Europese verkiezingen 2019: campagne

Nederlandse kiezers stemmen vóór Europa

Gerrit Voerman, 27 mei 2019

Waar ooit de Europese integratie in de Nederlandse politiek nauwelijks omstreden was, domineren al geruime tijd de reserves – ook in 2019. In januari van dit jaar gaf premier Mark Rutte te kennen dat hij de Europese verkiezingen ‘niet zo relevant’ vond; nationale verkiezingen waren belangrijker. Vlak voor de Europese verkiezingen nam de Tweede Kamer van het Nederlandse parlement met een tweederde meerderheid een motie aan waarin werd voorgesteld het streven naar een ‘ever closer union’ uit de Europese verdragen te schrappen, omdat deze zinsnede kon bijdragen aan ‘een onnodige en onwenselijke inperking van de soevereiniteit van lidstaten’. Tegen deze achtergrond speelde de campagne voor de Europese verkiezingen in Nederland zich af. Bij de regionale verkiezingen die twee maanden eerder waren gehouden, werd het populistische en eurosceptische Forum voor Democratie (FvD) (die in 2017 met twee zetels in de Tweede Kamer was gekomen) verrassend de grootste partij, vlak voor de conservatief-liberale VVD van premier Rutte. Mede op basis van opiniepeilingen ging iedereen er vanuit dat ook de Europese verkiezingen op een tweestrijd tussen deze partijen zouden uitdraaien. 

Aan de Europese verkiezingen namen achttien partijen deel (waarvan twee keer twee met een gemeenschappelijke kandidatenlijst), twee minder dan in 2014. Alle dertien in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen deden mee. Het merendeel staat (in uiteenlopende mate) positief ten aanzien van Europa: het links-liberale D66 en GroenLinks (GreenLeft) zijn uitgesproken pro-Europees, gevolgd door de PvdA (Labour), het christendemocratische CDA, de VVD, the senior party 50Plus en de migrantenpartij Denk.  Tot het (eveneens gevarieerde) eurosceptische blok behoren de orthodox-protestantse SGP en ChristenUnie, PvdD (Party for the Animals), SP (Socialist Party), PVV (Freedom Party) en FvD. Beide laatste partijen bepleitten een Nexit; FvD na een referendum. 

Hoewel twee Nederlandse politici Spitzenkandidat waren – Frans Timmermans (PvdA) van de Europese Sociaaldemocraten en Bas Eickhout (GroenLinks) van de Europese Groene Partij – leefden de Europese verkiezingen niet echt. Deels kwam dat door de onbekendheid van de lijsttrekkers. Uit opinieonderzoek bleek dat de kiezers de meesten nauwelijks kenden – wat ook komt doordat de Nederlandse partijen vrijwel nooit hun zwaargewichten kandideren. Uitzondering was Timmermans, vicevoorzitter van de Europese Commissie sinds 2014 en daarvoor minister van Buitenlandse Zaken. De PvdA-lijsttrekker was als enige bij een (ruime) meerderheid van de kiezers bekend. Een kwart kende D66-lijsttrekker Sophie in’t Veld; de overigen kwamen niet verder dan hooguit tien procent. 

Voor zover de verkiezingscampagne inhoudelijk werd gevoerd, ging het om thema’s als migratie, klimaat en een eventuele Nexit. Er kwam pas wat reuring toen de SP in een spotje Timmermans persoonlijk aanviel en hem afschilderde als een inhalige dictatoriale Brusselse bureaucraat, die van Europa een superstaat zou willen maken waarin Nederland zou verdwijnen. Deze vorm van negative campaigning, niet gebruikelijk in de Nederlandse politieke cultuur, lijkt de SP meer kwaad te hebben gedaan dan Timmermans. De vicevoorzitter van de Europese Commissie, die met al zijn ervaring  een sterke indruk maakte, sloeg niet terug maar bleef inhoudelijk campagne voeren. 


"Hans Brusselmans"-spot van de SP, voor de Europese Verkiezingen van 2019

Opvallend afwezig in de campagne was Geert Wilders van de PVV, die in de media geheel werd overvleugeld door  zijn rechts-populistische en eurosceptische concurrent Thierry Baudet van FvD. Deze kwam op controversiële wijze in het nieuws door een extreem-rechtse video te verspreiden waarin asielzoekers in verband werden gebracht met verkrachting en moord, en door het recht op abortus en euthanasie in twijfel te trekken. Baudet werd uitgedaagd tot een rechtstreeks debat door premier Rutte, die vreesde dat zijn VVD het net als bij de regionale verkiezingen kort daarvoor opnieuw tegen FvD zou afleggen. Hoewel Rutte daarmee een podium bood aan zijn populistische rivaal, hoopte hij door een tweestrijd te bevorderen de verkiezingen te winnen. Dit debat werd live op televisie uitgezonden op de avond voor de verkiezingen. Voorafgaand daaraan hadden de twaalf Europese lijsttrekkers met elkaar gediscussieerd, in wat in feite niet meer dan een voorprogramma was van de krachtmeting tussen twee nationale (en voor het Europees Parlement onverkiesbare) partijleiders. 

De uitslag van de Europese verkiezingen zorgden voor grote verrassingen. Niet de VVD of FvD werd de grootste partij, ondanks de door hen aangewakkerde tweestrijd, maar de door velen afgeschreven PvdA, met 6 zetels (een verdubbeling ten opzichte van 2014). Veel kiezers hadden vanwege Timmermans op deze partij gestemd, zo bleek uit onderzoek. Nog opmerkelijker was dat van de voorziene populistische aanval op het pro-Europese blok niets terecht is gekomen. De eurosceptische anti-establishment-partijen SP en PVV haalden zelfs de kiesdrempel niet en verdwenen uit het Europees Parlement, terwijl nieuwkomer FvD met 3 zetels winst bij de hooggespannen verwachtingen achterbleef.  De pro-Europese partijen behaalden 20 van de 26 zetels, 3 meer dan in 2014. Hun aandeel ging van twee derde naar ruim driekwart van het Nederlandse zeteltal in het Europees Parlement – de Nederlandse kiezers hadden vóór Europa gekozen. Ook brachten zij in groteren getale hun stem uit dan in 2014: de opkomst was bijna vijf procentpunt hoger en lag voor het eerst sinds 1989 weer boven de 40 procent (41,8%). 
 

Meer literatuur

Gerrit Voerman, 'Pro-Europese partijen winnen; eurosceptische partijen verliezen', in: De Hofvijver, jaargang 9, nummer 97 (Den Haag, Montesquieu Instituut), 27 mei 2019

 

Laatst gewijzigd: 1 29-05-2019 13:59:25