GroenLinks jaaroverzicht 2005

Uit: J. Hippe, R. Kroeze, P. Lucardie, N. van de Walle en G. Voerman, 'Kroniek 2005. Overzicht van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 2005' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 2005 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2006), 14-98, aldaar 46-55.

inleiding 

GroenLinks hield zich in 2005 vooral bezig met vernieuwing op ideolo­gisch en orga­nisatorisch gebied. In de peilingen schommelde de partij vrij vaak heen en weer tussen de acht en twaalf zetels. Fractievoorzitter mevr. F. Halsema werd in december door de parlementaire pers uitge­roepen tot het beste kamerlid van het jaar.

linkse samenwerking

Het GroenLinkse Eerste-Kamerlid L.H.G. Platvoet, zijn SP-collega M.J.M. Kox en het Tweede-Kamerlid A.Th. Duivestein (PvdA) namen in de Volkskrant van 12 maart het initiatief om tot verregaande samen­werking tussen hun partijen te komen (zie ook in deze Kroniek onder PvdA en SP). Met enkele andere partijgenoten bepleitten zij een nieuwe sociale coalitie. De mogelijke linkse meerderheid in de peilingen zou volgens hen kunnen resulteren in ‘Een ander Nederland’ – onder deze naam werd ook een website geïnstalleerd. PvdA-leider Bos reageerde terughoudend op het voorstel nauwer samen te werken op weg naar de Tweede-Kamerverkiezingen van 2007.

Op 1 mei kwamen leden van de drie partijen in Amsterdam bijeen om verder te praten over linkse samenwerking. Daarbij werd het Motieboek gepresenteerd: een overzicht waaruit bleek dat GroenLinks, PvdA en SP sinds het aantreden van het tweede kabi­net-Balkenende in mei 2003 één lijn trokken bij stemmingen over bijna achthonderd van de ruim duizend door hen ingediende moties. Het Tweede-Kamerlid D.M. Samsom (PvdA) liet bovendien zien dat de kloof tussen linkse en rechtse partijen bij stem­mingen in de Kamer sinds 2000 duidelijk breder was geworden. De partijraad van GroenLinks sprak op 21 mei in een motie steun uit aan de oproep voor ‘Een ander Nederland’, al bleek er onder de aanwe­zigen ook twijfel te bestaan over de samen­werking met PvdA en SP, gezien de verschillende opvattingen over onderwerpen als de multicul­turele samenleving en milieubeleid. Namens de Tweede-Kamerfractie verdedigde Halsema de samenwerking. Zij zou het liefst met de twee partijen samen een tegenbegroting indienen.

Op 19 maart, de dag van het partijcongres van GroenLinks, had politiek leider Halsema in de Volkskrant de ‘linkse lente’ uitgeroepen, een tegengeluid in de ‘rechtse winter’ van de regerende partijen. Van 9 tot 11 september organiseerde de partij bovendien het ‘Linkse Lente’-festival in Nijmegen, getiteld ‘Kijk in de toekomst’. Op het terrein van de Radboud Universiteit namen circa vijfhonderd leden en belang­stellenden deel aan debatten en workshops met kamerleden over milieu, buitenlands beleid en andere onderwerpen. Oud-premier A.A.M. van Agt (CDA) sprak over het lot van de Palestijnen in de door Israel bezette gebieden. Op 11 september presen­teerde Halsema de website www.linkselente.nl, bedoeld als podium voor linkse vrijdenkers. Zij betreurde dat PvdA en SP niet bereid bleken samen met GroenLinks een tegenbegroting in te dienen. Overigens stelde ze later in een open brief aan PvdA-leider Bos met enige tevredenheid vast dat de drie linkse tegenbegrotingen uiteindelijk toch weinig van elkaar verschilden (de Volkskrant, 4 oktober 2005).

ideologische vernieuwing

De ‘linkse lente’ impliceerde voor de partijtop van GroenLinks niet alleen het streven naar linkse samenwerking, maar ook een herbezinning op het eigen gedachtegoed (zie ook de bijdrage van A.P.M. Lucardie en W.H. van Schuur in dit Jaarboek). Daartoe had Halsema in 2004 al een aanzet gegeven met haar pleidooi voor ‘vrijzinnig links’ (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 56-57). 

Op initiatief van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks en onder redactie van B. Snels, directeur van het bureau, verscheen op 11 oktober Vrijheid als ideaal, een bundel beschouwingen over het begrip vrijheid. Het GroenLinkse Tweede-Kamerlid mevr. N. Azough leverde een bijdrage over emancipatie en integratie van moslims in Nederland. In het nawoord ‘Een linkse lente’ pleitte Halsema voor ‘sociaal-individua­lisme’. Volgens haar had GroenLinks teveel ‘leentjebuur gespeeld bij de sociaal-democraten, die een grote voorkeur aan de dag legden voor bevoogdende staatsarrangementen’ en zou haar partij meer een eigen opvatting over sociaal-economische vrijheid moeten ont­wikkelen. Als concrete voor­beelden noemde ze persoonsgebonden budgetten voor kinderopvang en flexibilisering van de arbeidsmarkt.

Partijgenoten reageerden hierop met waardering en kritiek. De in juni uit de Tweede Kamer vertrokken sociologe mevr. E.H. Tonkens prees de ‘cultuurpolitieke wending naar vrij­zin­nigheid’ van haar vroegere fractievoorzitter, maar wees haar kritiek op de verzorgings­staat scherp af. Door individuele keuzevrijheid boven collectieve voor­zieningen te stellen stapte Halsema in haar ogen ‘naar rechts over’ (Trouw, 15 okto­ber 2005). Op 11 november organiseerde het Bureau samen met de senaatsfractie een symposium in Den Haag rond het boek, onder leiding van fractievoorzitter mevr. D.J.B. de Wolff. Halsema ging hier in dis­cussie met D. Schrijer, PvdA-wethouder van de Rotterdamse deelge­meente Charlois en de Groningse filosofe mevr. B. Prins, waarna een debat plaats vond tussen de directeuren van de wetenschappelijke bureaus van GroenLinks, PvdA en SP. 

Ook op 11 november presenteerde de Tweede-Kamerfractie van Groen­Links de nota Vrijheid eerlijk delen, geschreven door Halsema en mevr. W. van Gent. Met deze publi­catie wilden zij het debat binnen hun partij over het nieuwe verkiezings­pro­gramma een impuls geven. De kamerle­den stonden een ingrijpende modernisering van de verzorgingsstaat naar Scandinavisch model voor. Zo wilden zij een radicale inkomensnivelle­ring via progressieve belastingen, waarbij tegelijk inkomens­afhankelijke regelingen als huursubsidie en hypotheekrenteaftrek werden afgeschaft. Ook stonden zij een activerend werkgelegenheidsbeleid voor met een forse inkomens­afhankelijke arbeidskorting, een soepeler ontslagrege­ling, een hogere maar korter­durende werkloosheidsuitkering, en partici­patiebanen voor langdurig werklozen. De nota oogstte lof maar ook veel kritiek, vooral vanuit de vakbeweging. De voorzitter van de FNV, mevr. A. Jongerius, vond de kritiek op haar organisatie ‘onder de gordel’ en zelfs ‘schandelijk’, al stemde ze in met het streven naar participatie en inkomensnivellering (de Volkskrant, 26 november 2005). De voorzitter van de vakbondswerkgroep van GroenLinks, mevr. J. van Dongen, noemde in een debat op 19 november in Utrecht het stuk ‘niet goed onderbouwd’ en ‘ongenuanceerd’ (GroenLinks Magazine, decem­ber 2005). Vooral het voorstel tot ver­soepeling van het ontslagrecht wekte veel verontwaardiging bij vakbondsleden en andere GroenLinksers. De werkgevers­organisatie VNO-NCW liet zich daarentegen zeer positief uit: dankzij deze ‘trendbreuk’ plaatste GroenLinks zich ‘in het spec­trum van partijen waarmee we kunnen praten’ (Trouw, 12 november 2005).

aanpassing kandidaatstellingsprocedure Tweede-Kamer- en Europese verkiezingen

In februari 2004 had het partijcongres een commissie laten instellen die onder leiding van de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland, H.J.L. Borghouts, een voorstel diende te formuleren voor een democra­tischer kandidaatstellingsprocedure voor volksvertegenwoordigers (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 55). Op 19 maart 2005 nam het partijcongres het voorstel van de commissie slechts gedeeltelijk over. De leden zou­den via een referendum de lijsttrekker voor de Tweede-Kamerverkie­zingen en de Europese verkiezingen mogen kiezen (wat overigens tot 1994 ook mogelijk was), zoals de commissie had voorgesteld. Een voor­stel om de leden eveneens te laten stemmen over alle kandidaten op de lijst kreeg geen meerderheid: het congres wilde deze beslissing zelf blijven nemen. Een onafhankelijke kandidaten­commissie zou voortaan bekend maken welke kandidaten zij geschikt achtte voor verschillende onderdelen (‘blokken’) van de kandidatenlijst, maar niet meer een bepaalde volgorde voorstellen. Vooral over de invloed van deze kandi­datencommissie leefde enige onvrede bij leden van GroenLinks. De partijraad werd belast met nadere uitwerking van de voorstellen en deed dat op 21 mei en 24 september. Het huishoudelijk reglement werd in september aangepast.

partijvernieuwing

Naast de aanpassing van de kandidaatstellingsprocedure voor de Tweede-Kamer- en de Europese verkiezingen stemde het partijcongres op 19 maart voorts voor een ‘visietekst’ over migratiebeleid, volgend op discussies in 2004 (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 55-56) en een enquête die door ruim duizend leden was ingevuld – ook een vorm van partijvernieuwing. Een andere vorm daarvan was de invoering van individuele ledenpagina’s met ‘persoonlijke politieke profielen’ op de website van de partij in april. De partijtop hoopte zo de communicatie met de leden te verbeteren. Ongeveer vierduizend leden namen de pagina in gebruik.

gekozen burgemeester 

De gehele GroenLinks-fractie in de Eerste Kamer stemde op 22 maart tegen de plan­nen van minister De Graaf (D66) voor Bestuurlijke Ver­nieuwing en Koninkrijks­relaties voor een rechtstreeks door de bevol­king gekozen burgemeester (zie in deze Kroniek onder ‘hoofdmomen­ten’). Volgens de senatoren had de gemeenteraad het hoogste gezag in de lokale democratie en zou de burgemeester dan ook door de gemeen­teraad gekozen moeten worden. Lokale GroenLinks-politici waren het hier lang niet altijd mee eens, en betreurden veelal de verspeelde kans om een einde te maken aan het in hun ogen verouderde principe van een door de Kroon benoemde burgemeester.

Het GroenLinkse Tweede-Kamerlid A.J.W. Duyvendak pleitte na de verwerping van het voorstel van De Graaf voor een Conventie over Politieke Vernieuwing, teneinde de impasse in de bestuurlijke vernieu­wing te doorbreken. Naar analogie van de Conventie die de Europese grondwet had ontworpen, zou deze Conventie samengesteld kunnen worden uit volksvertegenwoordigers en bestuurders op nationaal, pro­vinciaal en lokaal niveau. In april werd dit voorstel voorgelegd aan minister Pechtold, die de teruggetreden De Graaf was opgevolgd. In juni presenteerde Duyvendak in een notitie tien agendapunten voor de Con­ventie, onder de titel Kies voor de sterke kiezer; niet voor de sterke man. Zowel op lokaal als op nationaal niveau zou de kiezer meer in­vloed moeten krijgen op machtsvorming, via een tweede stem op een bepaalde coa­litie. Daarnaast zouden ook referenda en burgerinitiatieven mogelijk gemaakt moeten worden. Directe verkiezing van een burgemeester of minister-president zou deze tot ‘sterke man’ maken en de kiezer niet echt meer invloed geven.

referendum Europese grondwet

Het referendum over de Europese grondwet op 1 juni vond mede op initiatief van GroenLinks plaats (zie in deze Kroniek onder ‘hoofdmo­menten’). GroenLinks voerde intensief campagne vóór een ‘ja’-stem, waarbij europarlementariër mevr. K.M. Buitenweg een voortrekkersrol speelde. In een open brief aan het Comité Grondwet Nee stelde Buiten­weg dat afwijzing bepaald geen groenere of socialere grondwet zou opleveren.

In een nieuwsbericht op de website van GroenLinks lieten politiek leider Halsema en Buitenweg al op 1 juni weten dat ‘GroenLinks baalt van de referendumuitslag’, maar dat men trots was op de hoge opkomst. Volgens Buitenweg wilden de kiezers niet zo­zeer ‘minder Europa’, maar vooral een beter Europa. Volgens bepaalde opinie­peilin­gen zou een meerderheid van GroenLinksaanhangers (ongeveer 55 procent) voor de Europese grondwet gestemd hebben; onderzoek van de Stichting Kie­­zers­onder­zoek Nederland wees op een meerderheid van tegen­stemmers (63 procent).

Bij een nabeschouwing tijdens de partijraad op 24 september bleek dat de samenwer­king binnen GroenLinks tijdens de campagne niet altijd goed was verlopen. Groen­Linksers bleken moeilijker te activeren dan voor verkiezingscampagnes. Sommige leden opperden dat de partij de grondwet minder enthousiast en meer genuanceerd had moeten verdedi­gen. Voor een volgend referendum zou wellicht eerst een intern refe­rendum onder de leden gehouden moeten worden.

Karimi

Op initiatief van de Tweede-Kamerleden J.C. van Baalen (VVD) en mevr. F. Karimi (GroenLinks) nam de Tweede Kamer aan het eind van 2004 het plan aan tot de Nederlandse financiering van een op Iran gerichte televisie-satellietzender, vanwege het belang van de vrijheid van meningsuiting in dat land.

Na afloop van een bezoek aan Iran in mei 2005 werd Karimi op intimi­derende wijze op het vliegveld van Teheran ondervraagd; mogelijk werden er ook kopieën gemaakt van haar adresboekje en aanteke­ningen die ze gemaakt had tijdens haar verblijf. In juni verklaarde de Iraanse regering dat Karimi had gezocht naar informatie over het atoompro­gramma, wat zij echter meteen ontkende.

Karimi presenteerde op 23 mei in Den Haag de autobiografie Het geheim van het vuur. De herinneringen aan haar jeugd in Iran en haar ervaringen in een islamitische verzetsorganisatie tegen het regime had zij opgeschreven met medewerking van de journalist C. Keulemans.

Pormes

Het Eerste-Kamerlid S.R. Pormes zou volgens het boek Tien rode jaren. Links radica­lisme in Nederland (1970-1980) van de journalist A. Verbij in de jaren zeventig in Zuid-Jemen samen met leden van de extreem-linkse Rode Jeugd deelgenomen hebben aan een guerrillatraining geor­ganiseerd door Palestijnse terroristen. Het partijbestuur sprak met hem daarover in februari. De kwestie kwam opnieuw in de publiciteit door een artikel van Th. Vaessen in HP/De Tijd van 27 mei 2005. In een volgend artikel (17 juni) bevestigde dezelfde journalist – die zich onder meer baseerde op informatie van de Centrale Recherche Informatie­dienst (CRI) – ook geruchten dat Pormes betrokken zou zijn geweest bij twee gewelddadige acties van Zuid Molukkers: de tweede treinkaping bij De Punt in 1977 en de beschieting van een politieauto in Assen in 1982. Bovendien zou hij valsheid in geschrifte hebben gepleegd bij een Molukse stichting voor ver­slavingszorg en enige tijd ten onrechte een werkloosheidsuitkering hebben genoten. In een derde artikel, dat op 22 juli verscheen, plaatste Vaessen deze feiten in een bredere context door op te merken dat ook de Tweede-Kamerleden Duyvendak en Karimi ooit banden hadden onderhouden met terroristische groepen.

Naar aanleiding van deze berichten verzocht partijvoorzitter H. Meijer samen met De Wolff aan de minister van Justitie om het verleden van Pormes te onderzoeken en bekend te maken wat de CRI al wist. Vervol­gens gaf het partijbestuur in juli opdracht aan een kleine commissie van twee juristen, F. Tas en S. Minks, om de beschuldigin­gen aan het adres van de senator te onderzoeken. In november bracht de commissie van juristen verslag uit. Zij vond geen harde bewijzen voor de diverse beschuldigin­gen, maar achtte de onschuld van Pormes evenmin bewe­zen; met name zijn deelname aan de training in Zuid-Jemen leek haar nogal aannemelijk. In elk geval had Pormes zijn partij bij verschil­lende gelegenheden over genoemde zaken onvoldoende openheid gegeven.

Het partijbestuur nam de conclusie van de commissie over en zei op 21 november zijn vertrouwen in Pormes op. Het verzocht hem zijn zetel per direct ter beschikking te stellen. Daarnaast stak het bestuur ook de hand in eigen boezem: verschillende par­tijorganen hadden zorgvuldiger moeten handelen en meer informatie moeten natrek­ken. Integriteit zou voortaan meer aandacht moeten krijgen bij selectie van kandidaten in de partij.

Pormes erkende in een reactie op 26 november dat hij het partijbestuur niet altijd en overal volledig over had ingelicht, maar bestreed de con­clusies van het rapport. Hij weigerde vooralsnog zijn zetel op te geven, zolang de leden zich hierover niet hadden uitgesproken. Op 28 novem­ber besloot het bestuur daarop hem te royeren als partijlid met een beroep op artikel 11 van de statuten, dat royement mogelijk maakt wanneer een lid de partij ‘op onredelijke wijze benadeelt’. De senator ging hiertegen in beroep bij de geschillencommissie van de partij.

Binnen GroenLinks ontstond onenigheid over het gevoerde onderzoek, dat weinig nieuws zou brengen en teveel gebruik zou maken van ano­nieme getuigen. Enkele oud-partijbestuursleden zoals K. Kalkman en J. Wijnhoven richtten een comité op om Pormes te steunen. Op initiatief van de verontruste leden werd op 17 december een extra partijraad over de kwestie belegd. Nadat partijvoorzitter Meijer een aantal kritische vragen over de besluiten van het bestuur uitvoerig had beantwoord, richtte de raad via een motie aan de geschillencommissie het verzoek om te na te gaan of bemiddeling nog mogelijk was. De affaire zou in 2006 tot een ontknoping komen.

gemeenteraadsverkiezingen 2006

Mede met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 stelde het partijbestuur in februari 2005 een Permanent Campagneteam in, waar­van het Tweede-Kamerlid Duyvendak landelijk voorzitter werd. Het Permanente Campagneteam zou aangestuurd worden door een Strate­gisch Beraad, waaraan vertegenwoordigers van verschillende partijgele­dingen deel zouden nemen. In het voorjaar kwam dit Beraad voor het eerst bij elkaar. Hieraan nam ook de net aange­stelde campagnemanager J. de Bruijn deel. Op de partijraad van 19 november werd opgemerkt dat deze reorganisatie wel erg ‘top-down’ verliep. De reorganisatie zou in 2006 verder besproken worden.

Op 9 april organiseerde de afdeling Partijontwikkeling in Utrecht een conferentie voor raadsleden en leden van pro­gramma- en campagne­commissies, ter voorbereiding van de raadsverkiezingen. De circa 275 deelnemers konden kiezen tussen vijftien workshops. Duyvendak drong aan op landelijke eenheid in de campagne: ‘nu is het beeld dat Groen­Links uitstraalt te divers’ (de Rode Draad, april 2005). Ook op het hierboven reeds vermelde ‘Linkse Lente’-festival in september werd in enige workshops aandacht besteed aan de komende verkiezingscampag­nes.

De gemeenteraadsverkiezingen werden eveneens besproken door de partijraad op 19 november, mede aan de hand van kiezersonderzoek van het bureau Motivaction. De rode draad voor de campagne zou de ‘ont­spannen samenleving’ zijn, met als centrale leuzen ‘vrijheid en verbon­denheid’ en ‘GroenLinks: het antwoord op de rechtse winter’. De inzet zou gericht zijn op meer progressieve colleges. Vanuit de partijraad kwam vrij veel kritiek op deze benadering, onder meer omdat die te weinig rekening zou houden met lokale omstandigheden. Ongeveer 240 afdelingen zouden mee gaan doen aan de raadsverkiezingen: tweehon­derd zelfstandig en veertig in samenwer­kings­­ver­banden of progressieve partijformaties.

Tweede-Kamerverkiezingen 2007

Op 11 september, bij de presentatie van de website www.linkselente.nl, verklaarde Halsema dat zij zich opnieuw beschikbaar wilde stellen voor het lijsttrekkerschap van GroenLinks voor de Tweede-Kamer­verkiezin­gen, die toen in 2007 verwacht werden.

De partijraad koos op 24 september de kandidatencommissie voor de Kamer­verkie­zingen. Voorzitter werd mevr. C.E. Roozemond, directeur van het Interpro­vin­ciaal Overleg en eerder vice-voorzitter van de FNV.

In november stelde het partijbestuur een commissie in die onder leiding van het Tweede-Kamerlid C.C.M.Vendrik het verkiezingsprogramma zou schrijven. Ook hier zouden het Permanent Campagneteam en het Strategisch Beraad een rol gaan spelen.

verwante instellingen en publicaties

In augustus publiceerde het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks Wenkende alternatieven. Progressieve visies op een andere globalise­ring onder redactie van M. Buiter, die tot 1 januari beleidsmedewerker van het bureau was geweest. De bundel bevatte voorstellen van ‘anders­globalisten’ op het gebied van internationale handel, financiën, land­bouw en milieubeleid en reacties daarop vanuit GroenLinks, onder meer van het Tweede-Kamerlid Vendrik en Internationaal Secretaris M. Dadema.

In november verscheen Schaduwmacht in de schijnwerpers. Advies­commissies in politiek Den Haag, een bundel kritische beschouwingen en interviews onder redactie van Duyvendak, P. de Jong, B. Pauw en R. van Schendelen. Het was een vervolg op de initiatiefnota van Duyven­dak uit maart 2004, getiteld De schaduwmacht. De invloed van politieke commissies, waarin hij de samenstelling en het functioneren van door de regering ingestelde commissies kritisch tegen het licht hield (zie Jaar­boek 2004 DNPP, blz. 57). Volgens het Tweede-Kamerlid waren de voorzitters van adviescommissies afkomstig uit een klein clubje oud-politici, dat nauw verweven zou zijn met de top van het bedrijfsleven. Ook minister Pechtold voor Bestuurlijke Vernieu­wing en Koninkrijks­relaties liet zich in de bundel kritisch uit over het aantal en de samen­stelling van de adviescommissies.

Dwars, de jongerenorganisatie van GroenLinks, hield zich in 2005 bezig met de eigen organisatie. In mei verscheen daarover een uitgebreid rap­port van de Com­missie Bestuurlijke Vernieuwing, Bestuurlijke vernieu­wing binnen Dwars. Met name lokale afdelingen bleken vaak niet goed te functione­ren. Daar­naast was een Jongerennet­werk onstaan van jonge leden van GroenLinks die zich niet bij Dwars wilden aansluiten. Bestuurlijke vernieuwing was het belangrijkste onder­werp op het congres dat van 17 tot 19 juni in Rotterdam gehouden werd, al werd er ook gesproken over emancipatie en seksuele diversiteit. Het congres koos O. Bakker tot Coördinator Algemeen – het egalitaire equivalent van ‘voorzitter’. Op het wintercongres op 10 en 11 december in Utrecht koos Dwars nu formeel een bestuur (in plaats van een ‘coör­di­nerend overleg’), waarin Bakker Voorzitter Organisatie en S. de Vries Voorzitter Politiek werd. Bovendien vierde de organisatie haar vijf­tien­jarig bestaan. 

Het Feministisch Netwerk organiseerde samen met het partijbureau en de Tweede-Kamer­fractie een bijeenkomst over feminisme op 19 oktober in Utrecht.

De werkgroep 50+, die zich voortaan ‘GroenLinksPlus!’ noemde, hield op 29 oktober een themamiddag over de economische waarde van onbetaalde zorg in Utrecht.  

Roze Links, het GroenLinks platform voor seksuele diversiteit, organi­seerde op 19 november een themadag over antihomogeweld en ‘roze veiligheid’ in Utrecht.

Op 11 december presenteerden senator Platvoet en de voorzitter van de GroenLinks-fractie in de Amsterdamse gemeenteraad M. van Poelgeest hun boek Amsterdam als emancipatiemachine. Aan de hand van acht interviews met sociale wetenschappers en andere deskundigen schetsten de auteurs een gematigd optimistisch beeld van de grote stad als een bont en dynamisch geheel, waarin immigratie, emancipatie en emigratie elkaar afwisselen.

personalia

Op 21 januari overleed de schrijver Th. de Vries, die van 1936 tot 1971 actief lid was geweest van de Communistische Partij van Nederland (CPN), één van de partijen die in 1990 in GroenLinks opging.

Op 27 maart overleed H. Wiebenga, die van 1965 tot 1969 voorzitter was geweest van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), een andere voorganger van GroenLinks. Wie­benga was van 1969 tot 1972 lid van de Tweede Kamer voor die partij.

In mei kwam oud-voorzitter van de Tweede-Kamerfractie P. Rosen­möller in opspraak vanwege zijn royale verdiensten als voorzitter van de commissie Pavem (Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheids­groepen). Hij stortte daarop in juni een deel van zijn salaris terug.

Het Tweede-Kamerlid E.H. Tonkens werd per 1 augustus 2005 benoemd tot bijzonder hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam. In de Tweede Kamer werd zij op 29 juni opgevolgd door P.L.M. Jungbluth.     

Laatst gewijzigd: 1 18-11-2020 15:38:25