PvdA jaaroverzicht 1985

Uit: L. Koeneman, en G. Voerman, ‘Het Partijgebeuren. Kroniek van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 1985’ in: R. A. Koole en P. Lucardie (red.), Jaarboek 1985 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1986), 14-67, aldaar 51-56.

Evenals in het voorgaande jaar kregen in 1985 de opvolgingskwestie en plaatsing van de kruisraketten in de partij volop aandacht. Daarnaast gaven de gunstige electorale opiniepeilingen voldoende stof tot speculaties over een komende regering met PvdA. Volgens de peilingen van de eerste helft van het jaar zou de partij een winst van ongeveer vijftien zetels behalen, welke in de rest van het jaar terugliep tot ongeveer tien zetels.

lijsttrekkerschap

In augustus 1984 had Joop den Uyl verklaard in ieder geval tot de Tweede Kamerverkiezingen van 1986 fractievoorzitter te zullen blijven. In een later stadium zou hij duidelijkheid verschaffen of hij opnieuw beschikbaar was voor het lijsttrekkerschap. Partijvoorzitter Max van den Berg zei een half jaar later voor de VARA-televisie dat Den Uyl in 1986 de lijst van de PvdA weer zou moeten aanvoeren. Hij noemde Den Uyl het symbool van het grote vertrouwen dat de PvdA bij de kiezers geniet. Van den Berg was van mening dat Den Uyl tijdig voor de verkiezingen van 1986 zijn besluit bekend zou moeten maken. Inmiddels bleek dat FNV-voorzitter en PvdA-lid Wim Kok beschikbaar was voor een functie in de partij. Naast Ed van Thijn en Jos van Kemenade werd ook Kok al enige tijd als mogelijke troonopvolger genoemd.

In juni maakte Kok op een persconferentie officieel bekend beschikbaar te zijn voor een plaats op de kandidatenlijst voor de PvdA. Toespelingen op een eventueel lijsttrekkerschap achtte Kok niet actueel zolang Den Uyl zelf nog geen duidelijkheid had verschaft. Wat hem betreft moest Den Uyl weer lijsttrekker worden. Eveneens in juni maakte het fractielid Marcel van Dam voor de VARA-radio bekend wel beschikbaar te zijn, indien Den Uyl zou besluiten van het lijsttrekkerschap af te zien. Deze uitlating werd hem niet overal in de partij in dank afgenomen. Een kleine rel ontstond toen kort daarna het PvdA-Kamerlid Aad Kosto in een interview in Vrij Nederland concludeerde dat hierdoor voor Den Uyl meer redenen dan ooit aanwezig waren zich herkiesbaar te stellen. Kosto noemde het op langere termijn fataal voor de partij wanneer Van Dam lijsttrekker zou worden. ‘Als partijleider zou hij het kader vernietigen, in zijn hoedanigheid van premier medebewindslieden bruskeren, van zich vervreemden, Van Dam is bot, plat, vertoont ook een grotesk gedrag.’ Deze naar buiten getreden partijruzie werd snel gesust, maar de interne partijrust, belangrijk voor electorale winst, was hiermee enigszins aangetast.

Den Uyl maakte voorgoed een einde aan alle speculaties door bij de presentatie van het ontwerpverkiezingsprogram in augustus bekend te maken wederom beschikbaar te zijn voor het lijsttrekkerschap. Dit hield onder andere voor hem in dat hij ‘alle lusten en lasten’ voor zijn rekening zou nemen: of weer vier jaar in de oppositiebanken of vier jaar de leiding van een PvdA/CDA-kabinet, waarbij het vicepremierschap minder zijn voorkeur zou hebben. Ofschoon Den Uyl hier over een PvdA/CDA-coalitie sprak, was al eerder duidelijk geworden dat de PvdA een combinatie met de VVD niet uitsloot. Gestreefd werd naar regeringssamenwerking met een partij, waarmee de meeste programmatische overeenkomst te bereiken zou zijn. Duidelijk was dat pas geregeerd kon worden, indien CDA en VVD samen minder dan 75 zetels zouden behalen. De eerder genoemde potentiële troonopvolger van Den Uyl, Marcel van Dam, nam aan het eind van het jaar afscheid van de landelijke politiek. Zijn Kamerlidmaatschap verruilde hij voor het voorzitterschap van de VARA.

kruisraketten

Het kruisrakettenstandpunt van de PvdA bleef ook in 1985 een actueel onderwerp, met name nu de Tweede Kamerverkiezingen naderden. Het absolute 'nee' tegen plaatsing van de 48 kruisraketten stond op gespannen voet met de wens van de PvdA tot meeregeren na de verkiezingen van mei 1986, zo werd binnen en buiten de partij opgemerkt. De regeringspartijen CDA en VVD hadden in hun ontwerpverkiezingsprogramma's uitgesproken het kabinetsbesluit van 1juni 1984 te onderschrijven. Volgens dit besluit zou de regering per 1 november 1985 tot plaatsing van de 48 kruisraketten overgaan, als de Sovjet-Unie per 1 november 1985 meer dan 378 SS-20-installaties operationeel zou hebben. Volgens defensiespecialist Klaas de Vries, en met hem de PvdA-fractie, zou een plaatsingsverdrag met Amerika strijdig zijn met de Grondwet indien Nederland geen medezeggenschap zou krijgen over de eventuele inzet van kruisraketten vanaf Nederlands grondgebied. In dat geval zou alleen een twee derde meerderheid van het parlement een plaatsingsbesluit kunnen nemen. De Vries noemde ook de mogelijkheid dat een nieuw kabinet (met de PvdA) een reeds gesloten verdrag zou wijzigen of opzeggen, indien alsnog strijdigheid met de Grondwet geconstateerd zou worden. Om de onderhandelingen over een nieuw kabinet na de verkiezingen niet meteen te laten stuklopen op de kruisraketten, bedacht de PvdA een ‘voetnootconstructie’. Een definitief standpunt over plaatsing zou pas in de loop van 1988 genomen hoeven worden (het jaar van plaatsing). Mocht de PvdA in een coalitie komen met CDA of VVD, dan zouden de PvdA-ministers met een voetnoot in het regeerakkoord kunnen duidelijk maken geen verantwoordelijkheid te nemen voor een besluit tot plaatsing.

CDA en VVD reageerden afwijzend op dit voorstel, zoals door Den Uyl eind november verwoord. De patstelling in deze kwestie bleek aan het eind van het jaar vooralsnog niet opgeheven, temeer daar het alternatief, een links meerderheidskabinet, door het partijbestuur minder gewenst werd. Een dergelijke optie zou kiezers uit CDA en VVD, die voor het eerst PvdA gingen stemmen, kunnen afschrikken.

partijcongres

Eerder in het jaar, tijdens het congres van de PvdA op 11, 12 en 13 april in Amsterdam, had partijvoorzitter Van den Berg in zijn congrestoespraak ferm benadrukt dat een regering met de PvdA de kruisraketten niet zou plaatsen: ‘Als ergens de geloofwaardigheid van de PvdA de komende jaren op de proef zal worden gesteld, en wat mij betreft de geloofwaardigheid van de Noord-Europese sociaaldemocraten, dan is het ons verzet tegen de nieuwe kernwapens. Wie daarop inlevert, verliest meer dan stemmen. Die mist de wellicht belangrijkste opdracht voor de sociaaldemocratie in de jaren tachtig en negentig.’ Het twintigste congres van de PvdA had Van den Berg voor de vierde (en naar zijn eigen zeggen laatste) keer voor een periode van twee jaar gekozen tot voorzitter van de partij. Aangezien een tegenkandidaat ontbrak, werd hij bij acclamatie gekozen.

Verder koos het congres het Tweede Kamerlid Stan Poppe opnieuw tot eerste vicevoorzitter, terwijl Ien Dales, eveneens Tweede Kamerlid, tot tweede vicevoorzitter werd gekozen. Oud-minister van onderwijs Van Kemenade, ook kandidaat voor beide functies, had het moeten afleggen tegen Poppe en Dales. Wel werd Van Kemenade gekozen als gewoon lid van het partijbestuur. Secretaris Wim van Velzen, internationaal secretaris Maarten van Traa en penningmeester Willem Vermeend werden zonder tegenkandidaten herkozen.

Het grootste gedeelte van de tijd besteedde het congres aan behandeling van de partijbestuursnota Sociaal—economische dilemma's die als basis moest dienen voor de economische paragraaf van het verkiezingsprogramma van de PvdA. In hoofdlijnen schaarde het congres zich achter deze nota. Opvallend hierin was dat van de overheid niet meer verwacht werd alles te zullen regelen. Het duidelijkst kwam dit naar voren bij de discussie over de te voeren strategie inzake arbeidstijdverkorting. Het partijbestuur stelde voor dat afspraken over arbeidstijdverkorting en herbezetting thuishoorden in een sociaal contract tussen overheid, werkgevers en werknemers. De overheid zou zich moeten onthouden van wettelijke regels. Wijzigingsvoorstellen in deze richting van onder andere de Rooie Vrouwen en de Jonge Socialisten, werden verworpen. Pas in het uiterste geval - wanneer het overleg tussen de CAO-partners volledig mislukte - zou de overheid moeten ‘overwegen of wettelijke maatregelen konden worden ingevoerd.’

Op het gebied van de inkomensvorming en de bescherming van de minima koos het congres een andere opstelling dan het partijbestuur. De oorspronkelijke formulering ‘De PvdA kiest niet voor een geleide inkomenspolitiek’ werd door het congres vervangen door: ‘De PvdA wijst een geleide inkomenspolitiek niet onder alle omstandigheden af’, waarmee de overheid duidelijker nog een eigen verantwoordelijkheid kreeg toebedeeld.

Tegen de zin van partijbestuur en fractie werd besloten dat de koopkracht van de minima, ook bij een neergaande economie, de komende jaren gegarandeerd moest worden. Partijbestuur en fractie hadden niet verder willen gaan dan ‘het zoveel mogelijk ontzien van de laagste inkomensgroepen’, maar ‘in economisch slechte tijden’ zou de PvdA niet bij voorbaat kunnen garanderen dat de koopkracht van de echte minima op peil gehouden zou kunnen worden. Ondanks de waarschuwing van Den Uyl dat bijvoorbeeld daling van het nationaal inkomen een dergelijke garantie onuitvoerbaar zou maken, besloot het congres met grote meerderheid tot bescherming van de minima. Onduidelijk bleef echter of de nieuwe tekst betrekking had op alle minima, of zich alleen beperkte tot de huishoudens die van één minimum moeten leven (de zogeheten echte minima).

Partijbestuur en fractie interpreteerden de congresuitspraak als een bescherming van de echte minima, maar toen Den Uyl in zijn slottoespraak het besluit ook zo uitlegde, werd hij door diverse congresgangers tegengesproken. Het laatste woord zou hierover nog niet gevallen zijn.

De Jonge Socialisten behaalden een overwinning op het standpunt van het partijbestuur dat nieuwkomers en jongeren op de arbeidsmarkt vooruit zouden moeten lopen op de invoering van de arbeidstijdverkorting. Deze 'discriminatie' van jongeren werd door het congres afgewezen.

De discussie over koopkrachthandhaving van de minima kwam twee maanden later terug op een partijraadsvergadering van de PvdA. In een geruchtmakend interview met Vrije Volk, had Den Uyl verklaard dat de koopkracht van de laagst betaalden in de volgende kabinetsperiode met vier tot vijf procent zou kunnen stijgen, indien de economische groei twee á drie procent zou zijn. Den Uyl erkende op de partijraad dat hij misschien ‘nauwkeuriger had kunnen wezen’ en stelde nu dat de partij haar prioriteit zou leggen bij koopkrachtverbetering van de minima, indien de economische groei de komende jaren op drie procent zou uitkomen. Hiermee gaf hij de partij de opdracht als belangrijkste intentie een economische groei van drie procent voor een aantal jaren na te streven. De eerdere congresuitspraak, dat bij economische achteruitgang de koopkracht van de minima in ieder geval beschermd diende te blijven, omzeilde Den Uyl met de opmerking: ‘ik heb congresuitspraken nooit gezien als een opdracht het verder denken stop te zetten.’

ontwerpverkiezingsprogramma

Op 17 augustus presenteerde het partijbestuur het ontwerpverkiezingsprogramma De toekomst is van iedereen. Sinds het aprilcongres was een ‘kopgroep’ bestaande uit fractievoorzitter Den Uyl, partijvoorzitter Van den Berg, de Kamerleden Thijs Wöltgens en Wim Meijer en partijsecretaris Van Velzen bezig geweest met het schrijven van de sociaaleconomische en financiële hoofdstukken. Deze groep had zich gebaseerd op de uitspraken van het congres. Het uiteindelijke ontwerpprogram was van tevoren in een tweedaagse bijeenkomst van fractie en partijbestuur definitief vastgesteld. Ten aanzien van de minima werd gesteld dat bij een tegenvallende economische ontwikkeling alleen de koopkracht van de echte minima gehandhaafd zou kunnen worden. De uitspraak van het congres dat koopkracht van ‘de’ minima gewaarborgd moest blijven, werd hiermee dus verengd tot de echte minima; conform de interpretatie van partijbestuur en Den Uyl.

Enkele andere punten uit het program:

- terugdringing van het financieringstekort per jaar met 0,5 procent;

- verkorting van de arbeidstijd bij overheid en bedrijfsleven tot 32 uur per week in 1990;

- bezuiniging van 7,5 miljard, te bereiken door bezuiniging bij defensie, minder steunverlening aan het bedrijfsleven en minder groei van de uitgaven voor Volksgezondheid;

- herstel koppeling tussen uitkeringen en lonen;

- handhaving van de koopkracht van de inkomens tot 60.000 gulden, ondanks het

inleveren ten behoeve van arbeidstijdverkorting.

In het program werd de eis losgelaten dat de bestaande kerncentrales zo snel als technisch mogelijk is, gesloten zouden moeten worden. In plaats daarvan werd gesproken over ‘versnelde sluiting’. Het tijdstip daarvan zou moeten afhangen van de financieel-economische mogelijkheden. In het najaar werd het ontwerpprogram besproken in de partijafdelingen, waarna het in februari 1986 definitief vastgesteld zou worden.

Laatst gewijzigd: 1 11-06-2021 12:28:35