Boerenpartij partijgeschiedenis

geschiedenis

Aan de oprichting van de Boerenpartij in december 1958  waren twee jaren van voorbereiding vooraf gegaan. De totstandkoming werd bekend gemaakt in De Vrije Boer, het blad van de Landelijke Vereniging voor Bedrijfs-Vrijheid in de Landbouw, doorgaans afgekort als BVL, waartoe alle oprichters behoorden. Deze vereniging was al in 1946 opgezet als reactie op de toenemende overheidsbemoeienis met de landbouw. Onder leiding van Hendrik Koekoek maakte de BVL in de jaren vijftig naam met een soms fel verzet tegen het Landbouwschap, de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie die een centrale rol speelde in de door de overheid gestimuleerde schaalvergroting in de landbouw. Nadat de Boerenpartij bij de Tweede Kamer­verkiezingen van 1959 nog net naast een zetel greep, slaagde de partij er in 1963 wel in om in de Tweede Kamer te komen. De verrassende entree met drie zetels is dikwijls in verband gebracht met de incidenten in het Drentse Hollandscheveld begin maart 1963. Enkele ‘vrije boeren’ die hadden geweigerd hun belasting voor het Landbouwschap te betalen, werden toen onder het oog van de televisiecamera’s met geweld uit hun boerderijen gezet.

In de eerste jaren in de Tweede Kamer baarde ‘boer’ Koekoek opzien door zijn onconven­tionele, vaak als plat omschreven stijl en zijn scherpe oppositie tegen de regering. De Boerenpartij vond nu ook buiten kringen van de ‘vrije boeren’ aanhang. In 1966 behaalde de partij verrassend goede uitslagen bij de verkiezingen voor de gemeenteraden en Provinciale Staten. In Apeldoorn en Ede leverde de Boerenpartij zelfs wethouders, zij het kortstondig. In de zomer en herfst van 1966 ontstonden echter conflicten binnen de partij, als gevolg van het besmette oorlogsverleden van verschillende van haar gekozen vertegenwoordigers. Waarschijnlijk als gevolg van deze tweespalt leverden de Tweede Kamerverkiezingen in 1967 de Boerenpartij minder op dan was gehoopt. Met 4,8% van de stemmen kreeg de partij echter zeven Kamerzetels. Opnieuw ontstonden er ruzie binnen de partij. In juni 1968 royeerde Koekoek vier leden van zijn fractie, die als ‘groep-Harmsen’ verder zouden gaan en in 1971 als ‘Binding Rechts’ tevergeefs aan de Tweede Kamerverkiezingen zouden deelnemen. Bij die verkiezingen bleek de Boerenpartij veel kiezers verloren te hebben; alleen Koekoek behield zijn Kamerzetel.

Bij de vervroegde verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1972 maakte de Boerenpartij een kleine come back en kreeg zij drie zetels. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 1977 verloor de Boerenpartij wederom twee van de drie zetels, waardoor Koekoek weer als eenmansfractie verder moest. De publiciteit die hij in deze laatste termijn kreeg, betrof allerlei schandaaltjes en conflicten met justitie. Pogingen om het tij te keren door in 1981 de naam te veranderen in Rechtse Volkspartij (RVP), liepen op niets uit. In dat jaar lukte het Koekoek niet om met de RVP zijn Kamerzetel te behouden. Bij de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen een jaar later probeerde hij het weer, maar opnieuw bleef succes uit.

Met Koekoeks vertrek uit de Tweede Kamer in mei 1981 hield de Boerenpartij (alias de RVP) als landelijke partij feitelijk op te bestaan. In enkele gemeenten bleven wel nog enige tijd raadsfracties van de Boerenpartij bestaan; in de Gelderse gemeente Heerde zelfs tot op heden (mei 2012). Een poging om in 1993 wederom een landelijke Boerenpartij te vormen onder de naam Solidariteit Boerenpartij had weinig succes: de partij haalde bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 slechts 0,1% van de stemmen.

ideologische uitgangspunten en programmatische opvattingen

Door de nadruk die de Boerenpartij legde op vrijheid van ondernemen, een kleine overheid en lage belastingen, kan zij in economisch opzicht als een liberale partij worden aangemerkt. Het ideaal dat Koekoek voor ogen stond was een natie van kleine ondernemers – middenstanders en boeren –, die in hun activiteiten niet werden belemmerd maar juist geholpen door een kleine, efficiënte overheid. De sterke overheidsbemoeienis en hoge belastingdruk zag hij als een aantasting van de vrijheid en zelfs als een vorm van dictatuur, vergelijkbaar met die tijdens de Duitse bezetting of in het communistische Oostblok. Op andere terreinen kende de Boerenpartij eerder een conservatief en nationalistisch profiel: zij pleitte voor een harde aanpak van de criminaliteit, een sterk leger en de bestrijding van cultuuruitingen die tegen de christelijke grondslagen van de natie ingingen. De retoriek en stijl van de Boerenpartij was duidelijk populistisch: de partij voerde een felle, emotionele oppositie tegen de politieke elite die de bevolking zou misleiden en uitbuiten. Zij stelde daar een politiek tegenover waarin problemen met boerenwijsheid werden opgelost.

De Boerenpartij kende sinds 1965 een beginselprogramma, dat was geschreven door mr.dr. A. Zeegers, voormalig lid van de ARP en redacteur van het nationalistische blad Burgerrecht. In dit program wees de partij de volkssoevereiniteit af en erkende zij als uitgangspunt de soevereiniteit van God over al het geschapene. Op grond daarvan is de Boerenpartij wel als confessionele partij gekenschetst, maar daarmee wordt de status van dit beginselprogramma wellicht wat al te serieus genomen. Beter is het de ideologie van de Boerenpartij te karakteriseren als een mengeling van populisme, economisch liberalisme en sociaal-cultureel conservatisme. In de jaren zeventig zou de Boerenpartij als een van de eerste partijen ook de aanwezigheid van buitenlandse gastarbeiders kritiseren, echter zonder dat dit tot een programmatisch speerpunt uitgroeide.

organisatorische ontwikkeling

Over de organisatie van de Boerenpartij is weinig bekend. Statuten en een huishoudelijk reglement ontbreken, evenals een overzicht van het ledental. De gegevens die wel voorhanden zijn, rechtvaardigen het vermoeden dat de Boerenpartij altijd een bijzonder zwakke organisatie heeft gekend die bovendien vrijwel volledig door Koekoek en enkele getrouwen werd gedomineerd. In organisatorisch opzicht lijkt de Boerenpartij in de eerste jaren vooral het partijpolitieke verlengstuk van de BVL. Toch legde Koekoek daarnaast ook contacten buiten de landbouwkringen. Zo werkte de zijn partij vlak na de oprichting enige tijd nauw samen met de Partij van Vrije Burgers van de conservatieve journalist Jan Fabius, zonder echter dat van een organisatorische fusie sprake was.

Na het parlementaire debuut  in 1963 werd de Boerenpartij steeds meer het verzamelpunt voor alles wat zich rechts van de VVD en de confessionele partijen bevond. Als gevolg hiervan ontstonden spanningen over koers, organisatie en leiderschap van de partij. In 1965 royeerde Koekoek een aantal leden – onder wie Zeegers, die het beginselporgramma had geschreven –, omdat deze zijn leiderschap aanvochten. Na de electorale winst in 1966 en de daaropvolgende onthullingen over het oorlogsverleden van enkele partijleden laaide de kritiek op Koekoek wederom op. Een aantal leden richtte de zogeheten ‘Noodraad’ op. Dit actiecomité had als doel de gelederen van de Boerenpartij van ‘foute’ elementen te zuiveren en de partijorganisatie te professionaliseren en democratiseren, onder meer door de verkiezing van een nieuw partijbestuur. Koekoek, die zowel partijvoorzitter, Tweede Kamerfractievoorzitter en hoofdredacteur van het partijblad was, gaf geen gehoor aan deze wensen en zette op 11 oktober 1966 alle leden van de Noodraad uit de partij. Nog geen jaar later herhaalde dit patroon zich. Op 21 juni 1968 royeerde Koekoek vier van de zeven leden van de Tweede Kamerfractie, wederom na kritiek op het gebrek aan inspraak en organisatie in de partij. De geroyeerde leden – Evert Harmsen, Hubert Kronenburg, Wouter van Harselaar en Johan van de Brake  – behielden echter zoals vermeld hun zetel.

Ook in de jaren zeventig bleef de Boerenpartij toneel van onderling gekrakeel en afsplitsingen, met Koekoek steeds als middelpunt van de controverse. In 1977 ontstond rumoer over mogelijke malversaties met contributiegelden en de kandidaatstelling. Wederom scheidde een deel van de partij zich af nadat Koekoek had geweigerd tegemoet te komen aan hun wens om de partijorganisatie op een meer democratische en professionele leest te schoeien. Voor zover bekend is de Boerenpartij daarna niet meer geteisterd door interne conflicten, ook niet als gevolg van de naamsverandering in Rechtse Volkspartij in maart 1981.

electorale ontwikkeling

Het electoraat van de Boerenpartij bestond voor een groot deel maar zeker niet uitsluitend uit landbouwers.  Al in 1959 slaagde de partij erin om behalve op het platteland in Drenthe en Gelderland – waar de BVL de meeste aanhang had – ook in grote steden als Den Haag en Amsterdam stemmen te trekken. Het was nog niet voldoende om een Kamerzetel te behalen: met 0,65% bleef de partij net onder de kiesdrempel. Geholpen door de positieve berichtgeving over de partij in De Telegraaf  (vooral in de columns van Jacques Gans) en door samenwerking te zoeken met conservatief-nationalistische groepen, slaagde de Boerenpartij er in de daaropvolgende jaren in die stedelijke aanhang uit te breiden. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1963, waarbij de Boerenpartij 2,1% van de stemmen verkreeg, scoorde zij betrekkelijk hoog onder lezers van De Telegraaf en het geestverwante dagblad Nieuws van de Dag, zoals een electorale analyse heeft aangetoond. In 1963 lukte het de partij inde katholieke provincies Limburg en Noord-Brabant een voet tussen de deur te krijgen. Deze trend zette zich door bij de verkiezingen voor de gemeenteraden en de Provinciale Staten van 1966, waarbij de partij respectievelijk 8,8% en 6,7% van de stemmen haalde. In grote steden als Amsterdam kwam zij uit op 9,4%, in Den Haag op 10,4% en in katholieke bolwerken als Nijmegen en Maastricht op 14,4% respectievelijk 9,4%. Het electoraat van Koekoek, zo werd destijds verondersteld, zou vooral bestaan uit middenstanders en de kleine burgerij voor wie de maatschappelijke veranderingen te snel zouden gaan, maar er is weinig deugdelijk onderzoek dat deze aannames kan schragen.

Na de interne conflicten in de zomer en herfst van 1966 en in het najaar van 1968 viel de Boerenpartij ver terug. In 1970 haalde de partij bij de Provinciale Statenverkiezingen nog maar 1,9% en verloor zij in totaal 36 Statenzetels. Een jaar later zakte zij bij de Tweede Kamerverkiezingen verder weg naar 1,1%. Hoewel de Boerenpartij ook op het platteland verloor, leed zij de grootste verliezen in de steden. In 1972 lukte het haar om de negatieve spiraal om te buigen: met 1,9% van de stemmen verwierf zij drie Kamerzetels. In 1974 was de Boerenpartij bij de verkiezingen voor Provinciale Staten zelfs goed voor 3,1%, wat neerkwam op in totaal zeventien Statenzetels en één zetel in de Eerste Kamer. In commentaren werd deze electorale winst wel toegeschreven aan de kritische opmerkingen van Koekoek over de komst van gastarbeiders, maar ook hierover ontbreken betrouwbare gegevens.

Net als aan het einde van de jaren zestig raakte de Boerenpartij een groot deel van deze stemmen weer snel kwijt. In 1977 verwierf de partij nog net genoeg stemmen (0,8%) om een zetel in de Tweede Kamer te behouden: de partij was weer grotendeels teruggeworpen op de oude bolwerken op het Gelderse, Overijssels en Drentse platteland. In 1978 bleek bij de Provinciale Statenverkiezingen dat zelfs een deel van die aanhang de partij de rug had toegekeerd: met 0,5% van de stemmen raakte de Boerenpartij al haar Statenzetels kwijt.

Van die electorale klap in 1978 heeft de partij zich niet meer hersteld. In 1981 behaalde ze als RVP nog een schamele 0,2% van de stemmen, waarmee een einde kwam aan een achttien jaar durend Kamerlidmaatschap van Koekoek. Ook lokaal was de rol van de Boerenpartij uitgespeeld, met uitzondering van enkele plattelandgemeentes in Overijssel, Gelderland en Drenthe, waar de Boerenpartij nog enkele jaren vertegenwoordigers had.

slot

De Boerenpartij kan in veel opzichten getypeerd worden als een typische populistische beweging, gevormd rondom één oppermachtige leider en zonder een hechte en transparante organisatie. Toch heeft zij ook de kenmerken van een indirecte belangenpartij: zij kwam voort uit en was sterk verbonden met een pressiegroep voor landbouwers en kon lange tijd steeds terugvallen op deze electorale en organisatorische basis. Mede daardoor heeft de Boerenpartij haar bestaan in vergelijking met andere populistische bewegingen tamelijk lang kunnen rekken. De invloed van de partij is moeilijk aan te geven: zij heeft wellicht weinig directe resultaten geboekt, maar met haar emotionele protest tegen het establishment was zij – nog voor Provo, D66 en studentenbeweging – ongetwijfeld een van de smaakmakers van de Nederlandse jaren zestig.

Laatst gewijzigd: 1 02-05-2017 13:36:11