Algemeen Ouderen Verbond (AOV) partijgeschiedenis

Het Algemeen Ouderenverbond (AOV) werd op 1 december 1993 opgericht op initiatief van M.C. Batenburg, gepensioneerd personeelschef van Philips in Eindhoven. De aanleiding lag in de bezuinigingen op de bejaardenoorden, die minister d'Ancona (PvdA) van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aangekondigd had. Deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen in Eindhoven in maart 1994 leverde de AOV meteen 14% van de stemmen en vijf zetels op. A.J.A. Rennenberg nam namens de partij in het college van burgemeester en wethouders plaats. Na dit succes, dat in de pers vrij veel aandacht kreeg, besloot het bestuur van het AOV om ook aan de Tweede Kamerverkiezingen deel te gaan nemen. De oud-hoogleraar bedrijfseconomie N. Tiemstra schreef een verkiezingsprogram dat de belangen van ouderen centraal stelde, maar ook een – tamelijk liberaal-conservatieve – visie op andere beleidsterreinen bevatte. Zo wilde het AOV-werkgelegenheid stimuleren door soepeler ontslagregels, langere werkweken en matiging van loonkosten. Voorts pleitte het voor afschaffing van vermogensbelasting, strenger straffen, goedkoper openbaar vervoer en invoering van een besluitvormend referendum.  De secretaris van het AOV, L.E.C. Boogaard, stelde een ontwerp-kandidatenlijst op, die door het bestuur definitief vastgesteld werd. De lijst werd aangevoerd door H. (Jet) M. Nijpels-Hezemans, die van 1986 tot 1993 raadslid voor de VVD in Eindhoven geweest en na een conflict met haar fractie eind 1993 die partij had verlaten.

Hoewel de nieuwe partij geen steun kreeg van de gevestigde ouderenbonden, kreeg zij wel de gelegenheid aanhang te verwerven op de protestbijeenkomst tegen de met name door het CDA voorgestelde bevriezing van de AOW op 13 april in het PSV-stadion te Eindhoven. Een belangrijk deel van de aanhang kwam uit christendemocratische kring; onder meer de toekomstige Kamerleden E.G. Aiking-Van Wageningen en Th. Hendriks. In april sloot het Brabantse Statenlid F.C. Geenen zich bij het AOV aan; hij werd kort daarna tot vicevoorzitter gekozen. In mei trad het Limburgse Statenlid P.J.G.J. Veugen toe. Beiden waren eveneens afkomstig uit het CDA. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in mei 1994 behaalde het AOV 3,6% van de stemmen en zes zetels. De meeste aanhang verkreeg het Verbond in het Zuiden des lands, veelal ten koste van het CDA; in mindere mate echter ook ten koste van de PvdA en andere partijen.

Na de triomfantelijke intocht in de Tweede Kamer begon de partij haar organisatie verder op te bouwen. In de zomer werden opgericht de Stichting AOV Midden- en Oost-Europa, het wetenschappelijk bureau - de Martin Batenburg Stichting - en een scholings- en vormingsinstelling, de Dr.Ir.F.J. Philips Stichting. F.J. Philips, oud-directeur van het gelijknamige bedrijf, had door middel van een genereuze lening deelname aan de Tweede Kamerverkiezingen mogelijk gemaakt. In september richtte een kleindochter van partijvoorzitter Batenburg met enkele anderen een jongerenorganisatie binnen het AOV op. De algemene ledenvergadering besprak op 29 oktober in Eindhoven nieuwe statuten, maar haalde niet het quorum (tweederde van het aantal leden) om die ook goed te keuren. Die goedkeuring vond wel plaats op de algemene ledenvergadering van 19 november, opnieuw in Eindhoven.

Al vanaf het begin werd de partij geplaagd door interne conflicten. In oktober 1994 kwam het kamerlid Hendriks in aanvaring met zijn fractievoorzitter. Zij verweet hem, zich niet aan afspraken te houden en solistisch op te treden. Op 8 oktober besloot het partijbestuur hem te royeren. De algemene ledenvergadering bekrachtigde het royement op 29 oktober. Hendriks wilde de vergadering bijwonen, maar hem werd de toegang ontzegd. Hierin zag hij aanleiding om zijn partijlidmaatschap op te zeggen. Hendriks bleef echter als onafhankelijke lid van de Tweede Kamer (Groep-Hendriks).

Tegelijkertijd brak een conflict uit binnen de AOV-afdeling Limburg. De provinciale afdeling zou statuten hebben aangenomen die in strijd waren met de landelijke partijstatuten. Het hoofdbestuur wees in oktober een nieuw afdelingsbestuur aan, maar het oude bestuur weigerde vooralsnog af te treden. Een lid van het hoofdbestuur, C.J. van Zwet, was het met deze gang van zaken niet eens en legde zijn functie als bestuurslid en campagneleider voor de Statenverkiezingen neer. Hij nam die stap mede vanwege bezwaren bij andere bestuursleden tegen de professioneel op te zetten ledenwerfcampagne die hij had voorgesteld. In februari 1995 brak een conflict uit in de provinciale afdeling Brabant - de bakermat van het AOV. De afdelingsvoorzitter L. van Son legde zijn functie neer en verliet de partij.

Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten van 8 maart 1995 wonnen AOV en Unie 55+ samen ruim 5% van de stemmen, iets meer dan bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994. In zes provincies - Drenthe, Flevoland, Gelderland, Noord-Brabant, Noord- en Zuid-Holland - had het AOV zijn lijst gecombineerd met die van de Ouderen Unie 55+, in vier provincies - Friesland, Groningen, Utrecht en Zeeland - had slechts het AOV een lijst ingediend en alleen in Limburg kwamen beide ouderenpartijen met een lijst uit.

De provinciale samenwerking met de Ouderen Unie 55+ ging gepaard met toenadering op landelijk niveau. Reeds in 1994 waren gesprekken gevoerd over een eventuele fusie. Op 13 februari 1995 ondertekenden bestuursleden van beide partijen een convenant voor samenwerking, die te zijner tijd in fusie zou kunnen uitmonden. Programmatische verschillen zag men nauwelijks, cultuurverschillen wel: de Ouderen Unie 55+ zou volgens haar secretaris vooral ouderen trekken die uitsluitend van hun AOW leefden, terwijl het AOV ook veel ouderen met een eigen pensioen onder zijn aanhang zou tellen.

De samenwerking met de Unie 55+ werd echter geremd door de conflicten binnen het AOV, die in april 1995 oplaaiden. Partijvoorzitter Batenburg wilde graag lid van de Eerste Kamer worden, maar bleek door een selectiecommissie op een onverkiesbare achtste plaats gezet te zijn. De commissie was hierover overigens verdeeld; haar voorzitter, B. Maris, had Batenburg wel een verkiesbare plaats gegund. De andere twee leden van de commissie achtten Batenburg echter fysiek niet in staat om het lidmaatschap van de Eerste Kamer te combineren met het partijvoorzitterschap en het lidmaatschap van de Provinciale Staten van Noord-Brabant. Het hoofdbestuur van de partij nam - in meerderheid - de aanbevelingen van de commissie over. De partijvoorzitter raakte hierover zeer ontstemd en beschuldigde de commissie en het hoofdbestuur van 'leeftijdsdiscriminatie'. Zijn aanhangers binnen de partij organiseerden daarop een lobby onder de Statenleden om Batenburg via voorkeurstemmen alsnog in de Eerste Kamer te krijgen. Het Tweede Kamerlid C.S. van Wingerden schreef in april een brief met deze strekking aan alle Statenleden. Hij verweet fractievoorzitter Nijpels-Hezemans dat zij 'onze voorzitter, aan wie we veel te danken hebben, de grond in wil trappen' en liever eigen vriendjes kandidaat wilde stellen voor de Eerste Kamer.

Daarmee vergrootte Van Wingerden de toch al bestaande spanning in zijn fractie, waarvan de meerderheid onder leiding van Nijpels-Hezemans de kant van het hoofdbestuur koos. Het hoofdbestuur besloot op 12 mei Van Wingerden te schorsen, naar aanleiding van zijn campagne voor Batenburg en de kritiek die hij geleverd had op de fractievoorzitter. Het kamerlid W.J. Verkerk, dat zich tot dan toe verre van de conflicten had gehouden, nam het op voor Van Wingerden en noemde de groep rond Nijpels-Hezemans 'carrièrejagers'. Op 30 mei werd hem de toegang tot het secretariaat van de fractie ontzegd door Nijpels-Hezemans.

Bij de verkiezing van de Eerste Kamer won Batenburg dankzij voorkeurstemmen toch een zetel, naast de lijsttrekker, kolonel b.d. J. Hendriks. De Eerste-Kamerfractie van het AOV raakte evenals de Tweede Kamerfractie hierop in twee kampen verdeeld: 'Batenburgers' tegenover 'Nijpelianen'. Beide groepen beschuldigden elkaar van sektarisme, politiek extremisme en paranoïde gedrag. Nijpels-Hezemans werd onder meer verweten dat zij een medewerker had aangesteld met een links-extreme achtergrond; deze E. van den Berg was in de jaren zeventig in Eindhoven leider van de - van terrorisme verdachte - Rode Jeugd en in de jaren tachtig raadslid voor de PSP geweest. Op 2 juni royeerde het hoofdbestuur - dat wil zeggen: een meerderheid van zeven leden - partijvoorzitter Batenburg. Hem werd ook de financiële chaos verweten die na de verkiezingscampagnes zou zijn ontstaan. Het hoofdbestuur, tijdelijk geleid door A. Turkenburg, vroeg surséance van betaling en op 8 juni faillissement van de partij aan. Het hoofdbestuur wees mede om financiële redenen het voorstel van Batenburg om op 10 juni een algemene ledenvergadering te houden af; men achtte bovendien deze korte termijn in strijd met de statuten. Batenburg zette echter door en organiseerde met zijn medestanders op 10 juni een algemene ledenvergadering in Utrecht. De rechter verleende uitstel van faillissement. Een zakenman en onafhankelijk raadslid in Bergen op Zoom (in 1998 overigens lijstaanvoerder van de partij Nederland Mobiel), A.J.F.M. Linssen, zou de bijeenkomst financieren. De driehonderd aanwezige leden handhaafden Batenburg als partijvoorzitter, royeerden de meerderheid van het hoofdbestuur evenals de Tweede Kamerleden Nijpels-Hezemans, Boogaard en Aiking-van Wageningen evenals het Eerste Kamerlid Hendriks. Waarnemend voorzitter Turkenburg tekende bezwaar aan tegen de gang van zaken maar werd vrij snel afgehamerd. De geroyeerde leden zouden vervolgens een nieuwe partij oprichten, Senioren 2000.

Batenburg zou leidinggeven aan een 'opbouw managementteam', dat als voorlopig bestuur op zou treden. C. van der Kolk werd plaatsvervangend voorzitter, F. Willemse de nieuwe penningmeester - de vijfde in successie sinds de oprichting van de partij in 1993. Op 20 september 1995 wees de rechter het verzoek om het AOV-failliet te verklaren af. Voor de schulden - volgens het 'opbouw managementteam' lang niet zo hoog als beweerd door het vorige bestuur - werd een regeling getroffen. Op 21 november vond in Driebergen opnieuw een algemene ledenvergadering plaats, waarop Batenburg herkozen werd als partijvoorzitter tot april 1996.

Eindhoven was de bakermat van het AOV en de enige gemeente waar deze ouderenpartij een wethouder had. In maart 1996 wilde het AOV de langdurig zieke wethouder, Rennenberg, vervangen door zijn fractievoorzitter Th. Den Ouden - evenals Nijpels vroeger raadslid voor de VVD in Eindhoven. De andere partijen in het college van burgemeester en wethouders verzetten zich hier echter tegen. Ze steunden bovendien een motie van wantrouwen tegen Rennenberg in april. Door de motie aan te nemen verwijderden zij in feite het AOV uit het college. In mei nam Rennenberg dan ook ontslag.

Op 8 juni 1996 koos de algemene ledenvergadering H. Baron tot partijvoorzitter, als opvolger van Batenburg. Batenburg zou vervolgens de adviserende functie van 'verbondsleider' krijgen. Op de ledenvergadering in Almere in september 1997 verwierf hij echter onvoldoende stemmen, waarna hij verbitterd de zaal verliet. In 1998 zou hij een nieuwe partij oprichten, het Nieuw Solidair Ouderenverbond (NSOV).

In november trad Baron echter reeds af, waarna het Limburgse Statenlid Veugen zijn functie waarnam. Het nieuwe bestuur streefde naar samenwerking met de twee andere ouderenpartijen, maar besprekingen met Senioren 2000 stuitten op te veel weerstand binnen de eigen gelederen. Met de Unie 55+ werd wel samengewerkt, zowel binnen de Tweede kamer als op lokaal niveau. In februari 1997 sloten de besturen van AOV en Unie 55+ een overeenkomst om aan de Tweede-Kamerverkiezingen van 1998 met een gezamenlijke lijst deel te nemen. Bij de besprekingen was ook Solidair '93 betrokken, de partij die onder leiding van oud-vakbondsleider J. van de Scheur in 1994 zonder succes aan de Tweede- Kamerverkiezingen had deelgenomen, maar in dat jaar wel in enkele gemeenteraden een zetel gewonnen had. Uiteindelijk haakte Solidair '93 echter weer af

De algemene ledenvergadering van het AOV sprak op 5 april 1997 in Utrecht haar goedkeuring uit voor de samenwerking met de Unie 55+, al tekende een minderheid verzet aan. Het bestuur van de Haagse afdeling trad uit protest af. De algemene ledenvergadering koos waarnemend voorzitter Veugen tot partijvoorzitter. Op 15 mei besloten de hoofdbesturen van AOV en Unie 55+ het Tweede Kamerlid voor de Unie, H.A. Leerkes, voor te dragen als lijsttrekker van de gezamenlijke lijst. Op 14 juni zou een algemene ledenvergadering van het AOV de kandidaten van het Verbond voor de gezamenlijke lijst aanwijzen, maar omdat de agenda te laat was uitgedeeld was de vergadering niet rechtsgeldig. Op 20 september kwamen de leden hiervoor opnieuw bij elkaar, in Almere. De vergadering had een wat onordelijk verloop; tussen bestuur en leden bleek nogal wat wantrouwen te bestaan. Het bestuur verschilde van mening met de selectiecommissie over de volgorde op de kandidatenlijst, maar uiteindelijk stelde de meerderheid van de leden weer een andere volgorde vast. Niet partijvoorzitter Veugen maar het Groningse Statenlid A. van Maanen zou de kandidatenlijst aanvoeren, Veugen kreeg plaats drie. De zittende Tweede Kamerleden kwamen niet op de lijst voor. Fractievoorzitter Verkerk, reageerde teleurgesteld. In april 1998 zou hij de fractie verlaten. Zijn fractiegenoot Van Wingerden had zich niet herkiesbaar gesteld. In november wezen de besturen van AOV en Unie 55+ als gezamenlijke lijstaanvoerder voor de Kamerverkiezingen A.H. Scheltens aan, op dat moment voorzitter van de fractie van AOV/Unie 55+ in de Provinciale Staten van Noord-Brabant. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 had hij op de tweede plaats van de kandidatenlijst van de Unie 55+ gestaan. Lijstduwer werd J.(Jim) L. Janssen van Raay, die tien jaar lang het CDA in het Europees Parlement had vertegenwoordigd maar in 1996 met die partij had gebroken om zich vervolgens aan te sluiten bij de fractie van de Unie voor Europa.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1998 behaalden de samenwerkende ouderenpartijen AOV en Unie 55+ een verrassende winst: 47 zetels, in 35 gemeenten, terwijl ze in 1994 slechts tien zetels hadden verworven. Daarbij moet men wel bedenken dat AOV en Unie 55+ toen maar in enkele gemeenten meededen, als een soort try-out voor de Tweede Kamerverkiezingen. In die gemeenten leden ze wel enig verlies: zo viel het AOV in zijn ’geboortestad’ Eindhoven terug van vijf naar drie zetels. De Seniorenpartij in Maastricht verloor één zetel. Over het algemeen wisten de ouderenpartijen zich het best te handhaven in grotere steden, al valt op dat ze geen zetels behaalden in Amsterdam en Den Haag, waar ze nog met elkaar concurreerden. In de gemeenten waar wel zetels werden behaald, hadden zij hun lijsten gecombineerd of nam slechts één van de partijen deel. Het hoogste stemmenpercentage haalde de combinatie AOV/Unie 55+ in Maassluis (14%), gevolgd door Den Helder (9%) en Lelystad (7%).

Het verkiezingsprogramma van de combinatie AOV/Unie 55+ zou men minder liberaal en meer sociaal-conservatief kunnen noemen dan het program van het AOV uit 1994. Het pleitte voor een sluitende begroting, maar niet voor lastenverlichting. De AOW zou gegarandeerd welvaartsvast moeten zijn, de premie moest omhoog. Voorts wilde AOV/Unie 55+ de bijstand verhogen en het drugsbeleid strenger maken. Het AOV voerde een bescheiden campagne – voor ongeveer 50.000 gulden, schatte een medewerker – waarbij kandidaten onder meer met een caravan langs bejaardencentra trokken. De nadruk viel op de AOW, die men met 45 gulden per week wilde verhogen. Met krap 46.000 stemmen (0,53%) haalde de combinatie net geen zetel. Onderlinge verdeeldheid had niet alleen kiezers afgeschrikt, maar ook de spoeling te zeer verdund. Naast AOV/Unie 55+ namen immers ook Senioren 2000 en het Nieuw Solidair Ouderen Verbond (NSOV) aan de verkiezingen deel. Samen haalden ze ruim 1% van de stemmen, wat zeker voldoende voor een zetel zou zijn geweest.

De neergang van de ouderenpartijen zette zich voort in 1999. Samen haalden ze iets minder dan 0,8% bij de Statenverkiezingen, goed voor zes zetels (in plaats van 33 in 1995). Bij de Eerste Kamerverkiezingen in hetzelfde jaar werd geen zetel behaald. De oprichter van het AOV, Batenburg, keerde niet terug in de Senaat en sloot zich aan het eind van het jaar aan bij het CDA. De ouderenpartijen namen niet deel aan de Europese verkiezingen van 1999, maar hun lijstduwer wel: Janssen van Raay was lijstaanvoerder van het Europees Verkiezers Platform Nederland (EVPN), dat overigens ook geen zetel behaalde.

In december 2001 werd eindelijk het fusieproces voltooid en gingen AOV, Unie 55+ en Senioren 2000 op in de Verenigde Senioren Partij (VSP), al haakte een deel van de Unie 55+ daarbij af.

 

Laatst gewijzigd: 1 11-05-2020 12:16:35