VVD jaaroverzicht 2005

Uit: J. Hippe, R. Kroeze, P. Lucardie, N. van de Walle en G. Voerman, 'Kroniek 2005. Overzicht van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 2005' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 2005 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2006), 14-98, aldaar 89-98.

inleiding

‘Niemand kan ontkennen dat 2005 zeer levendig is verlopen in onze liberale volks­partij’, aldus partijvoorzitter J.H.C. van Zanen in zijn terugblik (Jaarverslag 2005 VVD-Hoofdbestuur). De VVD nam een nieuw beginselmanifest aan, voerde campagne in de aanloop naar het referendum over de Europese grondwet, en trof voorbereidingen voor de Tweede-Kamerverkiezingen die in 2007 waren geagendeerd. Bij dit alles traden ook tegenstellingen binnen de partij aan het licht.

Hirsi Ali

Op 18 januari keerde het Tweede-Kamerlid mevr. A. Hirsi Ali onder grote belangstelling van de media terug in de Tweede Kamer. Sinds de moord op de filmregisseur Th. van Gogh op 2 november 2004 was zij – overwegend in het buitenland – ondergedoken vanwege bedreigingen door moslimextremisten (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 102). Op de naar aanleiding van haar terugkeer gehouden persconferentie maakte Hirsi Ali een zelfbewuste indruk; ze zei door te gaan met haar strijd tegen ‘beginselen van de islam die onverenigbaar zijn met de liberale democratie’ (de Volkskrant, 19 januari 2005). Hirsi Ali kondigde daarbij een tweede deel van de film Submission aan, die zij samen met Van Gogh had gemaakt. In november deelde zij mee dat het script af was; in 2006 zouden de opnamen voor de film worden gemaakt.

Op 18 februari protesteerde Hirsi Ali publiekelijk tegen de wijze waarop zij en het eveneens bedreigde Tweede-Kamerlid G. Wilders beschermd werden tegen terroristische dreigingen door hun geheime verblijfplaat­sen bekend te maken. Hirsi Ali wilde een algemeen bekend maar goed beveiligd adres hebben waar ze kon gaan wonen, zodat ze volledig kon deelnemen aan het maatschappelijke en politieke leven. Ook Tweede-Kamervoorzitter F.W. Weisglas drong aan op vaste woonruimte voor bedreigde kamerleden. Hoewel minister J.P.H. Donner van Justitie kritiek uitte op de handelwijze van Hirsi Ali, vond zijn departement al snel een nieuwe woning voor haar.

Begin maart werd Hirsi Ali voor de rechter gedaagd door vier moslims, die haar uitspraken in woord en geschrift en in de film Submission Part I over de islam en de profeet Mohammed ‘grievend en beledigend voor de islamitische bevolkingsgroep’ achtten (NRC Handelsblad, 15 maart 2005). Op 15 maart sprak de rechter uit dat Hirsi Ali niet de wet had overtreden, maar wel de grenzen ervan had opgezocht. De rechter maande het kamerlid voorzichtiger te zijn met haar uitspraken.

Op 10 april maakte Time Magazine bekend dat het blad Hirsi Ali op de lijst van de ‘invloedrijkste personen ter wereld’ had gezet, omdat zij iemand was die op zou komen voor haar overtuiging. Hirsi Ali zelf vond de uitverkiezing ‘een hele grote eer’ (Trouw, 11 april 2005).

gekozen burgemeester

In maart behandelde de Eerste Kamer het voorstel van minister De Graaf voor Bestuur­lijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties om de grondwet zodanig te wijzigen dat burgemeesters niet langer door de Kroon benoemd, maar eventueel door de burgers gekozen zouden worden (zie in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’). In 2003 had een partijcommissie van de VVD de rechtstreeks door de bevolking gekozen burgemeester aanbevolen (zie Jaarboek 2003 DNPP, blz. 175). Binnen de partij was dit standpunt omstreden – ook al zou het in mei 2005 in het Liberaal Manifest worden opgenomen (zie hieronder). Op 14 januari 2005 stelde een extra algemene ledenverga­dering van de VVD-Bestuur­dersvereniging vast dat het nut en de noodzaak van de invoering van een direct gekozen burgemeester niet was aangetoond. De vergadering drong er bij de Eerste-Kamerfractie op aan dat dit eerst zou gebeuren, voordat er over de zogeheten ‘deconstitutionalisering’ zou worden besloten. Op 5 maart riep oud-partijleider H. Wiegel de liberale senato­ren op om tegen de plannen te stemmen en zo nodig het kabinet te laten vallen. Ondanks deze druk ging de liberale Eerste-Kamer­­fractie akkoord met het voorstel.

Liberaal Manifest

In 2003 had de algemene vergadering van de VVD besloten het in 1981 vastgestelde Liberaal Manifest te actualiseren (zie Jaarboek 2003 DNPP, blz. 131). In 2004 werd daartoe een commissie ingesteld onder leiding van G. Dales, burgemeester van Leeuwarden (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 101). Deze commissie presenteerde op 25 februari 2005 de conceptversie, getiteld Om de vrijheid. Liberaal Manifest. Hierin wer­den onder meer een aantal ingrijpende bestuurlijke hervormingen voor­gesteld, zoals de directe verkiezing van de formateur (en daarmee hoogstwaarschijnlijk de minister-president) en de burgemeester. Deze staatkundige vernieuwingsvoorstellen waren binnen de partij omstreden. Oud-partijleider H.F. Dijkstal zag net als minister H.G.J. Kamp van Defensie niets in een gekozen formateur/premier. Op een partijbijeen­komst op 12 maart, waar partijleden over het manifest in discussie konden gaan met de commissie-Dales, was evenmin veel enthousiasme te bespeuren over deze voornemens.

Op 27 en 28 mei boog de algemene vergadering zich over het Liberaal Manifest. Met 346 tegen 241 stemmen wees het ledencongres de geko­zen formateur af, nadat het erelid H.J.L. Vonhoff en de Kamervoorzitter Weisglas zich hiertegen hadden gekeerd. Vervolgens diende oud-voor­zitter mevr. C. Scheidel van de Jongeren Organisatie Vrijheid en Demo­cratie (JOVD) met steun van partijvoorzitter Van Zanen een voorstel in voor een rechtstreeks gekozen minister-president, dat met een nipte meerderheid werd aangenomen (287 tegen 273 stemmen). Verder stemden de leden ook in met de invoering van de gekozen burgemeester en het referendum (in bepaalde gevallen). Tweede-Kamerfractie­voor­zitter J.J. van Aartsen toonde zich hierover zeer tevreden; ‘dit is een geweldige doorbraak’, zo meende hij (Trouw, 30 mei 2005). Oud-par­tijleider Wiegel reageerde afwijzend, omdat voor de invoering van de gekozen premier een veel tijd kostende grondwets­wijziging noodzake­lijk was. Dijkstal reageerde uiterst negatief. Hij meende dat de VVD onder leiding van Van Aartsen ‘te veel populis­tische trekjes’ had gekre­gen en overwoog zijn partijlidmaat­schap op te zeggen (Dagblad van het Noorden, 3 juni 2005). Ook in 2004 leverde Dijkstal scherpe kritiek op de koers van de VVD (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 96).

De uitkomsten van het debat op de algemene vergadering over het Libe­raal Manifest werden door de commissie-Dales verwerkt in een defi­nitieve versie. Op 26 november werd die aangeboden aan het hoofd­bestuur. Het document fungeerde binnen de partij als paraplu voor dis­cus­sies over andere onderwerpen. In dit verband stonden op de alge­mene ledenvergade­ring van 17 december de zogeheten ‘visiedocu­men­ten samen­leving’ centraal. De leden bespraken toen thema’s als ver­grij­zing, arbeidsmigratie en gezondheidszorg. De uitkomsten van de dis­cus­sies zouden door de programcommissie worden betrokken bij de op­stel­ling van het VVD-programma voor de komende Kamer­verkiezingen.

vrijheid van onderwijs

De onenigheid binnen de VVD over de vrijheid van onderwijs in 2004 (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 102-103) duurde in 2005 voort. Om het oprichten van moslimscholen tegen te gaan, pleitten onder meer Hirsi Ali, Van Aartsen en minister mevr. M.C.F. Verdonk voor Vreemdelin­genzaken en Integratie voor de afschaffing van artikel 23 van de grond­wet, dat de onderwijsvrijheid regelt. Hun partijgenoot M. Rutte, staats­secretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, was echter tegenstan­der van de afschaffing van het recht op subsidiëring van bijzonder onderwijs. Volgens hem verwoordde artikel 23 ‘een fundamenteel liberaal recht’ (Trouw, 10 februari 2005).

In de conceptversie van het Liberaal Manifest had de commissie-Dales voorgesteld artikel 23 van de grondwet over de vrijheid van onderwijs dusdanig aan te passen, dat de staat het recht zou krijgen in te grijpen wanneer het onderwijs niet ‘vrij is van discriminatie op levensbeschou­welijke gronden (cf. artikel 1 van de Grondwet)’, of ‘de bestaande Nederlandse rechtsorde’ niet zou aanvaarden (Om de vrijheid. Liberaal Manifest, blz. 65). De rangorde in de grondrechten die de commissie zo aanbracht (het anti-discriminatiebeginsel dat boven de vrijheid van onderwijs en van godsdienst gaat), was binnen de VVD omstreden. Het Tweede-Kamerlid C.G.A. Cornielje vond deze ‘niet wenselijk’ (Neder­lands Dagblad, 26 februari 2005). Ook Wiegel kantte zich op 5 maart in de reeds aangehaalde toespraak tegen beperkingen van de onderwijs­vrijheid. De algemene vergadering van 27 en 28 mei nam de betreffende passage uit het manifest echter ongewijzigd over.

In oktober publiceerde een in 2003 ingestelde werkgroep van de Prof.mr. B.M. Tel­dersstichting – het wetenschappelijk bureau van de VVD – het geschrift De grenzen van de open samenleving. Migratie- en integratiebeleid in liberaal perspectief . De door J.G.C. Wiebenga voorgezeten werkgroep week in dit rapport af van het partijstandpunt, door afschaffing te bepleiten van ‘de publieke financiering van het godsdienstig bijzonder onderwijs’.

conflict Hirsi Ali en Wiegel

In de herfst van 2005 leidde het debat binnen de VVD over de vrijheid van onderwijs tot een harde botsing tussen Wiegel en Hirsi Ali. Begin januari waren beiden al met elkaar in aanvaring gekomen, toen Wiegel in een televisieprogramma Hirsi Ali ‘geen goede liberaal’ noemde, omdat zij moslims voor de keuze zou stellen te kiezen tussen hun geloof en de grondwet (de Volkskrant, 3 januari 2005).

Na de presentatie van het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2005 op 21 novem­ber kwamen de twee weer met elkaar in conflict. In een inter­view in het Jaarboek noemde Hirsi Ali Wiegel een ‘reactionair conservatief’ die in het ‘land van Ooit’ zou leven (NRC Handelsblad, 22 november 2005). Met name keerde zij zich tegen Wiegels opvatting dat het bijzonder onderwijs moest blijven bestaan: zij wilde het juist afschaffen omdat het zou bijdragen aan maatschappelijke segregatie. Wiegel adviseerde Hirsi Ali per brief: ‘niet op de persoon spelen, geen wiggen drijven, niet zo fanatiek, respect voor andersdenkenden en verdraagzaamheid: zo kunnen wij onze Nederlandse samenleving ver­sterken en een toekomst bieden’ (Trouw, 23 november 2005). Onder druk van de Tweede-Kamerfractie nam Hirsi Ali het woord ‘reactionair’ terug, zonder dat ze haar standpunt over het bijzonder onderwijs wij­zigde.

In de daarop volgende (door kranten gepubliceerde) correspondentie raakte het tweetal nog verder van elkaar verwijderd. Wiegel meende dat Hirsi Ali de maatschappelijke tegenstellingen verscherpte; Hirsi Ali kondigde aan uit de VVD te stappen wanneer Wiegel partij­leider zou worden (zie hieronder). Tweede-Kamer­fractievoorzitter Van Aartsen riep de beide kemphanen op hun toon wat te matigen.

Het debat bracht binnen de VVD verdeeldheid aan het licht: de gewezen partijleider F. Bolkestein en directeur P.G.C. van Schie van de Telders­stichting steunden Hirsi Ali, terwijl Wiegel werd bijgevallen door JOVD-voorzitter K.J. Terwal en mevr. N. Ginjaar-Maas, staatssecretaris voor Onderwijs in de periode 1982-1989.

Op de partijraad van 26 november maande Van Aartsen zijn beide partijgenoten opnieuw tot terughoudendheid. Hij meende dat Hirsi Ali niet op deze wijze met Wiegel had mogen omgaan, maar verklaarde tegelijkertijd dat Hirsi Ali alle ruimte had om op persoonlijke titel tegen artikel 23 van de grondwet te ageren.

voortzetting regeringscoalitie

In april stelde Van Aartsen in het blad Forum van de werkgeversorgani­satie VNO-NCW, dat na de volgende Tweede-Kamerverkiezingen ‘de coalitie gewoon door moet’. De voorzitter van de liberale Tweede-Kamerfractie zag weinig in samen­werking met de PvdA, omdat de sociaal-democraten ‘nog steeds een behoudende partij’ waren (de Volkskrant, 21 april 2005). Op 2 mei riep Van Aartsen in Trouw de coalitiepartijen CDA, D66 en VVD op om gezamenlijk met één kandi­daat-premier de komende Kamerverkiezingen in te gaan. CDA en D66 wezen het voorstel direct af. Van Aartsens partijgenoot Wiegel steunde het plan en bleek een groot voorstander van stembusakkoorden. Vlak voor de algemene vergadering in mei verklaarde Van Aartsen in het televisie­programma ‘Barend & Van Dorp’ dat Wiegel ‘een uitstekende kandidaat’ zou zijn als gezamenlijke lijsttrekker en kandidaat-premier namens de drie regeringspartijen (NRC Handelsblad, 26 mei 2005).

Tweede-Kamerverkiezingen 2007: lijsttrekkerschap

Op 24 februari sprak Wiegel in het televisieprogramma ‘Felderhof ontmoet’ zich openlijk uit over een terugkeer in de landelijke politiek. Sinds zijn vertrek uit Den Haag in 1982 had hij vaker gespeculeerd over een come-back. Liberale Tweede-Kamerleden rea­geer­den weinig enthousiast. Volgens een peiling van onderzoeks­bureau Interview was Wiegel van de drie mogelijke VVD-leiders – naast vice-premier G. Zalm en Van Aartsen (sinds 2004 ‘politiek aanvoerder’; zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 99-100) – veruit de populairste bij de liberale kiezers. Uit een peiling van M. de Hond in maart bleek dat onder zijn aanvoe­ring de VVD goed zou zijn voor dertig zetels. Zoals reeds vermeld, noemde Van Aartsen in mei Wiegel de ideale kandidaat voor het pre­mierschap.

Op 20 september verklaarde Zalm in een radioprogramma dat hij niet van plan was zich beschikbaar te stellen als lijsttrekker voor de vol­gende Tweede-Kamer­verkiezingen, die in mei 2007 waren voorzien. Van Aartsen had zich al in 2004 openlijk kandidaat gesteld (zie Jaar­boek 2004 DNPP, blz. 99-100). Hij ambieerde evenwel alleen die functie wanneer de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2006 succes­vol zouden verlopen voor de VVD. Staatssecretaris Rutte gaf te kennen niet in de race te zijn voor het lijsttrekkerschap. ‘Van Aartsen moet het gaan doen, want hij is de sterkste kandidaat’ (de Volkskrant, 10 septem­ber 2005). Van Aartsens kandidatuur was echter niet onbetwist. In november stelde voorzitter J.W.J.H. de Backer van de JOVD: ‘in de VVD is de leider ook nog niet gevonden’ (NRC Handelsblad,16 november 2005).

Tweede-Kamerverkiezingen 2007: programma

Op 30 november werd bekend dat B. Verwaayen, topman van British Telecom, voorzitter werd van de commissie die het programma moest opstellen voor de Tweede-Kamerverkiezingen.

herinvoering doodstraf

Eind februari pleitte directeur Van Schie van de Teldersstichting in het blad Liberaal Reveil voor afschaffing van het verbod op de doodstraf. Voor mensen die gruwelijke of meervoudige moorden of oorlogsmisda­den hadden begaan of terroristische aanslagen hadden gepleegd, moest de doodstraf gelden. De VVD-fractie in de Tweede Kamer keerde zich direct bij monde van mevr. L.J. Griffith tegen het voorstel. Euro­parle­mentariër J. Maaten noemde het voorstel van Van Schie ‘een slecht idee en moreel verwerpelijk’ (de Volkskrant, 23 februari 2005).

Amsterdamse wethouder Huffnagel

Eind april raakte in Amsterdam de in januari 2004 aangetreden wethou­der voor Financiën F. Huffnagel in opspraak. Hij zou in 2002 en 2003 ongeveer 20.000 euro aan onkostenvergoedingen die hij als fractievoor­zitter toucheerde, niet bij de fiscus hebben opgegeven (zie verder in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’). Huffnagel verklaarde dat hij niet bewust de vergoedingen had verzwegen. Een paar dagen later stortte hij het te veel ontvangen geld terug en bood hij schriftelijk aan de gemeente­raad zijn excuses aan. Op 11 mei diende Huffnagel zich te verantwoorden in de raad, maar op 8 mei trad hij af omdat hij ver­wachtte dat coalitiegenoot de PvdA hem niet langer wilde handhaven. Per 1 juni volgde het Tweede-Kamerlid Griffith hem op als wethou­der. Haar kamerzetel werd ingenomen door mevr. A.D.S.M. Nijs, die tot 9 juni 2004 staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap was geweest (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 96).

referendum Europese grondwet

Nadat in november 2003 de Tweede Kamer – inclusief een lang aarze­lende VVD-fractie – had ingestemd met het houden van een referendum over de Europese grond­wet, ging op 25 januari 2005 de Eerste Kamer akkoord (zie ook in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’). Ook de senatoren van de VVD hadden lang getwijfeld of zij hun stem zouden geven aan dit voorstel, maar uiteindelijk steunden zij ook de volksraad­pleging. Van Aartsen verklaarde op 18 april niets te voelen voor beper­kende voor­waarden aan het referendum (zoals bijvoorbeeld met betrek­king tot de opkomst), maar de uitslag te allen tijde te zullen respecteren, ‘ook als de opkomst maar 5 procent zou bedragen’ (NRC Handelsblad, 19 april 2005). Op de algemene vergadering van de VVD op 27 mei verklaarde hij dat de Tweede Kamer de uitslag diende over te nemen. Zijn fractiegenoot J.C. van Baalen meende daarentegen dat het referen­dum niet meer dan een advies was en dat de Kamer een eigen afweging moest maken.

De VVD was voorstander van de Europese grondwet, onder meer omdat de nationale parlementen zo meer invloed zouden krijgen op het Euro­pees beleid. In de aanloop naar het referendum bracht de partij de bro­chureDe VVD is voor de Europese Grond­wet. In het Nederlandse belang! uit, met als ondertitel Een nuchter ja! De Telders­stichting publi­ceerde Het Europees constitutioneel verdrag, getoetst op transpa­rantie, democratie en doelmatigheid, opgesteld door een werkgroep met daarin onder anderen de oud-ministers W.F. van Eekelen en H. Lang­man. In beide publicaties werd een stem vóór de Europese grondwet bepleit.

De negatieve uitslag van het referendum op 1 juni kwam voor de VVD als een teleur­stelling. Oud-partijleider Wiegel verweet zowel het kabinet als de partijen die voor de grondwet waren een slechte campagne te hebben gevoerd.

aanpassing statuten en reglementen

De algemene vergadering van afgevaardigden (waarin alleen vertegen­woordigers van de afdelingen stemrecht hebben; zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 100) besloot op 17 december tot aanpassing van de statuten, het huishoudelijk reglement en de kandidaat­stellingsreglementen van de VVD. Voor een deel ging het hier om het verwerken van al eerder aanvaarde vernieuwingsvoorstellen (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 100-101). Verder werd onder meer het persoonlijk stemrecht ingevoerd op vergaderingen van de regionale partijorganisaties. Het voorstel om de mogelijkheid van een proef­lidmaatschap in te voeren werd aangehou­den; het hoofdbestuur zei toe met een nader voorstel te komen.

kilometerheffing

Bij de algemene politieke beschouwingen op 21 september sprak frac­tievoorzitter Van Aartsen zich onverwachts tegen de invoering van kilometerheffing uit. Volgens hem zou Nederland niet groot genoeg zijn voor dit systeem waardoor de kosten te hoog zouden worden. Hij kwam daarmee terug van de eerder uitgesproken steun van de fractie aan het plan voor een kilometerheffing dat fractielid P.H. Hofstra een jaar eerder had gepresenteerd (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 103). Hofstra was niet gelukkig met de opstelling van Van Aartsen, maar deze hield voet bij stuk: ‘Ik begrijp dat Hofstra geëmotioneerd is over dit onder­werp, maar het is aan mij om de lijn uit te zetten’ (NRC Handelsblad, 22 september 2005). Na fractieberaad en bemiddeling van Wiegel, veran­derde Van Aartsen een dag later deels van mening, door zich niet prin­cipieel tegen rekeningrijden te verklaren. Op 4 oktober bevestigde de fractie dat onder voorwaarden en op de lange termijn kilometerheffing niet was uitgesloten.

gemeenteraadsverkiezingen 2006

Tijdens de jaarvergadering van de VVD-Bestuurdersvereniging werd de Leidraad gemeentelijke verkiezingsprogramma’s 2006-2010 vastge­steld. Na de zomer startte de partij met de voorbereiding van de cam­pagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart 2006. Campag­neleider was Rutte. Op 5 november had in het kader van het congres van de VVD-Bestuurdersvereniging in Lunteren de bijeenkomst Local heroes plaats, bedoeld voor alle lijsttrekkers en lokale campagneleiders.

In de herfst werden in acht afdelingen ledenraadplegingen gehouden, waarin leden de volgorde van de kandidatenlijst konden bepalen. Het was voor het eerst dat zij van deze mogelijkheid gebruik konden maken.

verwante instellingen en publicaties

Op 22 januari, 26 februari, 18 juni, 8 oktober en 26 november hield de VVD partij­raden. Achtereenvolgens kwamen hier het milieu, wonen, zorg en welzijn, onderwijs, de miljoenennota en wijkontwikkeling aan bod. Op 16 april en 29 oktober organi­seerde de partij zogeheten ‘flits­congressen’. Op de eerste bijeenkomst werd gedis­cussieerd over crimi­naliteitsbestrijding, aan de hand van de notitie Effectief en op maat. Op 29 oktober stond de notitie Krijgsmacht in een nieuwe jas centraal, die handelde over vredesmissies.

Op 29 augustus bood de partijcommissie Seniorenbeleid de discussie­nota Aandacht voor senioren aan het hoofdbestuur aan. De commissie wilde onder meer erkenning dat senioren volwaardig lid zijn van de maatschappij. De nota moest dienen als dis­cussiestuk in de partij.

Op 24 februari 2005 hield de Amerikaanse hoogleraar geschiedenis J. Gillingham in Leiden de jaarlijkse Telderslezing, onder de titel ‘Europe at the tipping point’. Hij raadde aan om de Europese grondwet af te wijzen. De lezing werd door de Telderstichting als brochure uitgegeven. Naast de hierboven reeds vermelde publi­ca­ties gaf de Teldersstichting in de zomer de bijdragen uit van het congres dat het bureau in december 2004 had gehouden ter gelegenheid van zijn vijftigjarig bestaan (zie Jaarboek 2004 DNPP, blz. 104). De bundel, getiteld Liberaal licht op de toe­komst, was geredigeerd door mevr. W.P.S. Bierens.

Op 19 en 20 november hield de Jongeren Organisatie Vrijheid en Demo­cratie (JOVD) haar jaarlijkse congres. De Backer maakte als voor­zitter plaats voor K.J. Terwal.

Het Liberaal Vrouwen Netwerk – dat als doel heeft om de liberale invloed voor onderwerpen die vrouwen aanspreken te vergroten – hield op 17 juli een landelijke ‘netwerkdag’. Het Eerste-Kamerlid mevr. H.M. Dupuis hield een inleiding met als thema ‘Het leuke en nuttige van liberale vrouwen in de politiek’.

Op 2 april hield de Bestuurdersvereniging van de VVD haar jaarverga­dering. Met A.W.H. Docters van Leeuwen, lid van de commissie-Dales die het Liberaal Manifest her­schreef, werd gediscussieerd over het ontwerpmanifest. Het jaarlijkse congres vond plaats op 4 en 5 novem­ber. Gesproken werd onder meer over bestuurlijke vernieuwing.

personalia

Op 16 maart overleed C.A. van der Klaauw, een diplomaat die van 1977 tot 1981 minister van Buitenlandse Zaken was geweest in het eerste kabinet-Van Agt.

Senator U. Rosenthal volgde per 1 mei 2005 mevr. N.H. van den Broek-Laman Trip op als fractievoorzitter van de VVD in de Eerste Kamer.

Het Tweede-Kamerlid C.G.A. Cornielje werd met ingang van 1 septem­ber Commissaris van de Koningin in Gelderland. In de Kamer werd hij opgevolgd door J.M. Lenards.

Laatst gewijzigd: 1 29-08-2012 14:14:23