tussen hem en Rottenberg; hij vond de partijvoorzitter 'springerig' en soms 'knap las­tig' in een interview met Vrij Nederland (18 novem­ber 1995). Wallage beschouwde politiek als een ambacht, Rot­tenberg als een experiment. De fractievoorzitter deed de span­ningen tussen hen echter af als 'klein bier'. Rottenberg noemde op zijn beurt Wallage een goede fractieleider maar ook een 'schoolmeester' die een 'parafencultuur' in stand zou houden (Vrij Nederland, 25 november 1995). Kok nam Wallage in be­scher­ming en orga­niseerde een gesprek met de twee tegen­spe­lers, waarin zij uiteindelijk afspraken verder samen te blij­ven werken.

Vreeman, de vice-voorzitter van de partij, steunde in het algemeen het vernieuwingsstreven van Rottenberg maar nam soms afstand van hem. Zo deelde hij niet de kritiek op Wallage en toonde hij minder waardering voor het CDA dan de partijvoor­zitter. Vreeman nam echter wel deel aan gesprek­ken met voor­aan­staande leden van het CDA die onder auspiciën van het Trefpunt voor politiek en levensbeschouwing in de PvdA in 1995 plaats vonden.

Progressieve Volkspartij

Oriënteerden Rottenberg en Vreeman zich op het CDA, P. Kalma, de di­rec­teur van de Wiardi Beckman Stichting (WBS) - het wetenschap­pe­lijk bureau van de PvdA - pleitte samen met de publicist P. Schef­fer en de Groningse hoogle­raar sociale filosofie J. de Beus - schrij­ver van het verkie­zings­pro­gram van de PvdA in 1994 - in NRC-Handelsblad op 30 september voor een fusie van PvdA, D66 en Groen­Links, mede om tegenwicht te bieden aan de groeiende VVD. De partijtop van de PvdA reageer­de koel op dit betoog, evenals trouwens die van D66 en Groen­Links. In een debat in Amsterdam op 1 oktober toonde alleen VVD-leider Bolkestein enig enthousi­asme voor het fusieplan. Rot­tenberg wilde niet alleen met D66 en Groen­Links maar ook met progres­sieve delen van CDA en VVD samenwerken. Wallage was even­eens bereid tot samenwerken maar niet tot fuseren: 'Ik ben niet op mijn achttiende lid geworden van een club om die op te heffen... Bovendien: er zit nog genoeg leven in de oude kat' (de Volks­krant, 30 september 1995). D66-voor­zitter Vrij­hoef vond het 'zonde om alle energie te gaan steken in de vorm' en ook senator J. Glastra van Loon, D66-er van het eerste uur, meen­de dat progressieve samen­werking beter buiten de partijor­ganisa­ties om kon geschieden. A. Harrewijn, de voorzitter van Groen­Links, en het Tweede-Ka­merlid voor Groen­Links mevr. M.B. Vos deelden wel de mening van Kalma c.s. dat pro­gressieve samenwerking nodig was om het 'conserva­tieve mate­ria­lisme' van de VVD te bestrij­den, maar vreesden dat een gezamen­lijk mini­mumprogram 'voor GroenLinks wel erg mini­maal zou worden' (NRC-Han­delsblad, 14 oktober). Zij wezen fusie dan ook af.

sociaal-democratie en liberalisme

Premier Kok stemde ook in met Kalma, De Beus en Scheffer dat een te­gen­beweging vereist was tegen het opko­mend liberalisme, vooral voor het behoud van een sterke publieke sector. In zijn Den Uyl-lezing op 11 decem­ber in Amsterdam sprak hij de ver­wach­ting uit dat de toekomst bepaald zou worden door de strijd tussen twee visies, liberalisme en sociaal-democra­tie. Die sociaal-democratie zou echter vooral steun moeten zoeken in het poli­tieke midden. Anders dan minis­ter Pronk verwierp Kok het socialisme als ideologie; de pre­mier noemde het 'afschud­den van ideologische veren... een bevrijdende ervaring' voor zijn partij (NRC-Handelsblad, 12 december 1995). Zijn toe­komstbeeld van twee strij­dende visies ontmoette terstond kri­tiek vanuit CDA en D66, die zich beide genegeerd voelden.

voorbereiding congres februari 1996

In september 1995 verschenen drie discussienota's als voorbe­reiding op het congres in februari 1996. De eerste, geti­teld De PvdA en de stad, was ge­schreven door een commissie onder leiding van R. Welschen (burgemees­ter van Eindhoven); de conclusie luidde dat stedelijke problemen met betrekking tot werkgelegenheid, onderwijs, volkshuisvesting en veiligheid integraal aangepakt dienen te worden. De tweede nota, De sociale staat van Neder­land, was opgesteld door een com­mis­sie onder leiding van partij­voorzitter Rottenberg; zij pleitte voor verbreding van het begrip 'arbeid' en activering van burgers rond sociale zekerheid en zorg. De derde nota, De wonder­baarlijke terugkeer van de solidariteit was van de hand van Kalma, de directeur van de WBS. De laatst­genoemde nota bevatte duidelijke kritiek op het kabinet-Kok, dat teveel nadruk zou leggen op financieel beleid en in het bijzonder op bezuinigingen en lastenver­lichting. Kalma vroeg meer aandacht voor milieubehoud, collectieve voorzieningen, een ontspannen arbeidsbestel en actief burger­schap in de vorm van nieuwe rechten voor werknemers en consu­menten.

De partijtop distan­tieerde zich terstond van de nota van Kalma. Wallage noemde het rapport 'de soci­aal-democratie onwaardig' (Vrij Nederland, 18 november 1995). Rottenberg kon de mening van Kalma evenmin onder­schrij­­ven, maar verdedigde de nota wel als bij­dra­ge aan de dis­cussie. Kok leek aanvankelijk nogal ontstemd over de publi­ka­tie, maar prees haar later ook als 'aanzet tot dis­cus­sie'.

Kok sprak deze woorden op een 'congresconferentie' van de partij in Amsterdam op 4 november, waar de drie nota's bespro­ken werden als aan­loop naar het partijcongres in februari 1996. Rottenberg legde in zijn toespraak op de conferentie nadruk op vier thema's voor de toekomst: versterking van de democratie, bestrijding van armoede, financiering van het onderwijs en volkshuisvesting. Hij besprak voorts de uitkom­sten van een enquête onder partijleden, waaruit bleek dat een meerderheid het kabinet-Kok positief waardeerde, ondanks twij­fels over bezuinigingen en privatise­ring. Een meerderheid van de leden zou een harder beleid voorstaan ten opzichte van werklozen die banen weigeren en gebruikers van hard drugs, al wilde men soft drugs legaliseren.

In de herfst vormden de drie nota's ook op lokaal niveau on­derwerp van dis­cussie, in afdelingsvergaderingen of in de vorm van een 'open huis'. Het partijbestuur verwerkte de uitkom­sten ervan in een ontwerpresolutie voor het komende congres, die ver­spreid werd onder de titel Ideeën voor de toe­komst. Voorge­steld werd onder meer te streven naar een 'basisbaan' voor alle arbeids­geschikte burgers, waarbij ook vrij­willigers­werk en zorg voor familieleden of vrienden gehono­reerd zou moeten worden - in de vorm van een uitkering. Wie elke 'basis­baan' zou weigeren, zou geen volledige uitkering meer verdienen. Naast herverdeling van arbeid werd ook herverde­ling van ruimte voorgesteld; in buur­ten zouden verschillende func­ties en woningtypen meer gemengd dienen te worden. Het partijcongres van febru­ari 1996 diende zich over de ontwerpresolutie uit te spreken.

partijbijeenkomsten

Op 16 september vond in Amsterdam een discussie plaats over het thema 'seksuele integriteit en rechtsbescherming', naar aanlei­ding van de gelijkna­mige studie van de commissie Over­heid en seksu­ele integriteit. Deze com­missie was door het partijbestuur al in 1989 inge­steld. In deze uitvoerige studie kwamen verschillende aspecten van wetgeving op zedelijk en seksueel gebied aan de orde. De voorzitter van de commis­sie, de juriste mevr. W.J.C. Swil­dens-Rozen­daal, lichtte het rap­port toe, waarna verschillende deskundi­gen commentaar gaven.

Op 24 september ging minister J.M.M. Ritzen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in Utrecht in debat met studenten over het hoger onder­wijs. Aan bod kwamen vooral de uitbreiding van het hoger onderwijs en de ver­vanging van universiteits- en hogeschoolra­den door een medezeggen­schaps­raad met beperktere bevoegdheden. Laatstgenoemde maatre­gel ontmoette veel kritiek van studenten. Ook het Tweede-Kamerlid J.P. Rehwinkel bleek weinig te voelen voor dit plan van zijn partijge­noot.

Op 18 november hield de PvdA een conferentie in Utrecht over vrouwen en sociale uitsluiting, onder de titel 'Van participa­tie verzekerd'. Minister A. Melkert van Sociale Zaken, K. Adel­mund en R. Vreeman spraken de conferen­tie toe.

Op 25 november had de PvdA in Amsterdam een debat georgani­seerd over 'Het veilig stellen van de AOW: een zaak van jong en oud'. Premier Kok nam een rapport in ontvangst, getiteld De AOW van overmorgen. De auteur, het Tweede-Kamerlid J.P.C.M. van Zijl, stelde hierin voor om vanaf 1998 extra premie te heffen voor een speciaal fonds om de AOW welvaarts­vast te houden; AOW-ers met pensioen zouden daaraan mee moeten beta­len. De Algemene Neder­landse Ouderen­bond (ANBO) en de Protes­tants-Christe­lijke Ouderenbond (PCOB) reageerden positief op het plan, evenals coalitie­genoot D66.

Rooie Vrouwen verdwijnen

De vrouwenorganisatie van de PvdA hield op 11 februari in Utrecht haar laatste congres, dat was voorbereid op een dis­cussiebijeenkomst op 14 januari. De Rooie Vrouwen stemden in met een voor­stel van het Landelijk Bestuur om niet meer als vrouwen­organisa­tie op te treden, maar zich in de partij te integreren. Het bestuur zou aftreden, zonder echter de organi­satie formeel op te heffen. Het Rooie Vrouwen Magazine zou in september voor het laatst verschijnen. De partij had toegezegd door middel van het project ROSA bijzondere aandacht te blij­ven besteden aan werving en bege­leiding van vrouwen in de partij - evenals overigens van allochto­nen en jonge­ren. Een aantal oudere Rooie Vrouwen had aanvanke­lijk bezwaar tegen het voor­stel, maar ging akkoord nadat een amendement van C. van den Heuvel (oud-voor­zitter van de vrou­wenorganisatie en van de PvdA) was aangeno­men dat een 'vrou­wenkenniscentrum' opgericht zou moeten worden binnen de par­tij.

Aan het eind van 1995 verscheen Twintig jaar Rooie Vrouwen. Een bewe­ging in beeld, van de hand van I. van Dijk en Th. van der Linden. Hierin werd de geschiedenis van de vrouwenorgani­satie en haar voorgangsters, de Vrouwenbond en het Vrouwencon­tact, in vogelvlucht beschreven.

verwante instellingen en publikaties

R. Vreeman publiceerde in 1995 over zijn politieke ervaringen als vice-voorzitter van de partij het boek Zonder rood geen paars. Kantte­keningen van een sociaal-democraat.

De WBS organiseerde op 3 april een bijeenkomst in Den Haag over de ver­zorgingsstaat. De vice-voor­zitter van de Tweede-Kamerfractie mevr. K.Y.I.J. Adel­mund stelde in haar toespraak voor dat werklozen langer een WW-uitkering zouden ontvangen, des­noods op een lager niveau, om te voor­ko­men dat ze een beroep moeten doen op de algemene bijstand.

Op 1 juni presenteerde de WBS de studie De verplaatsing van de politiek, waarin drie wetenschappers - M. Bovens, W. Derksen en W. Witteveen - samen met Kalma en zijn collega F. Becker be­toogden dat de politiek het primaat in de samenle­ving verlo­ren had; de macht lag niet zozeer in Den Haag maar was ver­spreid over een groot aantal instanties: ambtena­ren, regio­nale besturen, de Europe­se Unie, de rechterlijke macht, maatschappelij­le organisaties en ten slotte de privé-sfeer van de individuele burger. Volgens de auteurs was het onmoge­lijk deze verschui­ving van macht on­gedaan te maken, maar kon wel de verantwoording van machthebbers beter geregeld worden, door middel van speciale enquêtes, hoorzit­tingen voor ambtena­ren, referenda en vrijheidsrechten voor werkne­mers.

De jongerenorganisatie van de PvdA, Jonge Socialisten (JS) hield op 25 juni een congres in Nijmegen rond het thema 'ver­rechtsing van jongeren'. Als gastsprekers traden onder meer de schrijver G. Boomsma en het Tweede-Kamerlid van de SP, R.J.L. Poppe, op.

Op 16 september nam de JS deel aan een jongerenconferentie van de PvdA in Tilburg onder de titel 'Op weg naar de 21ste eeuw'.

Mede uit onvrede over verhoging van collegegelden en bezuini­gingen op onderwijs en studiefinanciering richtte de JS begin 1995 samen met de Jonge Democraten (de jongerenorganisatie van D66), de FNV-jongeren en organi­saties van studenten en scho­lieren een Algemeen Jonge­ren­ver­bond op. JS-voor­zit­ter T. van Dekken ontkende overi­gens dat dit verbond zich tot een poli­tieke partij voor jonge­ren zou willen ontwikkelen.

Op 26 november vond een congres van de JS plaats in Lei­den. De jongeren behandelden hier de drie rapporten die de grondslag vormden voor het komend partijcongres.

Het Centrum voor Lokaal Bestuur (CLB) organiseerde op 11 februari een festival Binnenlands Bestuur in Utrecht, waarbij tevens het startsein werd gegeven voor de verkiezingscampagne voor de Provinciale Staten. Staatsse­cretaris mevr. A.G.M. van de Vonder­voort van Binnenlandse Zaken hield een rede, evenals Wal­lage en Rotten­berg. Op 23 september organiseerde het CLB een studiedag in Amsterdam waar burgemeester S. Patijn de Wibaut-lezing hield. Patijn pleitte voor een 'expe­rimenteer-artikel' in de grondwet om meer flexibiliteit bij bestuurlijke vernieuwing mogelijk te maken.

Het CLB publiceerde in 1995 in samenwerking met de WBS drie studies. In Gemeentefinanciën stelde oud-wethouder P. Borde­wijk onder meer voor, meer lokale belastingen te heffen en bij het Gemeentefonds meer rekening te houden met verschillen tussen arme en rijke gemeentes. De brochure Plan­nen en bou­wen van de hand van R. van Hoeve en H. Tijl vroeg meer aan­dacht voor volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en grondpo­litiek. In Bestuur en bijstand beschreef A. Schuurman, medewerker van het CLB, de veranderingen in de Algemene Bij­standswet en met name het 'activerend beleid' dat gemeenten zouden moeten gaan voeren ten aanzien van bijstands­gerechtig­den.

De Evert Vermeer Stichting (EVS) houdt zich binnen de PvdA bezig met ontwikkelingssamenwerking. Op haar congres in Amers­foort op 25 februari besloot zij zich meer te richten op in­ternatio­naal milieubeleid. Voorzitter P. van Dijk werd opge­volgd door H. van de Vlist, lid van Gedeputeerde Staten in Zuid-Holland. Op 13 mei hield de EVS een conferentie 'Hulp in beel­d', waarbij minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken (D66) en minis­ter Pronk van Ontwikkelingssamenwerking het woord voerden.

Op 28 oktober vond in Amsterdam een debat plaats over de herijking van het buitenlands beleid onder de titel 'Paars en de grenzen van de internatio­nale solidariteit', georganiseerd door de EVS samen met de Alfred Mozer Stichting - die zich binnen de PvdA bezig houdt met Midden- en Oost-Europa -, de sociaal-democratische fractie in het Europees Parlement en het inter­nationaal secretariaat van de PvdA. Naast Rotten­berg en Scheffer leverde ook het Tweede-Kamerlid voor de VVD F.W. Weis­glas een bijdrage aan de discus­sie.

Het Opleidingsinstituut van de PvdA hield op 8 april in Rot­terdam een studiedag over de binding tussen partij en jonge­ren. Als gastspreker ver­scheen W. de Knijff, hoofd van de EO-jongerenorganisatie Ronduit. M. Damen, die de JS vertegenwoor­digde, zag echter weinig heil in een EO-benadering en meende dat de PvdA jongeren beter meer invloed in de partij kon geven.

De delegatie van de PvdA in het Europees Parlement organiseer­de op 8 juli in Amsterdam een discussie over de toekomst van Europa, waarbij onder meer partijvoorzitter Rottenberg het woord voerde.

personalia

In april werd oud-burgemeester H.W. Riem van Brunssum vrijge­sproken van de aanklacht van corruptie. De gemeentesecretaris en wethouders van Brunssum werden in november eveneens vrijge­sproken van medeplichtigheid in deze zaak.

Op 11 mei overleed I. Samkalden. Hij was van 1967 tot 1977 burgemees­ter van Amsterdam. Daarvoor was Samkalden onder meer minister van Justitie in het derde kabinet-Drees (1956-1958) en het kabinet-Cals (1965-1966).

Op 29 juni overleed S.L. Mansholt, mi­nister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 1945 tot 1957 en lid van de Europese Commissie van 1958 tot 1973 - de laatste vijf maanden als voorzit­ter. Ook na zijn vertrek naar Brussel bleef Mansholt een belangrijke rol in de PvdA spelen, zij het vaak op de achtergrond. Na zijn pensionering hield hij zich vooral met de milieu-problematiek bezig.

Op 31 oktober overleed J. Kassies, lid van de Eerste Kamer van 1987 tot 1995 en daarvoor onder meer secretaris van de Raad van de Kunst van 1958 tot 1966). Tijdens de Tweede Wereldoor­log was hij actief in het kunste­naars­verzet tegen de Duitse bezet­ting.

Laatst gewijzigd: 1 19-11-2020 15:52:26