CDA jaaroverzicht 2003

Uit: J. Hippe, P. Lucardie en G. Voerman, 'Kroniek 2003. Overzicht van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 2003, in: G. Voerman (red.), Jaarboek 2003 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2004), 15-137, aldaar 35-48.

inleiding

2003 was een goed jaar voor het CDA. Niet alleen bleef de partij in de verkiezingen voor de Tweede Kamer en de Provinciale Staten de groot­ste, ook leverde zij met partijleider J.P. Balkenende opnieuw de minister-president. Toch rustte het CDA niet op zijn lauweren; zo werd de vernieuwing van de partijorganisatie voortgezet.

campagne Tweede-Kamerverkiezingen

Op 30 november 2002 had het partijcongres de kandidatenlijst en het verkiezingspro­gram­ma vastgesteld (zie Jaarboek 2002 DNPP, blz. 47-48). Ook werd besloten dat de ­campagnes voor de Tweede-Kamer- en de Provinciale Statenverkiezingen zou worden gecoördineerd door M. van der Poel (zie Jaarboek 2002 DNPP, blz. 48).

Met de leus ‘Betrokken, Betrouwbaar, Balkenende’ richtte het CDA zijn campagne vooral op de (demissionaire) minister-pre­sident Balkenende. Campagneleider Van der Poel be­stempelde de premier als ‘unique selling point’ (NRC Handelsblad, 4 januari 2003). Hij zou stabiliteit en vertrouwen moeten uitstralen en zich als staatsman profileren. Dat hield in: wel deelname aan acht lijsttrekkersdebatten op televisie en radio, maar niet aan spelletjes of aan kookpro­gram­ma’s.

Kritiek zou Balkenende niet bespaard blijven, ook binnen de eigen gelederen. W. Aantjes merkte op dat de CDA-leider niet goed leek te accepteren dat zijn kabinet gevallen was en te veel de deur open hield naar de LPF. De oud-fractievoorzitter van het CDA miste bij de premier een helder christen-democratisch geluid. A.A.M. van Agt, als premier en CDA-leider in de jaren 1977-1982 een voorganger van Balkenende, hekelde de wijze waarop deze het debat over waarden en normen inzette: “het is ongericht en waaiert alle kanten op” (Trouw, 6 januari 2003). Waarden en normen behoorden overigens tot de verkiezings­thema’s waarmee het CDA campagne voerde – naast veiligheid, integratie, zorg, onderwijs, gezin, mobiliteit en werk op maat: een zogenoemde levensloopregeling die een betere combinatie van werk en zorg mogelijk zou moeten maken.

Op 7 januari ging Balkenende in Zwolle het debat aan met de lijsttrek­kers van ChristenUnie en SGP, A. Rouvoet en B.J. van der Vlies. Laatstgenoemde betitelde de twee kleine chris­telijke partijen als ‘loodsmannetjes’ (Trouw, 8 januari 2003). De geesten scheidden zich toen het abortusbeleid ter sprake kwam. De CDA-leider beloofde het beleid te laten evalueren, maar weigerde de wet terug te draaien, zoals de twee andere partijen eisten. De kritiek van Rouvoet, een paar dagen later, dat het CDA niet op bijbelse waarden steunde, raakte Balken­ende wel: “als we als christenen om politieke motieven zo met elkaar om­gaan, zijn we een eind weg” (Reformatorisch Dagblad, 11 januari 2003).

coalitievoorkeur

Al vanaf het begin van de campagne had Balkenende een voorkeur voor een coalitie met de VVD uitgesproken. In een debat in Rotterdam op 8 januari met de lijstaanvoerders van PvdA, VVD, LPF, GroenLinks en SP zocht hij enige toenadering tot de PvdA, maar bleef afstand nemen van het – in zijn ogen onvoldoende solide – financiële beleid van de sociaal-demo­craten. Enkele CDA-wethouders benadrukten de voordelen van samenwerking met de PvdA. De partijvoorzitter, mevr. M. van Bijsterveldt, sprak van een ‘lichte voorkeur’ voor de VVD, maar sloot de PvdA zeker niet uit (de Volkskrant, 9 januari 2003). Met beide par­tijen ver­schilde het CDA van mening over de vrijheid van het bijzonder onderwijs. De andere partijen – VVD, PvdA, maar ook D66, Groen­Links en SP – wilden bijzondere scholen verplichten allochtone leerlingen toe te laten. De (demissionaire) minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevr. M.J.A. van der Hoeven, die op de tweede plaats van de kandidatenlijst van het CDA stond, noemde dit “een verkapte poging artikel 23 van de Grondwet, waarin de vrijheid van onderwijs is geregeld, om zeep te helpen” (Trouw, 10 januari 2003).  

Half januari noemde Balkenende in een interview de PvdA nog onge­schikt om al weer te gaan regeren (Trouw, 13 januari 2003). De voorzitter van het Christelijk Nationaal Vakver­bond (CNV), D. Terp­stra, “schrok zich rot” van deze uitspraak en raadde de premier aan om juist de VVD uit te sluiten als regeringspartner (Trouw, 14 januari 2003). De CNV-leider, van huis uit ook een christen-democraat, vreesde dat het CDA nu evenals de VVD koos voor financiële soliditeit boven solidariteit. Toen de PvdA het CDA in de peilingen dreigde voor­bij te stre­ven, verklaarde Balkenende dat hij geen ministerspost onder een sociaal-democra­tische premier zou aan­vaarden: dan liever fractievoor­zitter in de Tweede Kamer.  

Fractievoorzitter M.J.M. Verhagen speelde eveneens een belangrijke rol in de campagne, vooral waar het ging om toelichting op het verkie­zingsprogramma. Hij pleitte onder meer voor preventief fouilleren langs snelwegen en in openbaar vervoer, en beloofde dat binnen twee jaar een einde aan de wachtlijsten in de gezondheidszorg zou komen. Daartoe zou de ziekenfondspremie verhoogd moeten worden.

Op 20 januari sloot het CDA zijn campagne af in Rotterdam. “Rotter­dam laat zien dat het ook kan zonder de PvdA”, zei Balkenende, doelend op het gemeentebestuur van CDA, VVD en Leefbaar Rotter­dam. Hij voegde daar veelbetekenend aan toe: “Nederland heeft een Rotter­damse aanpak nodig” (de Volkskrant, 21 januari 2003).

uitslag Tweede-Kamerverkiezingen

Op de verkiezingsavond balanceerden de christen-democraten tussen hoop en vrees. Spoedig bleek dat zij de sociaal-democraten voor zouden blijven, en dat het CDA weer de grootste partij zou worden. Een coalitie met alleen de VVD zou echter geen meerderheid halen. Balkenende zag drie mogelijkheden: CDA met PvdA, CDA met VVD en D66, en CDA met VVD en LPF. Oud-partijvoorzitter (en oud-minister) B. de Vries maakte op 26 januari in het televisieprogramma ‘Buitenhof’ een duide­lijke keuze voor de PvdA. Zelfs oud-premier Van Agt, die niet bekend stond als vriend van de sociaal-democratie, toonde een lichte voor­keur voor de PvdA boven de VVD, die in zijn ogen te ‘libertinistisch’ was op moreel-ethisch gebied (Trouw, 10 februari 2003).

evaluatie campagne Tweede-Kamerverkiezingen

Een commissie onder leiding van de Maastrichtse oud-wethouder T. Bovens evalueerde de geïntegreerde campagne voor de Tweede Kamer- en Provinciale Statenverkiezingen en bracht aan het eind van het jaar verslag uit. Over het algemeen bleek de campagne goed verlopen te zijn, zowel in de media als in het land. Lijsttrekker Balkenende had evenwel meer invloed moeten hebben, meende de commissie. Voorts pleitte zij voor een per­manente campagne – niet alleen onder leden maar ook onder niet-leden – en een pro-actieve strategie: hoe belangrijk de media ook zijn, uiteindelijk zou de partij toch haar eigen thema’s moe­ten uitdragen.

kritiek binnen het CDA op de kabinetsformatie

Het verloop van de formatie (zie in deze Kroniek onder ‘hoofdmomen­ten’) stemde niet overal in het CDA tot tevredenheid. A. Jansen, voorzitter van de CDA-basisgroep Sociale Zekerheid – een groep van ongeveer veertig uitkeringsgerechtigde christen-democraten – vreesde dat zijn partij haar ‘sociale gezicht’ zou verkwanselen in een coalitie met de VVD. Soortgelijke kritiek klonk op een bijeenkomst van lokale Zeeuwse bestuurders in Goes op 15 april en uit de mond van CNV-voorzitter Terpstra. Ook werd Balkenende wel gebrek aan inspirerend leiderschap verweten. Partijvoorzitter Van Bijsterveldt betreurde de mislukking van de onder­handelingen met de PvdA, maar verwierp het verwijt dat het CDA een rechtse partij was geworden. Ook ontkende zij dat de positie van Balkenende als politiek leider ter discussie stond. De sociaal-democraten hadden volgens haar belangrijke thema’s van de christen-democraten te weinig ‘verinnerlijkt’ (NRC Handelsblad, 18 april 2003). B.J. Spruyt, de directeur van de Edmund Burke Stichting – het platform voor conservatieve gedachtevorming in Nederland – stelde tevreden vast dat het CDA was “uitgegroeid tot een onvervalst conser­vatieve partij” (Trouw, 19 april 2003). Oud-partijvoorzitter M.M. van Rij waarschuwde voor de opkomst van een dominante rechtervleugel, vooral gebaseerd in Limburg – hij vergeleek deze met de Beierse Christlich-Soziale Union (CSU). A. Klink, directeur van het Weten­schappelijk Instituut voor het CDA, ontkende elke verrechtsing: “ons sociaal hart klopt nog steeds” (Reformatorisch Dagblad, 28 april 2003).

Op een ledenbijeenkomst op 19 mei in Amersfoort verdedigde Klink samen met de demissionaire minister A.J. de Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Tweede-Kamerlid mevr. G. Verburg opnieuw het sociale gezicht van de partij, en in het bijzonder de hervorming van de WAO zoals voorgesteld in het regeerakkoord. Ze konden de be­zorgdheid van veel leden echter niet wegnemen, maar leken in hun verweer de voorstellen toch iets af te zwakken.

De partijraad kwam op 24 mei in Utrecht bijeen om de formatie te bespreken. Ook hier klonk veel kritiek, onder meer opnieuw van de voorzitter van de CDA-basisgroep Sociale Zeker­heid. Balkenende stelde evenwel dat werk boven inkomen ging. Ver­ha­gen wees er op dat het nieuwe kabinet middelen had uitgetrokken voor inkomens­toe­slagen ten behoeve van uitkeringsgerechtigden die in de knel dreigden te komen. Van Bijsterveldt kondigde de instelling van een partijcommissie aan die onder voor­zitter­schap van de Hengelose burgemeester F. Kerckhaert de gevolgen van de bezui­ni­gin­gen voor de meest kwetsbare groepen in kaart zou brengen. In juni werd de zogeheten Commissie Inkomensbe­leid geïnstalleerd; in september ging ze aan de slag.

In het kamerdebat over de regeringsverklaring in juni maakte Balken­ende een vecht­lustige en overtuigde indruk, waarmee hij zijn verzwakte aanzien in zekere zin kon herstellen. De kritiek op het sociale beleid van het tweede kabinet-Balkenende verstomde daarmee echter niet. Bij de behandeling van de begroting in september weerklonk ze opnieuw. Zelfs de hierboven reeds geïntroduceerde oud-minister van Sociale Zaken De Vries (CDA) merkte op dat het kabinets­beleid tot ‘asociale resultaten’ zou kunnen leiden door de combinatie van lasten­verlichting en bezuinigingen op sociale zekerheid (NRC Handelsblad, 16 september 2003). De rooms-katho­lieke bisschop van Rotterdam, A.H. van Luyn, vond het kabinetsbeleid teveel gericht op de economie en op de eigen verant­woor­delijkheid van de enkeling, in plaats van op gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het algemeen welzijn.

Tweede-Kamerfractie

Na de kabinetsformatie konden zeven niet verkozen kandidaten alsnog een zetel gaan be­zetten. Vijf van hen waren in 2002 kamerlid geweest; alleen P.H. Omtzigt en T.B.F.M. Brinkel, algemeen secretaris van de katholieke vredesbeweging Pax Christi, waren echte nieuwelingen. Na de afronding van de formatie koos de fractie Verhagen opnieuw tot fractievoorzitter.

Th.W. Rietkerk, secretaris van de Tweede-Kamerfractie, werd in mei gedeputeerde in Overijssel – om zo meer tijd voor zijn gezin te hebben. W.G.J.M. van de Camp volgde hem op als fractiese­cretaris.

Op 1 september nam T.A.M. Meijer afscheid van de Tweede Kamer waarvan hij sinds 1996 deel had uitgemaakt. Hij had bekendheid gekre­gen als voorzitter van de parle­mentaire enquêtecommissie die de gevolgen van de Bijlmer-ramp onderzocht. Meijer werd voorzitter van de vier akkerbouwproductschappen.

oorlog in Irak

De militaire interventie van de Verenigde Staten en zijn bondgenoten in Irak leidde binnen het CDA tot de nodige discussie. De voorzitter van het Christen-Democratisch Jongeren Appèl (CDJA), P. Walenkamp, verweet het kabinet en in het bijzonder minister van Buiten­landse Zaken J.G. de Hoop Scheffer (CDA), kritiekloos achter de Verenigde Staten te staan. Oud-partijleider Van Agt verwonderde zich over “het gemak waarmee de premier en de minister van Buitenlandse Zaken bij de Ame­rikanen blijven”, terwijl volgens hem Amerika zich vaak onverantwoor­delijk gedroeg (Trouw, 10 februari 2003). Europarlementariër A.M. Oostlander reageerde daarop met de opmerking: “Van Agt zit een beetje te kletsen” (Trouw, 11 februari 2003).

Op 24 april vond in Utrecht een discussie plaats over de vraag of een rechtvaardige oorlog mogelijk was. Aan het debat namen De Hoop Scheffer, Verhagen, het Tweede-Kamerlid C.M.P.S. Eurlings en de staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking, mevr. A. van Ardenne-van der Hoeven deel.

Het bezoek van premier Balkenende in september aan de Amerikaanse president deed de dis­cussie opnieuw opvlammen. Oud-premier W. Kok (PvdA) verweet zijn opvolger zich op te stellen als ‘het schoothondje van Bush’ (Trouw, 5 september 2003). Balkenende achtte deze kritiek voorbarig en ongepast. Enige dagen later zou Kok excuses aanbieden over zijn opmerking.

asielbeleid

Ook het asielbeleid bracht verdeeldheid binnen het CDA. In februari drong een veertigtal christen-democratische wethouders er op aan asielzoekers die al vele jaren wachtten op een verblijfs­vergunning die alsnog te geven (een zogeheten algemeen of specifiek pardon, afhanke­lijk van de voorwaarden). Het Tweede-Kamerlid mevr. J.N. van Vroonhoven-Kok had juist namens de CDA-fractie het voorstel van demissionair minister Nawijn (LPF) voor een der­gelijke regeling afge­wezen. De wethouders konden haar niet op andere gedachten brengen. Partijvoorzitter Van Bijsterveldt toonde begrip voor de wethouders en wilde de minister de ruimte geven voor ‘humane beslissingen’, zonder echter aantallen te noemen (NRC Handels­blad, 20 februari 2003). Op 20 februari stemde de fractie tegen voorstellen voor een regeling, op één lid na: R.H. Algra ging ‘uit persoonlijk rechtvaardigheidsgevoel’ mee met de oppositie (NRC Handelsblad, 21 februari 2003). Op een partijbijeen­komst in Aalten op 5 maart ver­klaarde Balkenende niettemin een specifiek pardon niet uit te sluiten. Uiteindelijk zou in het najaar een zeer beperkt pardon voorgesteld worden.

Provinciale Statenverkiezingen

Over het algemeen boekte het CDA winst bij de Statenverkiezingen (zie tabel 2). Al­leen in Friesland leden de christen-democraten licht verlies. Dat was waarschijnlijk te wijten aan weerstand tegen de magneet­zweeftrein die het Noorden met de Randstad zou moeten verbinden. Het CDA had zich voor de trein uitgesproken en verloor stem­men aan de partijen die het project afkeurden, zoals de Fryske Nasjonale Partij (FNP). Landelijk gezien bleef het CDA de grootste partij.

Eerste-Kamerverkiezingen

Op 7 februari stelde het partijbestuur de advieslijst voor de Eerste Kamer vast. De lijst werd aangevoerd door de zittende fractievoorzitter, mevr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck. Onder de twintig verkiesbare kandidaten bevonden zich acht nieuwelingen. Eén van hen was Klink, de directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Een andere nieuwkomer was het oud-Tweede-Kamerlid A.K. Koekkoek, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant. G.J.M. Braks, van 1980 tot 1981 en van 1982 tot 1990 minister van Land­bouw, sinds 1991 senator en vanaf 2001 voorzitter van de Kamer, en mevr. P.C. Lod­ders-Elfferich, van 1991-1999 vice-voorzitter en in 1994-1995 tijdelijk voorzitter van het CDA, stelden zich niet meer verkiesbaar. Dat deed evenmin H. Eversdijk, sinds 1991 senator en van 1977 tot 1991 lid van de Tweede Kamer. De kandidatenlijst werd ver­volgens naar de twaalf provinciale afdelingen en statenfracties gestuurd voor commentaar en op 7 maart de­fi­nitief door het partijbestuur vastge­steld.

F.J.M. Werner, vertrekkend voorzitter van de raad van bestuur van het Universitair Medisch Centrum Sint-Radboud in Nijmegen, werd voor­zitter van de vernieuwde fractie nadat Timmerman-Buck op 17 juni tot voorzitter van de senaat was gekozen (zie ook in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’).

Europese verkiezingen 2004

In juni riep het dagelijks bestuur leden op te solliciteren naar de functie van europarlemen­tariër, in verband met de verkiezingen van het Euro­pees Parlement die in juni 2004 plaats zouden vinden. Een vertrouwenscommissie onder leiding van oud-minister van Financiën H.O.C.R. Ruding zou de kandidaten toetsen aan de profielschets die het bestuur in mei had opgesteld. Op 25 augustus droeg het partijbestuur het Tweede-Kamerlid Eurlings voor als lijsttrekker. De partijraad van 1 november nam deze voordracht over. Tot februari 2004 konden afdelin­gen of groepen leden echter nog tegenkandidaten voordragen. Op 6 oktober stelde het bestuur een alfabetische groslijst van kandidaten op. Hieruit maakte het na raad­pleging van de ver­trouwenscommissie op 15 december een selectie voor de advieslijst die ver­volgens naar de afde­lingen gestuurd zou worden. In januari 2004 zouden die de lijst vast­stellen, die door het congres in februari bekrachtigd diende worden.

terugtreden Maij-Weggen

Met ingang van 1 oktober werd mevr. J.R.H. Maij-Weggen, delegatie­leider van het CDA in het Europees Parlement, commissaris van de koningin in Noord-Brabant. Zij volgde F.J.M. Houben op, die terugtrad in verband met het naderen van de pensioengerechtigde leeftijd.

Maij-Weggen, die oud-minister van Verkeer en Waterstaat (1989-1994) was geweest en lid van het Euro­pees Parlement (1979-1989 en opnieuw sinds 1994), was in mei voorgedragen door de Provinciale Staten. Als delegatieleider in het Europees Parle­ment werd zij op haar beurt opge­volgd door haar fractiegenoot L. Doorn. Op 11 april had Maij-Weggen in Den Haag de Norbert Schmelzerlezing gehouden onder de tiel ‘Op weg naar het Europa van de 21e eeuw’. 

conservatisme?

Eerste-Kamerlid en hoogleraar staatsrecht A.H.M. Dölle raadde in het zomernummer van Christen-Democratische Verkenningen zijn partij aan om openlijk te kiezen voor de ondertitel ‘sociaal-conservatief’. J.B. Mandos, door de partijraad 24 mei tot vice-voorzitter van de partij gekozen, zag dit anders. Ook senator H.E.S. Woldring, hoogleraar politieke filosofie, vond het betoog van zijn collega te eenzijdig: welis­waar zou men een deel van het christen-demo­cratische gedachtegoed conservatief kun­nen noemen, maar een belangrijker deel beslist niet. Premier Balkenende – eveneens filo­sofisch geschoold – deelde met de conservatieven de erkenning van vaste waarden, maar niet de afkeer van maatschappelijke verandering en dynamiek, zo verklaarde hij in een vraag­gesprek (NRC Handelsblad, 16 september 2003). Partijvoorzitter Van Bijsterveldt loofde eveneens het artikel van Dölle, maar niet diens identificatie met het conservatisme: de chris­ten-democratie beschikte volgens haar via het Evangelie over een normatief toet­singskader, wat bij het conservatisme zou ontbreken (Trouw, 1 november 2003).

partijvernieuwing

In juni legde het partijbestuur aan de afdelingen een voorstel voor partijvernieuwing voor. Zoals in principe al in 2001 besloten (zie Jaar­boek 2001 DNPP, blz. 27) zouden partijraad en partijcongres plaats maken voor een landelijke ledenvergadering, waar alle aanwezige leden en dus niet alleen afgevaardigden van afdelingen spreek- en stemrecht hebben. Belangrijke functies binnen de partij zouden voortaan niet meer bij acclamatie maar na een meervoudige kandidatuur vervuld moeten worden. Daarnaast wilde de partijtop de leden vaker raadplegen en hun kennis beter benutten.

De partijvoorzitter presenteerde deze en andere plannen in de notitie Investeren in de toe­komst. Een notitie over de politieke agenda en partijvernieuwing van het CDA op 2 september in Den Haag. Vervol­gens konden de leden zich op acht regionale, zogehe­ten Fonteinavonden in september en oktober hierover uitspreken. De naam was ont­leend aan de Trevi-fonteinen in Rome, waarin voorbijgangers muntjes werpen met bepaalde wensen in gedachten: zo konden de CDA-leden plastic fiches in verschillende bokalen deponeren om aan te geven wat ze belangrijk vonden op het gebied van partijvernieuwing en welke thema’s hoog op de agenda zouden moeten komen. Ruim 1.100 leden namen aan de bijeenkomsten deel. Op het congres op 1 november werden de uitkom­sten gepresenteerd. Milieu, duurzame ontwikkeling en rentmeesterschap bleek het onderwerp dat de aanwezige leden het hoogst op de agenda wilden plaatsen. Op de tweede plaats kwam arbeidsmarkt en kenniseco­nomie, op de derde plaats veiligheid en op de vierde sociale zekerheid. Aan een halfjaarlijkse leden­raadpleging hadden de leden weinig be­hoefte; ze hechtten meer aan een eigen­tijdse ver­woording van de christen-democratische boodschap en aan meer service voor de afdelin­gen, maar ook aan meer invloed van leden bij verkiezingen. 

Op 1 november werden de vernieuwingsvoorstellen eerst door de partij­raad goedge­keurd – die daarmee in feite zijn eigen doodvonnis tekende. Op een enkel punt ging de raad nog verder dan het partijbestuur. Zo werd met 23 tegen 22 stemmen (en een groot aantal ont­houdingen of blanco-stemmen) besloten dat gestreefd zou worden naar een meervou­dige voordracht van kandidaat-lijsttrekkers, niet alleen voor Eerste Kamer en Europees Parlement maar ook voor de Tweede Kamer. Dat laatste had het bestuur ontraden. Ook voor bestuurs­functies in de partij zouden voortaan twee of meer kandidaten gezocht worden. Daarnaast maakten de nieuwe statuten en reglemen­ten een proeflidmaatschap en donateurschap moge­lijk. Het congres stemde op de­zelfde dag eveneens in met de voorstellen van het partijbestuur, zij het soms met een kleine meerderheid. Voortaan heette het congres formeel ‘algemene ledenver­ga­de­ring’. Alle leden zouden daar stemrecht hebben, evenals de circa 250 provinciale afgevaardigden en het CDJA en CDA-Vrouwenberaad (beide tien stemmen). Hiermee was het proces van partij­vernieuwing overigens niet afgesloten: de Commissie-Partij­ontwik­keling zette haar activi­teiten voort.

Als element van de vernieuwing van de partij zou men ook de lancering van de intranetsite CDAnet in juni kunnen beschouwen, waarmee overigens al eerder een proef was genomen.

integratie

Het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA presenteerde op 8 maart in Rotterdam in het kader van het debat over integratie het rapport Investeren in integratie. Reflecties rondom diversiteit en gemeen­schap­pelijkheid, dat een commissie onder leiding van de Katwijkse burgemeester J. Wienen had opgesteld. De auteurs – waaronder de directeur van het weten­schappelijk bureau, Klink – deden na een zorg­vuldige analyse van de immigratie in Neder­land in de afgelopen eeuwen enkele voorzichtige aanbevelingen voor een ‘veeleisender’ inte­gratie­beleid. Het rapport werd aangeboden aan minister-president Balkenende, die er kort op reageerde, waarna een discussie volgde onder leiding van de Rotterdamse wethouder S. van der Tak. Laatstge­noemde zat ook de zojuist ingestelde Partijcommissie Integratie voor die het rapport verder zou bespreken.

Delen van het rapport kwamen vervolgens aan de orde op het partijcon­gres op 1 november. Premier Balkenende wijdde zijn afsluitende congresrede aan dit thema, in zijn ogen de grootste uitdaging voor de samenleving op dat moment. Hij gaf toe dat het CDA te lang de opvat­ting had gehuldigd dat een islamitische zuil integratie zou bevorderen, terwijl die naar zijn mening ‘een gevangenis van achterstand’ zou worden in plaats van een voertuig voor emancipatie (website CDA, 4 november 2003). Daarmee keerde hij zich niet tegen het bestaan van islamitische scholen, die sommige liberalen het liefst zouden verbieden. Immi­granten moesten zich aanpassen aan gedeelde Nederlandse waar­den, zoals hij al begin 2002 had bepleit (zie ook Jaarboek 2002 DNPP, blz. 42).

In hetzelfde kader had het wetenschappelijk bureau op 10 april in Den Haag een debat geor­ganiseerd over geloof en politiek, in samenwerking met de moslim-organisatie Milli Görüs, de Stichting Islam en Burger­schap en de omstreden Arabisch-Europese Liga. Volgens haar woordvoerder J. Jawad streefde de Liga naar ‘soevereiniteit in eigen kring’ voor moslims (Nederlands Dagblad, 11 april 2003). Aan het begin van het jaar had het Tweede-Kamerlid Eurlings gesuggereerd dat de Liga mogelijk verboden zou moeten worden.

gekozen burgemeester

Al in 2002 stelde het CDA een commissie in om advies uit te brengen over de verkiezing van de burgemeester (zie Jaarboek 2002 DNPP, blz. 49; zie ook in deze Kroniek onder ‘hoofd­momenten’). De commissie, voorgezeten door de Haagse burgemeester W.J. Deetman, pre­senteerde haar voorlopige advies op 6 oktober. Af­wijkend van de in het CDA gangbare opvatting sprak zij zich uit vóór de rechtstreekse ver­kiezing door de burgers, in plaats van benoeming door de Kroon of verkiezing door de gemeenteraad. Zij achtte invoering echter niet haalbaar voor 2007. Een gekozen burgemeester zou een sterkere positie moeten heb­ben – enigszins vergelijk­baar met een minister-president – en zelf wethouders moeten kunnen selecteren. Hij zou echter niet meer de gemeenteraad kunnen voorzitten. De gemeenteraad zou even­eens een iets sterkere positie krijgen. De raad zou wethouders kunnen ontslaan, maar niet de burgemeester naar huis kunnen sturen. Al met al was een wijziging van de grondwet vereist, die pas na de volgende Tweede-Kamerverkiezingen (verwacht in 2006) haar beslag zou kunnen krijgen.

De Commissie-Deetman, zoals ze in de wandel genoemd werd, besprak vervolgens haar voorlopig advies met de achterban in zes regionale bijeenkomsten. In april 2004 zou het definitieve rapport verschijnen.

voorbehoedsmiddelen

In november nam Van Ardenne-van der Hoeven – intussen van staatsse­cretaris nu minister van Ontwikkelingssamenwerking – afstand van de opvattingen van de top van de Rooms-Katholieke Kerk over voorbe­hoedmiddelen. Zij achtte deze middelen nodig in de strijd tegen besmetting met het HIV-virus. Als belijdend katholiek ging ze daarover in gesprek met kardinaal A.J. Simonis, maar van enige toenadering in standpunten bleek geen sprake. De meeste katholieke kamerleden deelden de mening van de minister.

De Hoop Scheffer

Minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer werd in september benoemd tot secre­taris-generaal van de NAVO. Hij was in 1978-1980 secretaris van de Neder­landse missie bij de NAVO in Brussel geweest, werd vervolgens in 1986 in de Tweede Kamer gekozen en in 1997 tot fractievoorzitter uitverkoren. In 2001 bracht een conflict met de partij­voorzitter hem er toe af te treden (zie Jaarboek 2001 DNPP, blz. 29-31). Op 3 december legde De Hoop Scheffer zijn functie neer. Hij werd opgevolgd door zijn par­tijgenoot B.R. Bot, een gepensioneerde diplo­maat die van 1992 tot 2002 Nederland had vertegenwoordigd bij de Europese Unie in Brussel.

verwante instellingen en publicaties

Het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA publiceerde in januari Modern Life Course Support Systems, de Engelse vertaling van het in 2001 verschenen rapport over levens­loop­beleid Druk van de ketel (zie Jaarboek 2001 DNPP, blz. 32-33). In dezelfde maand verscheen van de hand van S.C.W. Eijffinger en E.J. van Asselt Sociaal en zeker. Over een nieuwe balans in de sociale zekerheid tussen solidariteit en eigen verantwoordelijkheid in het licht van de arbeidsmarkt, dat een overzicht bood van ontwikke­lingen en knelpunten in de sociale zekerheid. Het rapport bevatte een aantal voorstellen voor verandering, vooral gericht op betere integratie van arbeidsongeschikten en behoud van de zeker­heid van AOW en WW. Het werd samen met het in december 2002 verschenen In­ves­teren in solidariteit (zie Jaarboek 2002 DNPP, blz. 50) besproken op een symposium over de arbeidsmarkt op 24 januari in Den Haag.

Op 7 april verscheen Humane biotechnologie. Een studie naar mens­waardige toepassingen van nieuwe biotechnische mogelijkheden, geschreven door R.H.M.V. Hoedemaekers onder begeleiding van een commissie onder voorzitterschap van Timmerman-Buck. In het rapport werd de waarde van menselijk embryo-onderzoek afgewogen tegen de beschermwaardigeid van menselijk leven. Therapeutisch en reproductief klonen zou verboden moeten blijven, wetenschappelijk-medisch embryo-onderzoek zou zo min mogelijk moeten plaats vinden. In november publiceerde het wetenschappelijk bureau Zorg tussen lidstaat en interne markt. Zorg­verzekeringen, EG-recht en particulier initiatief van de hand van de jurist J.W. van de Gronden, werkzaam bij het Europa Instituut van de Universiteit Utrecht. Hij ging na in hoe­verre vijf mogelijke varianten van zorgverzekering knelpunten zouden kunnen opleveren met Europese regelgeving.

De Commissie Buitenland van het CDA publiceerde in oktober ‘Een rechtvaardige aanpak’. Een christen-democratisch standpunt ten aan­zien van het Israëlisch-Palestijns conflict, voorbereid door een projectteam onder leiding van oud-minister en oud-partijvoorzitter P. Bukman. Na een historisch overzicht van het conflict sprak de commis­sie zich uit voor de zogenoemde routekaart, het vredesplan van de Verenigde Naties, de Europese Unie, Rusland en de Verenigde Staten, dat de vorming van een Palestijnse staat naast een erkend en veilig Israël behelsde. De Commissie organiseerde samen met het Vrouwenbe­raad op 23 mei te Utrecht een conferentie over de Europese Conventie onder de titel ‘De betrokkenheid van de burger bij de nieuwe EU’.

De Eduardo Frei Stichting, die zich bezig houdt met ontwikkelingssa­menwerking, organi­seerde op 5 en 6 juni in Scheveningen een confe­rentie over de kwetsbaarheid van de demo­cratie in Latijns-Ame­rika. Onder meer de oud-president van Bolivia, J. Quiroga Ramirez, verzorgde een inleiding. 

Het CDA-Theologenberaad, opgericht in 2002 door de theologiestudent M. Vroom en de Rotterdamse predikant R. Stiemer (zie Jaarboek 2002 DNPP, blz. 51) publiceerde in april de notitie Samenleving en multicul­turaliteit, waarin de theologen stelden dat inburgering van vreem­delingen moet aansluiten bij hun eigen identiteit. Voorts bevalen zij hun partij aan om de doelstelling van het (inmiddels niet meer actieve) Centrum voor Religie en Zingeving weer op te pakken en een dialoog aan te gaan met andere religies.

Het CDA-Vrouwenberaad hield op 15 februari een themadag over veilig voedsel in Utrecht, waarbij europarlementariër mevr. R. Oomen-Ruijten een inleiding verzorgde. Het jaarthema voor 2003, ‘Inburgering en emancipatie van migrantenvrouwen’, werd gelanceerd op de ledendag op 5 april in Utrecht. Over het thema schreef een projectgroep onder leiding van de Naaldwijkse wethouder mevr. M. Houben-Peters een discussienotitie getiteld De uitdaging, die inburgering heet! Het stuk bouwde voort op de (hierboven reeds vermelde) studie van het Weten­schappelijk Instituut over het onderwerp en bevatte een groot aantal stellingen over integratie van vrouwelijke migranten op verschillende terreinen, zoals buurt en wijk, arbeid, onderwijs, religie en recht. Op de ledendag nam de vrouwenorganisatie officieel afscheid van haar voor­zitter, Van Bijsterveldt, die in november 2002 partijvoorzitter was geworden. Als opvolger werd op 1 november 2003 door de partijraad mevr. A. Doesburg gekozen, die tot 1 april directeur was geweest van het Steenkampinstituut, dat de scholing en opleiding van de christen-demo­craten verzorgt. Een vertrouwenscommissie van het Vrou­wenberaad had aan­vankelijk twee kandidaten willen voordragen, maar toen één van hen zich terug trok bleef alleen Doesburg over.

Het Steenkampinstituut organiseerde samen met het Inter Cultureel Beraad op 12 april in Amsterdam een ‘interactieve dag voor allochtone raadsleden’. Op 31 oktober en 1 november vond onder de hoede van het opleidingsinstituut in Utrecht een debattoernooi plaats.

De CDA-Bestuurdersvereniging belegde op 9 mei in Utrecht een bij­eenkomst over het Natio­naal Bestuursakkoord Water – een inven­tarisatie van maatregelen voor korte en lange termijn – waarbij onder andere het Tweede-Kamerlid M.T.J.M. van Lith een inleiding ver­zorgde. De vereniging hield op 4 oktober in Ede de jaarlijkse be­stuur­dersdag. Op 22 november vond in Utrecht de ledenraad van de Bestuur­dersvereniging plaats, waar naast huishoudelijke zaken het thema ‘Europa’ aan bod kwam.

Het Christen Democratisch Jongeren Appèl (CDJA) kwam op 30 en 31 mei in Amers­foort bijeen voor een algemene ledenvergadering over huishoudelijke zaken). Een tweede congres vond plaats op 28 en 29 november te Amsterdam.

De Dertigers, een informele groep CDA-leden tussen de 25 en 40 jaar, brachten in november een manifest uit waarvan het concept in juni was geschreven en vervolgens was besproken en her­zien. De Dertigers pleit­ten voor voortzet­ting van de partijvernieu­wing in de richting van een open ‘volks- en netwerkbe­weging’, die zich meer zou openstellen voor niet-gelovigen en anders-gelovigen. Bovendien stelden ze voor, naast de vier grond­be­gin­selen van het CDA een vijfde te erkennen, namelijk zelf­standigheid en eigen verant­woor­delijkheid van de mens.

Laatst gewijzigd: 1 12-07-2012 12:01:20