VVD jaaroverzicht 2002

Uit: J. Hippe, P. Lucardie en G. Voerman, 'Kroniek 2002. Overzicht van de partijpolitieke gebeurtenissen van het jaar 2002' in: Jaarboek 2002 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2004), 18-180, aldaar 166-180.

inleiding

Aan het begin van 2002 kon de VVD volgens peilingen op 36 zetels rekenen en leek zelfs het Catshuis binnen bereik. Al gauw begon de libe­rale partij echter aanhang te verliezen, vooral aan Leefbaar Neder­land en vervolgens de LPF. De Tweede-Kamer­verkiezingen verliepen voor de VVD ronduit slecht: veertien van de 38 zetels gingen verloren (zie tabel 2). Ondanks de aanmel­ding van ruim 5.000 nieuwe leden daalde uiteinde­lijk ook het ledental, omdat een nog groter aantal moest worden uitge­schreven (zie tabel 3). De tweede helft van het jaar stond ook voor de VVD in het teken van vernieuwing en verjonging.

commissie Toekomstvisie

Op 14 januari werd de commissie Toekomstvisie ingesteld. De vice-voor­zitter van de VVD, M.G.J. Harbers, gaf hieraan leiding. De com­mis­sie had als taak een lange­termijn­visie op te stellen voor de organisa­tie en inrichting van de partij, “zodat de VVD alle uitdagingen van de 21ste eeuw goed het hoofd kan bieden” (Jaarverslag 2002 van het Hoofdbestuur, 13). Naar verwachting zou de algemene vergadering in 2003 zich over de concrete voorstellen van de commissie buigen.

commissie Versterking autonomie gemeenten

In november 2001 had het hoofdbestuur een commissie ingesteld die naar aanleiding van de in het ontwerpverkiezingsprogram voorgestelde af­schaffing van de Onroe­rende Zaak Belasting (OZB) aanbe­ve­lingen moest doen ten aanzien van de verster­king van de gemeentelijke auto­nomie (zie Jaarboek 2001 DNPP, blz. 89). De com­mis­sie, die werd voor­gezeten door mevr. L.E.J. Engering-Aarts, bracht op de alge­mene ver­gadering van 25 januari 2002 verslag uit onder de titel Ruimte, respect & voor­uit­gang. Sterke gemeenten voor de burger. In dit rapport deed de commissie een aan­tal aanbevelingen om de positie van de ge­meenten (maar ook de provincies) te ver­sterken. Deze werden bespro­ken op de algemene vergadering in april.

verkiezingsprogramma Tweede-Kamerverkiezingen 2002

In oktober 2001 was het ontwerpverkiezingsprogramma van de VVD gepresenteerd, getiteld Ruimte, respect en vooruitgang (zie Jaarboek 2001 DNPP, blz. 88-89). Op 25 en 26 januari 2002 stelde de algemene vergadering in Arnhem het concept vast. Het programma werd op enkele punten aangescherpt – met name het vluchtelingenbeleid zou strenger moeten worden. Het ook binnen de partij omstreden voorstel om de OZB af te schaffen, kreeg voldoende steun van het congres.

kandidatenlijst Tweede-Kamerverkiezingen 2002

In de herfst van 2001 had het hoofdbestuur de ontwerpkandidatenlijst voor de Twee­de-Kamer­verkiezingen opgesteld (zie Jaarboek 2001 DNPP, blz. 88). Het partij­con­gres koos op 26 januari 2002 H.F. Dijkstal bij acclamatie tot lijsttrekker. De kandidatenlijst werd vrijwel zonder wij­zigingen vastgesteld – alleen vanaf plaats 39 vonden enkele ver­schuivingen plaats. Het Tweede-Kamerlid mevr. P.J.D. Rémak trok haar kandidatuur in toen zij van haar 43-ste plaats verdreven dreigde te wor­den.

aanloop naar de Tweede-Kamerverkiezingen 2002

In zijn rede op het partijcongres verdedigde Dijkstal het paarse beleid, behalve inzake asielzoekers en de Wet op de Arbeidsongeschiktheid (WAO). Vooral de PvdA ver­weet hij hier dwars gelegen te hebben: voor hervorming van de WAO zouden de soci­aal-democraten ‘nog nooit een bruikbaar idee’ hebben aangedragen (NRC Handels­blad, 28 januari 2002). Tegen de verwachtingen van veel partijgenoten in zette de libe­rale lijsttrekker niet de aanval op Fortuyn in. Evenmin verklaarde Dijk­stal openlijk de functie van minister-president te ambiëren, al had par­tijvoorzitter H.B. Eenhoorn hem wel als kandidaat genoemd. Dat laatste vormde eigenlijk al een breuk met de traditie: de VVD wees gewoonlijk geen kandidaten aan voor deze functie, met als argument dat de minis­ter-president in Nederland niet gekozen maar benoemd wordt.

Eenhoorn opende vervolgens zelf het offensief tegen Fortuyn, toen nog de lijstaan­voer­der van Leefbaar Nederland. Hij vergeleek hem met Mus­so­lini, “het type ijdele leider die precies zegt wat mensen willen horen” (Trouw, 6 februari 2002). De partij­voorzitter verwachtte een smerige verkiezingscampagne, vooral van Leefbaar Neder­land dat volgens hem een onderzoeksteam had ingesteld om schadelijke infor­matie over het privé-leven van politieke tegenstanders boven water te krijgen. Overi­gens ontkende Leefbaar Nederland dit ten stelligste. Oud-partijleider H. Wiegel, die eerder toegaf een zekere sympathie voor Fortuyn te koeste­ren, viel hem nu ook aan. Hij verwierp de vergelijking met Mussolini, maar verweet Fortuyn wel ‘beginselloze gelegenheids­politiek’ te bedrij­ven en ‘dienaresse van de reactie’ te zijn, in een citaat van de liberale voorman Thorbecke (NRC Handelsblad, 7 februari 2002). Niettemin noemde Wiegel een coalitie van VVD, CDA en Leef­baar Nederland met hemzelf als premier ‘een wenkend perspectief’ (Reformatorisch Dag­blad, 8 februari 2002). Een andere oud-partijlei­der, het lid van de Europese Commissie F. Bolkestein, nam even­eens de handschoen van Fortuyn op. In een toespraak voor de VVD-afdeling Noord­wijk op 4 maart noemde hij de intussen uit Leefbaar Nederland getreden politicus ‘Sjors van de rebellenclub’ en ‘de Emile Ratelband van de politiek’ (de Volkskrant, 5 maart 2002). Tegelijkertijd weet hij de opkomst van Fortuyn aan de linkse partijen, die een streng vreemde­lingenbeleid hadden afgewezen.

gemeenteraadsverkiezingen

De VVD startte haar campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen formeel op 16 februari in Rotterdam. De op 6 maart geleden verliezen – van meer dan driehonderd zetels (zie tabel 1) – brachten ook bij de liberalen een grote schok teweeg. Toch leed de VVD lang niet overal ver­lies. Vooral op het platteland van Groningen, in Brabant en Limburg boek­te ze soms opvallend veel winst – vaak ten koste van lokale par­tijen. In de bin­nenstad van Amsterdam, die voor het eerst een eigen deelraad mocht kiezen, werd de VVD zelfs de grootste partij. In de meeste grote en middelgrote steden gin­gen echter zetels verloren. Het dieptepunt vormde Baarn, waar 17% van de kiezers de liberalen in de steek lieten – merendeels ten voordele van een lokale partij.

In het landelijk lijsttrekkersdebat waarin de raadsverkiezingen bespro­ken werden, maak­te partijleider Dijkstal een bijna even slechte indruk als Melkert, zijn PvdA-col­lega (zie ook in deze Kroniek onder ‘hoofd­momenten’). De liberale leider gaf dit zelf meteen toe: “ik had eigenlijk een half uur eerder moeten vertrekken” (NRC Handels­blad, 8 maart 2002).

campagne Tweede-Kamerverkiezingen 2002

Eenhoorn pleitte meteen voor een andere aanpak in de campagne: “wij moeten geen andere dingen gaan roepen, maar we moeten het wel anders gaan roepen” (NRC Han­delsblad, 8 maart 2002). De verschil­lende coryfeeën van de VVD zouden zich meer als één team moeten manifesteren, meende de partijvoorzitter. Hij sloot niet uit dat Dijkstal na de verkiezingen fractievoorzitter zou worden en het minister-presi­dent­schap wellicht zou toevallen aan Wiegel. Een aantal VVD-leden, waaronder de Twee­de-Kamerleden G. Wilders en P.H. Hofstra, riep op tot een koerswijziging. Dijkstal zou afstand moeten nemen van het paarse beleid en de rechterflank van de partij beter bedienen, vooral waar het vreemdelingenbeleid in het geding was.

Op 16 maart kwamen de voorzitters van de kamercentrales en het hoofdbestuur bijeen in Den Haag voor hun periodiek overleg, waarbij nu de verkiezingscampagne op de agenda stond. In opiniepeilingen was de VVD intussen al geslonken tot 25 zetels: minder dan PvdA, CDA en LPF. De ‘partijbaronnen’ staken Dijkstal een hart onder de riem. Ze gaven hem het vertrouwen dat hij vroeg, maar hij zou wel meer ‘Jip en Janneke taal‘ moeten gebruiken – zo vatte Eenhoorn de boodschap samen (Trouw, 18 maart 2002). Dijkstal noemde deze opmerking later ‘een bedrijfsongeval’, maar beloofde ook beterschap (Vrij Nederland, 30 maart 2002). Hij zou meer aandacht aan het vreemdelingenbeleid besteden en Fortuyn harder aanpakken. Hij verwachtte overigens dat het ‘theater-Fortuyn’ vanzelf weer zou leeglopen, en weet het fenomeen voor een deel aan de ver­wendheid van sommige kiezers, die zich ge­droe­gen als “een wintersport-toerist die gaat skiën in verboden gebied, in een lawine verzeild raakt en dan ook nog kwaad wordt als de red­dingshelikopter te laat komt”(Vrij Nederland, 30 maart 2002). In een lijsttrekkersdebat aan de Erasmus Univeriteit in Rotterdam op 21 maart maakte Dijk­stal opnieuw een weinig inspirerende indruk. De partijtop bleef hem echter steunen toen hij enkele malen uitdrukkelijk om ver­trouwen vroeg, zoals hij in een vraag­ge­sprek onthulde (de Volks­krant, 29 maart 2002).

Minister van Financiën G. Zalm, nummer drie op de kandidatenlijst, viel Fortuyn scherp aan op 17 maart in het discussieprogramma ‘Bui­tenhof’. Hij noemde hem een ‘gevaarlijke man’ die ‘het volk bedriegt’ (Trouw, 18 maart 2002). Zowel Zalm als Dijkstal vreesden dat met de LPF geen deugdelijk financieel beleid gevoerd zou kun­nen worden, al sloten ze samenwerking niet formeel uit. Dijkstal zocht in zijn cam­pagne wel toenadering tot het CDA, echter zonder een duidelijke voor­keur voor een bepaalde coalitie uit te spreken. Wiegel liet zich over de LPF veel positiever uit. Hij hoopte zelfs op een fantastische uitslag voor de LPF: “dan wordt Den Haag eindelijk wakker geschud” (NRC Han­delsblad, 13 april 2002). In juni zou de vroegere partij­leider onthullen dat hij de LPF politiek van advies diende. De gesprekken liepen via F.A. Hoogendijk, kamerlid voor de LPF maar voordien lid van de VVD.

Op 12 en 13 april hield de VVD haar jaarlijkse algemene vergadering in Veldhoven, die onvermijdelijk ook in het teken van de verkiezingen kwam te staan. Dijkstal pleitte in zijn toespraak voor een streng vluch­telingenbeleid, waardoor het aantal asielzoekers zou dalen van 32.000 naar 16.000. Ook Wiegel sprak het congres toe, waarbij hij nadrukkelijk verklaarde Dijkstal als ‘onze kandidaat voor het hoge ambt’ (van minister-president) te beschouwen en zo impliciet afstand nam van de gedachte dat hij zelf kandidaat zou zijn (de Volkskrant, 13 april 2002).

Officieel opende Dijkstal op 27 april in Amersfoort pas de campagne voor de kamer­verkiezingen. Hij viel tamelijk fel de PvdA en het CDA aan. Een coalitie van sociaal-democraten en christen-democraten noemde hij ‘een griezelkabinet’ (NRC Handels­blad, 29 april 2002). Tegelijkertijd vond hij dat het CDA dichter bij de VVD stond dan de PvdA. Europees Commissaris Bolkestein mengde zich evenals Wiegel regel­matig in de verkiezingsstrijd. Hij achtte een coalitie met de LPF beter dan isolering van de nieuwe partij, maar vreesde wel dat Fortuyn als premier in de wereld ‘een plee­figuur’zou slaan, zo verklaarde hij op 1 mei in Amsterdam (Trouw, 2 mei 2002).

Jorritsma

Begin mei raakte de (intussen al demissionaire) minister van Economi­sche Zaken, mevr. A. Jorritsma-Lebbink, in opspraak. Volgens een publicatie in het Algemeen Dagblad (3 mei 2002) had het familiebedrijf Jorritsma in 1999 meer dan een miljoen gul­den aan overheidssubsidie ontvangen voor de bouw van een hotel in Heerenveen (via het Samen­werkingsverband Noord-Nederland). De minister laadde zodoende de schijn van belangenverstrengeling op zich. Zelf ontkende ze dat heftig op een inder­haast belegde persconferentie op 3 mei. Zij had haar aan­delen al in 1994 onderge­bracht bij een stichting (die onder meer door haar dochter bestuurd werd) en elke bemoeienis met het bedrijf ge­staakt. Op 6 mei verantwoordde zij zich in een brief aan de Tweede Kamer. Na de verkiezingen verzocht zij de Algemene Rekenkamer om de subsidieverstrekking te onderzoeken. Ze had bij die verkiezingen overigens ruim 144.000 voorkeursstemmen gekregen.

Eind juni kondigde Jorritsma haar vertrek uit de politiek aan. Een maand daarvoor had zij zich kandidaat gesteld voor het voorzitterschap van de Tweede Kamer, maar zij was niet verkozen. Op 2 juli zuiverde de Algemene Rekenkamer haar van elke blaam. De verstrekking van de subsidie zou geheel buiten haar om zijn geschied en werd in feite niet toegekend door het ministerie maar door het Samenwerkings­ver­band Noord-Nederland.

uitslag Tweede-Kamerverkiezingen 2002

Zoals reeds vermeld ging de VVD er bij de kamerverkiezingen op 15 mei veertien zetels op achter­­uit, van 38 naar 24 (zie tabel 2). De libera­len leden vrijwel overal verlies, maar het meest in de voorsteden van de Randstad. In de gemeenten Edam-Volendam, Naald­wijk en Zandvoort liet meer dan 20% van de kiezers de liberale partij in de steek. Een groot deel ging naar de LPF – die naar schatting acht of negen zetels van de VVD af­pakte – en naar het CDA – dat ongeveer zes zetels aan voor­malige VVD-kiezers te danken had.

terugtreden partijleider Dijkstal

Direct na de verkiezingen verklaarde Dijkstal zich bereid het leider­schap van de partij neer te leggen. Op 16 mei koos de nieuwe Tweede-Kamer­fractie unaniem oud-minis­ter Zalm tot voorzitter. Als nummer twee op de lijst had hij 350.000 voorkeurs­stem­men weten te vergaren.

Op 16 augustus kondigde Dijkstal zijn vertrek (per 1 september) uit de Tweede Ka­mer aan. In een korte brief lichtte hij toe dat de gebeurtenis­sen rond de verkie­zin­gen en de veranderingen binnen de partij het hem onmogelijk maakten effectief als volks­vertegenwoordiger te werken. Zijn zetel viel toe aan het oud-kamerlid S.A. Blok.

verkiezing voorzitter Tweede Kamer

De Tweede-Kamerfractie van de VVD droeg Jorritsma op 28 mei voor als voorzitter van de kamer. Zij moest het echter opnemen tegen partij­genoot F.W. Weisglas, die haar de volgende dag met een ruime meer­derheid versloeg. Weisglas behaalde tachtig stemmen, Jorritsma kreeg 41 stemmen, het LPF-lid (en voormalige christen-demo­craat) J.L. Jans­sen van Raay 24 stemmen.

kabinetsformatie

VVD-leider Zalm toonde zich zeer ingenomen met de formatie van het kabinet-Bal­ken­ende, al was hij zonder enthousiasme de onderhandelin­gen ingegaan (zie in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’). Wellicht juist daarom had de VVD weinig conces­sies hoeven doen.

Ook de partijraad, die op 13 juli in Amersfoort bijeenkwam, bleek tevreden met de uit­komsten van de formatie. In zijn rede betreurde Zalm de zorgtoe­slag voor gezinnen en de uitbreiding van inkomensaf­hanke­lijke kinderkortingen, maar hij kon daar veel tegenover stellen: onder meer een strenger asielbeleid, verbreding van wegen en af­schaf­fing van de OZB. Wel speet het hem, geen vrouwelijke minister te hebben kun­nen voordragen. Vier geschikte kandidates hadden hem nul op het rekest gegeven. Oud-minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Orde­ning en Milieubeheer P. Winsemius kreeg weinig steun voor zijn kritiek op het regeer­ak­koord. Hij noemde het akkoord ‘klassiek rechts’ en vond met name milieubeleid en ontwikkelingssamenwerking er te bekaaid van af komen (Reformatorisch Dagblad, 17 juli 2002). Winse­mius zou voorts op 16 september kritiek leveren op het kabinets­beleid in een open brief die was opgesteld met andere oud-ministers van milieuzaken zoals oud-VVD-leider E.H.T.M. Nijpels. Zij namen vooral de afschaffing van de fis­cale vrijstelling voor milieuvriendelijke spaar­ders en beleggers op de korrel. 

Met de installatie van het kabinet-Balkenende kwamen in de Tweede-Kamerfractie vijf plaatsen vrij, die werden ingenomen door oud-kamerleden. Eind juli verklaarde mevr. W.C.G. Voûte-Droste de Kamer te willen verlaten om ruimte te maken voor jongere liberalen. Het niet zoveel jongere ex-kamerlid M. van den Doel zou echter haar zetel overnemen.

partijvernieuwing

Na de zware electorale nederlaag gingen er binnen de VVD stemmen op om te komen tot organisatorische en programmatische vernieuwing. Reeds op 16 mei vormde zich een groep die meer open discussie in en buiten de partij wilde bevorderen. Het hoofd­bestuur steunde het initia­tief. Deze ‘16 mei Groep’, zoals zij zichzelf ging noemen, hield op 19 oktober een eerste discussiebijeenkomst, met als onderwerp de toe­komst van de Europese Unie. Voor januari 2003 werd een tweede bijeenkomst voorzien. Tot de groep behoorden onder anderen de Eerste-Kamerleden mevr. H.M. Dupuis, P.J.H.M. Luijten en U. Rosenthal, de directeur van het wetenschappelijk bureau, P.C.G. van Schie, en J. de Veth, oud-voorzitter van de VVD-jongerenorganisatie Jon­ge­ren Organi­satie Vrij­heid en Democratie (JOVD).

Op 17 mei publiceerden drie jongeren, De Veth, B. van ‘t Wout en T. Berg­huijs, een pamflet Voor Verandering, Vernieuwing en Democrati­sering. Zij riepen de VVD op om kiezers en leden meer invloed te gun­nen op de kandidaatstelling, te streven naar een kiesstelsel dat de band tus­sen kiezer en gekozene zou verstevigen en burge­mees­ters en Com­mis­sarissen van de Koningin direct te laten kiezen.

Het streven naar verjonging kreeg steun van Wiegel, die ‘de inner circle rond Hans Dijkstal’ opriep om plaats te maken voor jongeren (De Telegraaf, 18 mei 2002). De partijtop had volgens hem een strategische blunder gemaakt door het paarse beleid te verdedigen en een te linkse koers te varen. Bovendien had men niet naar adviezen willen luisteren. De voorzitters van de kamercentrales, die op 18 mei bijeenkwamen, drongen eveneens aan op verjonging van de fractie.

Zalm nam met terugwerkende kracht afstand van het paarse kabinet, dat vooral in de periode na 1998 te vaak halfslachtige compromissen sloot (‘pappen en nathouden’), en waarvan de bewindslieden te veel vasthiel­den aan ‘het pluche’. Hij schreef dit in een interne notitie, die al gauw in de pers verscheen.

Op 15 juni hield de partij een evaluatiebijeenkomst in Hoofddorp. De bijna tweehon­derd bezoekers luchtten vooral hun hart over het falen van hun lijstaanvoerder. Daar­naast klonk kritiek op de kandidaatstellings­procedure. Partijleider Zalm beloofde ver­anderingen op dat gebied. Hij nam het op voor zijn voorganger, maar sprak het ge­rucht tegen dat hij hem een ministerspost in het nieuwe kabinet zou hebben beloofd. Een­hoorn verdedigde eveneens Dijkstal en diens strategie: de partij ver­wachtte im­mers nog in 2001 kiezers in het midden te kunnen winnen en dus naar links te moeten gaan; “toen de aanval over rechts kwam, kon onze linksbuiten Dijkstal die niet pa­reren” (de Volkskrant, 17 juni 2002). De partijvoorzitter trok overigens ook zelf het boetekleed aan, vooral vanwege zijn openlijke kritiek op Dijkstal voor de verkie­zingen. In totaal vonden vier van dit soort evaluatiebijeenkomsten – formeel ‘ver­nieu­wingsbijeenkomsten’, informeel ‘uithuilbijeenkomsten’ ge­noemd – in verschillende regio’s plaats, gedurende de maanden juni en juli. Op de partijraad van 13 juli werd hiervan de balans opgemaakt.

De voorzitter van de Jon­ge­ren Organisatie Vrij­heid en Democratie (JOVD), R. Weide, pleitte op het congres van de liberale jongeren­orga­nisatie op 22 juni in Arnhem voor democratisering van de kandi­daat­stelling in de VVD. Leden zouden de lijsttrekker moeten kiezen. Daar­naast vroeg hij om een rechtsere koers van de VVD.

Op 2 september verscheen het manifest Helder liberaal en duidelijk rechts van E. van de Haar en J. Livestro. Van de Haar was werkzaam bij een adviesbureau, Livestro was persoonlijk medewerker van Euro­pees commissaris Bolkestein en directeur van de Edmund Burke Stich­ting, die in 2000 was opgericht om het conservatieve gedachte­goed in Neder­land uit te dragen. De auteurs pleitten voor een heroriëntatie van de VVD op het klassiek liberale gedachtegoed, in het bijzonder: ver­min­dering van staatstaken, vervanging van de progressieve inkomsten­belas­ting door een gelijke heffing (‘vlaktaks’) voor iedereen, herwaar­dering van het gezin, afschaffing van subsidies voor het bedrijfsleven en van een aantal milieuwetten. De VVD zou zich zodoende duidelijker rechts moeten profileren, aangezien de door Dijkstal ingezette links-liberale koers op een debakel was uitgelopen. Bovendien zouden de leden de partijleider moeten kiezen. De vice-voorzitter van de Tweede-Kamer­fractie, F.H.G. de Grave, vond de analyse van Livestro en Van de Haar ‘niet scherp genoeg’ en zag weinig heil in een ruk naar rechts (NRC Handelsblad, 5 september 2002).

werkgroep Partijvernieuwing

Op 21 september hield de partij een ‘Ideeëndag’ in Ede, waarop met name de op 16 sep­tember verschenen notitie Goed, beter, best van de werkgroep Partijvernieuwing besproken zou worden. De werkgroep was door het hoofdbestuur op 10 juni ingesteld en stond onder leiding van Harbers (die ook de commissie Toekomstvisie voorzat) en telde een vijftigtal leden, waar­onder vice-premier J.W. Remkes en De Grave maar ook Van de Haar. Volgens de werk­groep had de VVD zich ont­wikkeld tot een vage, compromis-gerichte regentenpartij die niet meer de belan­gen van haar kiezers behartigde, te veel beloofde en te weinig kritisch en mediageniek was. De leden zouden meer invloed moeten krijgen op de koers van de fractie – al behield die haar eigen verant­woordelijkheid – en op de kan­didaatstellingsprocedure. Men dacht daarbij aan voorver­kiezingen, leden­raad­plegin­gen en/of regionalisering van de kandidaat­stel­ling. Met enig voorbehoud werd gepleit voor stem­recht voor alle leden (‘one man, one vote’) op partijcongressen, met name bij de vast­stelling van het verkiezingspro­gram­ma.

Op de Ideeëndag bogen zich vijf gespreksgroepen over de toekomst van de partij. Hun werk mondde uit in vijftien aanbevelingen, die ten slotte plenair werden bespro­ken. Gewone leden zouden meer invloed op kan­di­daatstelling en andere beslissingen moeten krijgen. Partijleider Zalm en het partijbestuur lieten aanvankelijk nog in het midden welke aan­be­velingen zij over wilden nemen.

Op 4 oktober bleek het bestuur echter de belangrijkste ideeën te hebben over­genomen in de notitie Minder partij, meer maatschappij. Elk lid zou op het congres (voortaan te noemen ‘algemene ledenvergadering’) stem­recht moeten krijgen en via een schrif­telijke stemming deel kunnen nemen aan de verkiezing van de partijleider. Ook over andere zaken zou een ledenraadpleging mogelijk worden. Het verkiezingsprogram diende echter door afgevaardigden vastgesteld te worden om te voorkomen dat be­langengroepen dat via massale ledenwerving naar hun hand zouden zetten. Wel zou­den leden via een ledenraadpleging de onderwerpen voor het program kunnen bepa­len. Voorts zou er meer ruimte voor debat binnen de partij moeten komen. Kamer­leden zouden het contact met hun achterban dienen te verbeteren en regelmatig met het hoofdbe­stuur een gesprek moeten voeren. Een scoutingscommissie zou kandi­daten voor de Tweede Kamer buiten de partij kunnen werven. Het hoofdbe­stuur zou vervolgens (zoals gebruikelijk) een groslijst opstellen, die dan aan de leden zou worden voor­gelegd. De algemene ledenverga­dering zou slechts met een tweederde meerderheid de voorkeur van de leden kunnen doorbreken.

Deze voorstellen zouden op 23 november aan een buitengewone verga­dering voor­ge­legd worden. Vanwege de val van het eerste kabinet-Balkenende vond dit congres echter niet meer in 2002 plaats.

gekozen burgemeester

Een in maart door het hoofdbestuur ingestelde commissie onder leiding van de Rotter­damse burgemeester I.W. Opstelten presenteerde op 2 juli het rapport Naar een nieuwe ambtsketen van de burgemeester?, waarin werd aanbevolen de burgemeester rechtsstreeks door de bevolking te laten kiezen. De gekozen functionaris zou ver­vol­gens zelf wethouders kunnen aanstellen en zo nodig weer ontslaan. Burgemeesters­ver­kiezin­gen zouden om de vier jaar moeten plaatsvinden, twee jaar na gemeen­te­raads­verkiezingen. De werkgroep brak hiermee met een traditie, aangezien de VVD tot dan toe altijd de benoeming van burgemeesters had verdedigd. Deze procedure achtte de commissie-Opstelten op zich niet verkeerd, maar niet meer strokend met de maatschappelijke en politieke realiteit. Mengvormen, zoals de nu geldende procedure of een door de raad gekozen burgemeester, verwierp de commissie als onlo­gisch en inconsistent.

De partijraad besprak de aanbevelingen op 13 juli. Er klonken bezwaren tegen het presidentiële karakter van de burgemeester in het voorstel, maar uiteindelijk werd het toch niet afgewezen.

Minister Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties steun­de het streven om burgemeesters door de bevolking te laten kiezen, zo ver­klaarde hij op een bijeen­komst van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters op 3 oktober in Haarlem. De voorzitter van het genootschap, de Haarlemse burgervader J. Pop (PvdA) wees het voor­stel overigens af. Remkes legde op 28 november zijn plannen in een voor­lopige versie aan de Tweede Kamer voor.

De algemene vergadering van de VVD wilde op 30 november in Noord­wijkerhout het voorstel echter niet aannemen. Het congres besloot behan­deling uit te stellen en het hoofd­bestuur te verzoeken een extra ‘ver­diepingsrapport’ over de kwestie uit te bren­gen.

Europese Unie

Op 19 oktober discussieerde de VVD over de Europese Unie. Partijlei­der Zalm leek een breed onbehagen te verwoorden in zijn kritiek op de uitbreiding van de Unie met tien nieuwe leden uit Midden- en Oost-Europa. Hij nam daarbij stelling tegenover zijn partijgenoot, de zojuist demissionair geworden staatssecretaris van Buitenlandse Za­ken A. Nicolaï, die het standpunt van het kabinet verdedigde dat Nederland zich niet tegen deze uitbreiding diende te verzetten.

Ook op een bijeenkomst in Leiden op 7 november bleken Zalm en Nicolaï van mening te verschillen over Europese zaken. Dit keer ging het voor­al over de versterking van communautaire instellingen als het Europees Parlement, die Nicolaï (namens het kabinet) verdedigde en die Zalm afwees.

aanloop naar de Tweede-Kamerverkiezingen 2003

Op 16 oktober kwam het eerste kabinet-Balkenende ten val (zie in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’). Met een bijeenkomst in Amsterdam op 21 oktober opende de VVD feitelijk haar campagne voor de ver­vroegde Tweede-Kamerverkiezingen van 2003. Zalm noemde veilig­heid het hoofdthema voor de campagne. Daaraan zou 500 miljoen euro extra besteed moeten worden, mogelijk door te bezuinigen op ontwikke­lings­samenwerking en de publieke omroep. De omroep zou een van de drie netten kunnen inleveren. De opbrengst zou ook kunnen dienen om de spaarloonregeling te handhaven, die het eerste kabinet-Balkenende wilde afschaffen.

kandidatenlijst Tweede-Kamerverkiezingen 2003

Tot 29 oktober konden leden kandidaten aanmelden voor het lijsttrek­kerschap. Zalm bleef echter de enige kandidaat. Voor de rest van de lijst stelde het hoofdbestuur met het oog op de tijdsdruk een groslijst samen op basis van de lijst die in het najaar van 2001 was vastgesteld, al zou het daar enige namen aan toevoegen. Voor een kandi­daatsstellings­commissie bleek geen tijd. Een aantal bewindslieden en kamerleden be­sloot zich niet meer kandidaat te stellen, zoals demissionair staatsse­cretaris H.A.L. van Hooff, mevr. J.M. de Vries (eveneens oud-staatsse­cretaris), A.J. te Veldhuis en J.H. Klein Molekamp.

Op 2 november koos de VVD op een buitengewone algemene vergade­ring in Lunte­ren Zalm tot lijsttrekker. Aanvankelijk was deze dag be­doeld als bijeenkomst van de VVD-Bestuurdersvereniging, maar van­wege de vervroegde verkiezingen werd dit ge­combineerd met een kort partijcongres. Op 4 november maakte het hoofdbestuur de ont­werp­kandidatenlijst bekend. Vergeleken met de vorige lijst was duide­lijk sprake van vernieuwing en verjonging. Van de dertig hoogste kan­didaten van mei waren er veertien verdwenen. Twee nieuwe kandi­daten stonden bij de eerste tien: op nummer drie en vijf de staatssecreta­rissen mevr. M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus en mevr. A.D.S.M. Nijs. Op de plaatsen twee en vier kwamen oudgedienden, respec­tie­velijk minister Remkes en mevr. E.G. Terpstra. Tot de overige ver­kies­bare kan­di­daten behoorden ook een aantal nieuwkomers, zoals de demis­­sionair staatssecretaris M. Rutte (11), Hirsi Ali (16) en mevr. A. van Miltenburg (20).

Een aantal zittende kamerleden werd niet meer kandidaat gesteld. Een van de gepas­seerden was J.D. Blaauw, die dit “weggooien van je ar­chief” noemde: zonder vol­doende ervaren kamerleden zou de nieuwe fractie zich wellicht blameren (Reforma­torisch Dagblad, 16 november 2002). Op 30 november stelde de VVD de kandidaten­lijst vrijwel ongewijzigd vast, op een tweede buitengewone algemene vergadering, dit keer in Noordwijkerhout.

Hirsi Ali

Op de zestiende positie van de liberale kandidatenlijst stond Hirsi Ali, zoals reeds vermeld. Op 31 oktober had de voormalige medewerkster van de WBS, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, bekend gemaakt zich op uitnodiging van de VVD-par­tijleiding kandidaat te stel­len voor deze partij (zie ook in deze Kroniek onder PvdA). Kamerleden toonden zich nogal verrast door de handelwijze van de partijtop. Ande­ren reageerden positief; zo vond Opstelten haar komst ‘ronduit gewel­dig’ (NRC Handelsblad, 2 november 2002). Ze werd tijdelijk aangesteld als fractiemedewerker van de VVD, zodat ze financieel niet meer af­han­kelijk van de PvdA zou zijn. Teruggekeerd uit de Verenigde Staten (waar ze vooral om veiligheidsredenen heen was gegaan) voerde Hirsi Ali eerst binnen de VVD campagne, en vervolgens daarbuiten, zij het voort­durend door lijf­wachten bewaakt. Ze uitte kritiek op het multi­cul­tu­ralisme – ‘goedbedoeld racisme’ in haar ogen (de Volkskrant, 2 december 2002) – en op de islam, die soms op gespannen voet zou staan met de vrijheid van het individu. Ze betuigde echter spijt van haar eerdere uitspraak dat de islam een ‘achterlijke’ godsdienst zou zijn. In decem­ber publiceerde zij een aantal artikelen over vrouwen, islam en integratie onder de titel De zoontjesfabriek.

programma Tweede-Kamerverkiezingen 2003

Op 29 november presenteerde Zalm het ‘verkiezingsplan’ van de VVD, De VVD maakt werk van Nederland geheten en bedoeld als kort verkie­zingsprogramma. Het bevatte zeven kernpunten: een gezonde economie, degelijke overheidsfinanciën, vei­ligheid, beperking van immigratie en meer integratie, meer ruimte voor wonen en ver­keer, meer vrijheid voor onderwijs en zorg, een duidelijke internationale positie.

campagne Tweede-Kamerverkiezingen 2003

Op 12 november voerde Zalm campagne in Oss, waar tussentijdse gemeenteraads­verkiezingen werden gehouden. Hij sprak onder meer Turkse immigranten in een moskee toe. Zalm kreeg soms kritiek op zijn stijl: hij zou te chagrijnig zijn en te weinig lachen. In zijn ‘weblog’ – een nieuw element in de campagne – was hij hier vrij openhartig over. Hij moest zich geregeld verweren tegen de kritiek van (met name) de LPF dat hij het kabinet-Balkenende ten val had gebracht (zie in deze Kro­niek onder ‘hoofdmomenten’). De VVD bleef streven naar een hernieuwde coalitie met het CDA, maar toonde zich soms geïrriteerd door onduidelijkheid van die partij. Zalm verweet de christen-demo­cra­ten onder meer, dat zij de in het regeerakkoord be­loofde verlaging van de benzineprijs (‘het kwartje van Kok’) niet meer na wilden ko­men.

In de peilingen smolt intussen de meerderheid voor een coalitie van CDA en VVD langzamerhand weg. Demissionair vice-premier Remkes hield echter vast aan deze coalitie en sloot een derde partner uit. De LPF kwam als bondgenoot in elk geval niet meer in aanmerking, aange­zien deze zich zelf had gediskwalificeerd, zo maakte Remkes duidelijk in een gesprek met Radio 1 (op 24 november). Minister van Finan­ciën Hoo­gervorst wilde “niet afhankelijk raken van een partij met een paar zetels” en raadde zijn partij aan in de oppositie te gaan indien zij met het CDA samen geen meer­derheid zou halen (de Volkskrant, 2 december 2002). Zalm verklaarde dat zijn partijgenoten alleen voor zichzelf spra­ken. Hij opperde zelf dat D66 of zelfs de Chris­tenUnie een coalitie van VVD en CDA zouden kunnen versterken. Eenhoorn achtte deze ver­deeldheid over coalitievorming geen probleem: “bij ons hoeft het geen koe­koek eenzang te zijn” (Trouw, 3 december 2002). 

In zijn campagne sprak Zalm zich uit tegen islamitische scholen, aange­zien die naar zijn mening de integratie van immigranten in de Neder­landse samenleving zouden bemoeilijken. Hirsi Ali ging nog een stap ver­der en stelde het hele bijzonder onder­wijs ter discussie.

In een lijsttrekkersdebat met PvdA-leider Bos benadrukte Zalm de ver­schillen op fi­nancieel-economisch gebied met de vroegere coalitie­part­ner. De kloof leek niet on­over­brugbaar, maar een nieuwe paarse coalitie lag niet erg voor de hand, zo stelden beiden vast. Zalm bleef hameren op bezuinigingen, maar gaf op 18 december naar aan­leiding van som­bere voorspellingen van het Centraal Plan Bureau toe dat de Neder­landse staat zijn schuld niet meer binnen één generatie zou kun­nen af­los­sen, zoals nog in het program van de VVD beloofd werd. Een over­schot op de begroting leek voor­lopig niet haalbaar. 

Eerste-Kamerverkiezingen 2003

Op 19 oktober presenteerde het hoofdbestuur de ontwerpkandidatenlijst voor de Eerste Kamer. Een commissie onder leiding van oud-senator D. Luteijn had daaraan­voorafgaand met (potentiële) kandidaten gesproken. De lijst werd aangevoerd door mevr. N.H. van den Broek-Laman Trip, Eerste-Kamerlid sinds 1993 en oud-burge­meester van Heemstede. Oud-minister L.M.L.H.A. Her­mans stond op de zesde plaats. Een buitenge­wone algemene vergadering zou de defi­nitieve lijst in maart 2003 vaststellen.

verwante instellingen en publicaties

Op 28 februari hield het lid van de Europese Commissie Bolkestein de tweede Tel­ders­lezing in Leiden over de vraag ‘verzwelgt de massacul­tuur de liberale demo­cratie?’ Bolkestein bond hierin de strijd aan met cultuurrelativisme en tegencultuur. De lezing werd voor de tweede maal georganiseerd door de Prof.mr. B.M. Telders­stichting, het wetenschap­pelijk bureau van de VVD, ter nagedachtenis van de in de Tweede Wereldoorlog omgekomen hoogleraar en voorzitter van de Liberale Staats­partij B.M. Telders. De lezing verscheen vervolgens als brochure.

De Teldersstichting publiceerde in februari Modellen voor de instituties van de Euro­pese Unie, waarin een werkgroep onder leiding van de hoogleraar Europese Studies A. Szasz drie modellen presenteerde voor de vormgeving van de Europese Unie in de komende decennia. In april verscheen de bundel Het democratisch tekort. Interpre­taties en reme­dies onder redactie van P.G.C. van Schie, waarin een aantal weten­schap­­pers hun licht liet schijnen op de parlementaire democratie in Neder­land. Verder hield de Teldersstichting op 20 december een debat over de islam, samen met haar so­ciaal-democratische zusterorganisatie, de WBS. Hirsi Ali kreeg hierbij weinig kri­tiek van de voormalige PvdA-voorzitter mevr. K.Y.I.J. Adelmund op haar visie op eman­cipatie van het individu en de islam.

Op 16 maart organiseerde de Organisatie Vrouwen in de VVD een thema­bijeenkomst over gezondheidszorg, gevolgd door een huishoude­lijke vergadering in Bodegraven. Op 24 mei tekende de voorzitter van de vrouwenorganisatie, mevr. W.C.M. Hessing, een convenant met de voorzitter van de VVD waarbij de opheffing van de Organisatie en de oprichting van een Liberaal Vrouwen Netwerk geregeld werden. De advies­raad en het landelijk bestuur van de Organisatie hadden dit con­ve­nant, dat in 2001 was voor­bereid, op dezelfde dag unaniem goedge­keurd. Formeel vormde het hoofdbestuur van de VVD ook het bestuur van het netwerk. Een lid van het hoofdbestuur werd met het beleid belast, ondersteund door een kleine stuurgroep en een landelijke com­missie Liberaal Vrouwen Netwerk. Op 20 en 21 september hield de vrouwenorganisatie haar slotcongres in Wageningen onder het motto ‘het leven gaat door’, over vragen met be­trekking tot levensloop, car­rière, gezin, pensioen en sociale zekerheid. Op 1 oktober ging het Libe­raal Vrouwen Netwerk officieel van start. Het kwartaalblad van de vrou­­wenorganisatie, De Liberale Vrouw, hield op te verschijnen.

De VVD-jongerenorganisatie JOVD hield op 6 en 7 april een verkie­zingscongres in Assen en op 22 en 23 juni in Arnhem een politiek congres. Op 13 september maakte voorzitter R. Weide in een brief zijn aftreden bekend, vanwege de slechte samen­wer­king met de rest van het bestuur. F. de Lange nam voorlopig het voor­zitterschap waar. Op 23 en 24 november koos de JOVD op het huishoudelijk congres in Roermond De Lange officieel tot voorzitter.

De VVD-Bestuurdersvereniging hield op 23 maart haar jaarvergadering in Utrecht en op 1 en 2 november haar jaarcongres te Lunteren. Op het congres stond de positie van de burgemeester centraal. Als voorzitter van de vereniging werd mevr. L.E.J. Enge­ring-Aarts opgevolgd door M.A.P. van Haersma Buma, burgemeester van Vlietstede (Leidschen­dam-Voorburg).

personalia

L.M.L.H.A. Hermans, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap­pen in het tweede kabinet-Kok en in mei nummer vijf op de kandida­tenlijst voor de Tweede Kamer, nam op 25 juni afscheid van de Kamer en de actieve politiek. Hij zou zich later zoals reeds vermeld wel ver­kiesbaar stellen voor de Eerste Kamer.

Op 12 september trad minister A.H. Korthals van Defen­sie af, nadat de parlementaire enquêtecommissie die onderzoek had gedaan naar de bouw­fraude haar rapport had ge­publiceerd. Hierin stelde zij dat Kort­hals in zijn functie als minister van Justitie de Kamer verkeerd had ingelicht (zie verder in deze Kroniek onder ‘hoofdmomenten’).

Het Tweede-Kamerlid G.M. de Vries werd op 4 oktober benoemd tot Neder­landse ver­tegenwoordiger bij de Europese Conventie die een grond­wet voor de Europese Unie zou ontwerpen, in plaats van Van Mierlo (zie in deze Kroniek ook onder D66). De Vries, die van 1984 tot 1998 lid van het Europees Parlement was geweest, gaf hierbij zijn zetel in de Tweede Kamer op, die toeviel aan J.M. Geluk.

H.H.M. Groen, waarnemend burgemeester van Brielle, werd in novem­ber door de gemeenteraad van Leiden voorgedragen voor het burge­meesterschap van die stad. Hij had in 2000 ontslag genomen als wet­houder van Amsterdam wegens kritiek op zijn declaraties en werd om soortgelijke redenen in 2002 afgezet als voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie (KNAU). Voor de Leidse raad was dit even­wel geen beletsel hem voor te dragen.

Laatst gewijzigd: 1 26-07-2012 11:49:54