VVD jaaroverzicht 1999

Uit: B. de Boer, P. Lucardie, I. Noomen en G. Voer­man, 'Kroniek 1999. Overzicht van de partijpolitieke gebeurte­nissen van het jaar 1999' in: G.Voerman (red.), Jaarboek 1999 Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 2000), 13-92, aldaar 84-92.

inleiding

Het jaar 1999 verliep niet slecht voor de liberalen: in de verkiezingen van Provinciale Staten, Eerste Kamer en Europees Parlement wist de VVD zich redelijk te handhaven. Ook bleef na de 'Nacht van Wiegel' de eenheid in de partij bewaard. De oud-par­tijleider F. Bolkestein kreeg een belangrijke functie in de Europese Commissie. Zorgen baarde alleen het dalend ledental.

Bolkestein

In juli 1998 was Bolkestein als politiek leider van de VVD af­getreden, maar hij bleef nog wel lid van de Tweede Kamer (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 91). In het najaar toonde Bolkestein belangstelling voor de functie van voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad. Hij trok in januari 1999 zijn kandidatuur echter in, toen toonaangevende PvdA- en GroenLinks-leden in de hoofdstad bezwaar maakten tegen zijn persoon. De fractievoorzitter van de PvdA in de gemeente­raad, mevr. B. Irik, ontkende dat Bolke­steins opvat­tingen over de multicul­turele samenleving het struikel­blok vormden. Zij verklaarde geen enkel actief politicus als voorzit­ter van de Kunstraad te accepteren. Bij de GroenLinks-fractie in de raad wogen de 'provocerende' opvattingen van Bolkestein wel duidelijk mee in hun afwijzing van zijn kandi­datuur (Trouw, 9 januari 1999).

In april maakte de VVD bij monde van C. Cornielje, vice-voorzit­ter van de Tweede-Kamerfractie, bekend dat Bolkestein zich kan­didaat had gesteld voor de Europese Commissie. Ook hiertegen koes­terden sommige PvdA-prominenten bezwaren. Melkert vond de kandidatuur te vroeg gesteld. Volgens Europarle­mentariër mevr. H. d'Ancona miste Bolkestein passie voor Europa. De fractievoor­zit­ters van CDA, D66 en GroenLinks in de Tweede Kamer reageerden eveneens nogal sceptisch. Rosenmöller verwachtte dat Bolkestein 'zelfs nog als een rem zou fungeren in de Brusselse slakkenvaart' (NRC-Handelsblad, 9 april 1999). GroenLinks publiceerde een kri­tisch bedoelde bloemlezing van uitspraken van Bolkestein over de Europese Unie, Een Euro­scepticus in Brussel? geheten. Tijdens een debat tussen lijst­trekkers van de Nederlandse delegaties in het Europees Parlement op Radio 1 op 6 juni kreeg de kandidatuur van de liberale leider alleen steun van zijn partijgenoot, J.G.C. Wiebenga. Soms kwam er echter ook bijval uit andere partijen, zoals van Europarlementa­riër J.W. Bertens (D66) en later van de Groninger burgemeester J. Wallage, oud-voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer. Bolke­stein liet zich overigens positief uit over Europese inte­gratie op een bijeenkomst van de Europese Liberalen en Democraten (ELD(R)) in Berlijn, op 30 april.

Uiteindelijk besloot het kabinet op 18 juni Bolkestein unaniem voor te dragen voor de Europese Commissie. Na een kritische hoor­zitting stemde het Europees Parlement in september in met zijn benoeming tot commissaris, belast met de Interne Markt, mits hij zijn voorzitterschap van de Liberale Internationale zou neer­leggen. Dit laatste deed Bolkestein: hij nam op 21 oktober in Brussel afscheid als voorzitter van deze organisatie.

Op 21 september vertrok Bolkestein uit de Tweede Kamer. Zijn zetel werd ingenomen door J.C. van Baalen, die er in 1998 van beschuldigd was in zijn jeugd rechts-extreme sympathieën gekoesterd te hebben maar na onderzoek van een onpartijdige commissie aan het eind van dat jaar gerehabiliteerd werd (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 89-90). De algemene vergadering van de VVD had Bolkestein op 28 mei 1999 tot erelid benoemd.

Provinciale Statenverkiezingen

In 1998 was de VVD met de voorbereidingen begonnen voor de Pro­vinciale Statenverkiezingen (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 92). Ge­zien haar grote succes in 1995 verwachtten de liberalen in 1999 enig verlies. In de verkiezings­campagne profileerde politiek lei­der H.F. Dijkstal zijn partij met kritiek op het verkeersbeleid van het kabinet, dat automobilisten zou behandelen als 'kleine criminelen' (de Telegraaf, 20 februari 1999). Rekening-rijden zou voorlopig niet ingevoerd moeten worden.

Ook het asielbeleid speelde een rol in de verkiezingsstrijd, voor­al naar aanleiding van uitspraken van de hoogleraar ethiek en kandidaat-lid van de Eerste Kamer mevr. H.M. Dupuis, op 1 febru­ari in een televisieprogramma, dat Nederland 'vol loopt' en 'pas op de plaats' moest maken door enige maanden geen asielzoekers meer toe te laten (NRC-Handelsblad, 1 februari 1999). D66-leider De Graaf vond de uitspraak getuigen van een 'verschrikke­lijke naïvi­teit' (de Volkskrant, 2 februari 1999). VVD-leider Dijkstal achtte haar suggestie 'technisch onuit­voerbaar' en in strijd met het Vluchtelingenverdrag dat Nederland had ondertekend, maar opperde wel dat asielzoekers uit bepaalde landen collectief aan de grens geweigerd zouden moeten worden (NRC-Handelsblad, 3 februari 1999). Ook op bijeenkomsten later in de maand pleitte hij voor een scherper uitgevoerd asielbeleid. Op 26 februari bezette een actiegroep het landelijk secretariaat van de VVD in Den Haag uit solidariteit met 'witte illegalen', waarvan een deel op dat moment een hongerstaking hield om een verblijfsvergunning te verwerven. De actievoerders hieven de bezetting de volgende dag op, na een gesprek met Cornielje.

Na de verkiezingen keerde de VVD terug in alle colleges van Ge­deputeerde Staten, behalve in Zuid-Holland. Vooral de PvdA voelde weinig voor samenwerking met de VVD, die de grootste partij in die provincie geworden was. VVD-lijsttrekker J. Nolten noemde de vorming van het 'rood-groen-oranje' college (PvdA, CDA, Groen­Links en SGP) een 'onbegrijpelijke manoeuvre' (NRC-Handelsblad, 12 maart 1999).

de 'Nacht van Wiegel'

In mei stemde de Eerste Kamer over een herziening van de grond­wet, die een corrigerend referendum mogelijk zou maken (zie in deze Kroniek onder 'hoofdmomenten'). De VVD-fractie was hier­over verdeeld: vijf leden hadden aangegeven ernstige bezwaren te koesteren tegen het referendum. De partijtop van de VVD – poli­tiek leider Dijkstal, partijvoorzitter W.K. Hoekzema en vice-premier Jorritsma – oefenden enige druk uit op deze dissidenten. Uiteindelijk stemde in de nacht van 18 op 19 mei alleen oud-par­tijleider H. Wiegel tegen, maar dat was voldoende om de grond­wetswijziging te doen stranden. Binnen de VVD klonk veel sym­pathie en bewondering voor de standvastige opstelling van de senator, maar ook wel kritiek. Dijkstal gaf als commentaar: 'we nemen het Wiegel niet kwalijk dat hij zo heeft gestemd, al had hij bredere belangen moeten laten meewegen' (Trouw, 20 mei 1999). Het partijbureau ontving evenveel positieve als negatieve reac­ties op 'de Nacht van Wiegel', naar men meedeelde.

Premier Kok verweet de liberale dissident 'buitengewoon kwes­tieus' te hebben geopereerd en het kabinet 'willens en wetens en met open ogen te hebben opgeblazen' (de Volkskrant, 22 mei 1999). In de media werd druk gespeculeerd over de motieven voor zijn tegenstem: was het inderdaad uit principiële afkeer van het re­ferendum, zoals hij zelf verklaard had, of uit afkeer van de paarse coalitie en van de liberale concurrent D66, misschien zelfs met de hoop zo het leiderschap van zijn partij te hero­ve­ren? Hoe­wel de senator het referendum reeds lang principieel had ver­worpen, had hij geen voorbehoud gemaakt toen zijn partij het - overigens zwaar geclausuleerd - in haar verkiezingsprogram van 1998 opnam. Wiegel achtte zich daar echter niet aan gebonden: de Eerste Kamer was immers al in 1995 gekozen.

Op 28 en 29 mei vond in Rotterdam de (voornamelijk huishoude­lijke) jaarlijkse algemene vergadering plaats, waar Dijkstal de gele­deren sloot met een aanval op D66. Deze partij zou de crisis in feite hebben veroorzaakt. Tegelijkertijd riep hij de Democraten op, mee te werken aan herstel van de paarse coalitie. Aftredend partij­voor­zitter Hoekzema meende dat zijn partij 'volwassen' had gereageerd op de crisis, maar dat in de toekomst de Eerste Kamer meer aan het regeerakkoord gebonden zou moeten worden dan nu het geval was. De voorzitter van de senaatsfractie, oud-partijvoorzitter L. Gin­jaar, gaf aan daar weinig voor te voelen. De tegenstem van Wiegel werd verder niet besproken.

Wiegel koesterde overigens geen principiële bezwaren tegen het compromis dat VVD, PvdA en D66 op 1 juni bereikten over invoering van een raadgevend referendum: dat zou volgens hem het vertegen­woor­digend stelsel niet aantasten, in tegenstelling tot een cor­rigerend (dus beslissend) referendum. Minder ingenomen waren Wie­gel en andere senatoren met de voorstellen voor beperking van de macht van de Eerste Kamer, die de VVD-Tweede-Kamer­fractie in juni ont­wikkelde. De senaat zou wetsvoorstellen nog slechts met een tweederde meerderheid kunnen verwerpen en met een gewone meer­derheid naar de Tweede Kamer mogen terugzenden, opperde het Tweede-Kamer­lid A.J. te Veldhuis. Grondwetsherzieningen zouden bovendien in een verenigde verga­dering van beide kamers besloten moeten worden, waardoor het gewicht van de Eerste Kamer slechts half zo groot zou zijn als die van de Tweede.

partijvoorzitter

Tijdens de jaarlijkse algemene vergadering droeg Hoekzema op 28 mei het partij­voor­zit­terschap over aan H.B. Eenhoorn, van beroep organisatie-adviseur, maar eerder burgemeester van Voorburg en in de jaren tachtig al lid van het hoofdbestuur van de VVD. In zijn rede riep de nieuwe voorzitter alle leden op, elke week een nieuw lid te winnen. Hij nam zich voor dat zelf ook te doen. Verder vroeg hij om vertrouwen, verdraagzaamheid en visie. Bij zijn afscheid kreeg Hoekzema een klein liber amicorum aangeboden, getiteld Buitengewoon. Willem Hoekzema partij­voorzitter 1994-1999.

De vergadering stelde voorts nieuwe statuten en reglementen vast. Het ging hier niet zozeer om belangrijke inhoudelijke wijzigingen als wel om stroomlij­ning, vereenvoudiging en verduidelijking. Afdelingen zouden niet meer als rechtspersoon kunnen optreden en hadden geen eigen reglement meer nodig.

Eerste-Kamerverkiezingen

In het najaar van 1998 had het hoofdbestuur de ontwerp-kandida­ten­lijst voor de Eerste-Kamerverkiezingen opgesteld (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 92). De algemene ledenvergadering stelde op 13 maart in Papendal bij Arnhem deze lijst definitief vast. Afscheid van de senaat nam onder meer H.P. Talsma, lid van de VVD van het eerste uur, onder­voor­zitter van de partij van 1969 tot 1978 en vanaf 1987 lid van de Eerste Kamer. De voorzitter van de Eerste Kamer, F. Korthals Altes, voerde de lijst opnieuw aan. De voorzitter van de senaats­fractie, Ginjaar, sprak op de algemene vergadering in mei de hoop uit dat Korthals Altes herkozen zou worden als voorzitter van de senaat, ook al was zijn fractie niet langer de grootste en had daarmee het (informele) recht op de voorzittershamer verspeeld. Op 8 juni kon hij deze hoop in vervulling zien gaan. De liberale fractie had overigens wel vier zetels moeten inleveren (zie in deze Kroniek onder 'hoofd­momenten'). In september trad Ginjaar af als fractievoorzitter. Hij werd opgevolgd door mevr. N.H. van den Broek-Laman Trip, burge­meester van Heemstede en tot dan toe vice-voorzitter van de fractie.

Europese verkiezingen

In 1998 trof de VVD de eerste voorbereidingen voor de verkie­zingen voor het Europees Parlement (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 92). Op 23 januari 1999 besprak de partijraad in Bussum het ontwerp-program voor de Europese verkiezingen van de ELD(R), de Europese federatie waarvan de VVD deel uitmaakt. Men ging gro­tendeels akkoord met het ontwerp, maar wilde de paragraaf over asielbeleid aanscherpen en de noodzaak van een Europees beleid meer nadruk geven. Op 13 maart wees de algemene ledenvergadering J.G.C. Wiebenga aan als lijsttrekker bij de verkiezingen en stelde ook de rest van de kandidatenlijst vast.

In de verkiezingscampagne combineerde de VVD weer vermaak en in­formatie ('infotainment'), met muziek, een quiz en toespraken van Dijkstal en andere politici. Jongeren voerden voorkeursacties voor de kandidaten W. Russchen en R. van Benthem, echter zonder veel succes. Wel wist de Brabander T. Manders dank zij ruim 14.000 voorkeursstemmen een zetel te winnen. De VVD boekte lichte winst ten opzichte van 1994, maar bleef op zes zetels staan. Wie­benga werd tot vice-voorzitter van het Europees Parlement gekozen.

parlementaire enquête Bijlmerramp en commissie-Kalsbeek

Eind april uitte het Tweede-Kamerlid M. van den Doel, lid van de parlemen­taire enquête-commissie Bijlmerramp (zie hiervoor in deze Kroniek onder 'hoofdmomenten'), in een vraaggesprek met De Gel­­derlander kritiek op de werkwijze van de commissie. Hierbij noemde hij met name het optreden van zijn mede­commissieleden in het televisieprogramma van cabaretier P. de Leeuw, en de manier waarop gebruik was gemaakt van een omstreden band­opname over de lading van het verongelukte vliegtuig. In een persbericht slikte Van den Doel overigens zijn kritiek weer in en verklaarde hij geen afstand van het eindrapport van de commissie te nemen. Hij stemde echter in juni - in tegenstelling tot andere commissie­leden - tegen kritische moties aan het adres van de ministers Borst en Jorritsma. In dezelfde maand leverde Van den Doel harde kritiek op de commissie en in het bijzonder op voorzitter Meijer. Volgens Van den Doel sprak deze 'met de pet op van de enquête-voorzitter, maar uit zijn mond kwam de taal van de oppositie' (Elsevier, 12 juni 1999). Door zijn optreden zou Meijer de hele enquête in diskrediet brengen. Terugblikkend noemde het liberale kamerlid in december de hele enquête eigenlijk overbodig (NRC-Handelsblad, 31 december 1999).

Ook in de commissie-Kalsbeek, die in juni verslag uitbracht van haar onderzoek naar het opsporingsbeleid van de Nederlandse justitie en politie, kwam het VVD-commissielid tegenover de rest van de commissie te staan. Het Tweede-Kamerlid J.M.L. Niederer achtte in tegenstelling tot de andere commissieleden niet bewezen dat meer dan 15.000 kilo cocaïne met medeweten van corrupte douane- en politiebeambten het land zou zijn binnen­gesmokkeld. Later bood hij commissievoorzitter mevr. E. Kals­beek-Jasperse zijn excuses aan en onder­schreef alsnog de conclusies van de commissie.

Zuid-Holland

In juli werd bekend dat de provincie Zuid-Holland op grote schaal geld had uitgeleend, onder meer 47,5 miljoen gulden aan het han­delshuis Ceteco, dat toen in surseance van betaling verkeerde. In totaal bleek het hoofd van de financiële afdeling van de pro­vin­cie vanaf 1995 op de geldmarkt 1,7 miljard gulden aan leningen te hebben verstrekt. De Commissaris van de Koningin, mevr. J.M. Leem­huis-Stout (VVD), had weliswaar in de Gedeputeerde Staten be­zwaren geuit tegen het financiële beleid van de provincie, maar had zich erbij neergelegd toen ze de gedeputeerden niet kon over­tuigen. Ze had vervolgens de meeste leencontracten 'in the blind' getekend, maar ontkende nu politieke verantwoordelijkheid voor de situatie (Trouw, 19 juli 1999). Dat laatste deed ook de gedepu­teerde voor Financiën, A. de Jong (PvdA), omdat hij pas in fe­bruari was aangetreden.

De Provinciale Staten waren al die tijd niet op de hoogte gesteld van de leenpraktijken en besloten eind juli een onderzoek te laten verrichten door een onafhankelijke commissie onder leiding van oud-minister van Binnenlandse Zaken C.P. van Dijk (CDA). Op 1 oktober presenteerde hij het zeer kritische rapport van de commissie, Een doorboorde buidel geheten, aan Leemhuis. De commissie achtte het besluit van Gedeputeerde Staten uit 1995 om te gaan bankieren riskant, ondeugdelijk en democratisch ontoelaatbaar, omdat het de Provinciale Staten buitenspel zette. Op 6 oktober kondigde Leemhuis in de Statenvergadering haar ontslag aan. Vervolgens nam zij op 1 de­cember officieel afscheid. Ook de verantwoordelijke gedepu­teerden J.W.J. Wolf (PvdA) en J. Heijkoop (CDA) traden af – De Jong had dat al eerder gedaan. Oud-senator D. Luteijn (VVD) zou de functie van Leemhuis tijdelijk waarnemen.

partijraden en overige bijeenkomsten

Op 20 maart hield de partijraad zich in Bussum bezig met de toe­komst van de sociale zekerheid. Het hoofdbestuurslid mevr. S. van Heemskerk Pillis-Duvekot sloot de bijeenkomst af, die geen besluitvormend karakter had.

Op de partijraad in Bussum op 2 oktober over de kabinets­begroting voor volgend jaar sprak de partij haar voorkeur uit voor versneld aflos­sen van de staatsschuld in het geval dat de inkomsten van de overheid hoger zouden uitvallen dan geraamd. Dat was ook de wens van minister G. Zalm van Financiën en van de Tweede-Kamerfractie. De coalitiepartners D66 en PvdA deelden die voorkeur niet; zij zou­­den meer willen investeren in zaken als zorg, milieu, onder­wijs en openbaar vervoer.

Voorts organiseerde de partij open themabijeenkomsten, onder meer in oktober over defensiebeleid en over het nieuwe belasting­plan. Op 29 november vond een 'flitscongres' plaats in Den Haag over deregulering in het onderwijs, waarbij de minister van Onderwijs, L.M.L.H.A. Hermans (VVD), één van de sprekers was.

Op 23 november organiseerde de VVD een seminar voor Midden- en Oost-Europese liberalen over 'the perfect candidate': criteria en procedures voor de selectie van geschikte kandidaten voor poli­tieke functies.

relatie VVD - JOVD

Na lange discussies ondertekenden de VVD en de met haar verbonden Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie (JOVD) een nieuw pro­tocol voor samenwerking om te komen tot één jongerenorganisatie op liberale grondslag binnen de gelederen van de VVD. De los-ge­or­ganiseerde VVD-Jongerencon­tacten zouden in 2000 met de JOVD fu­seren. Het protocol was voorbereid door een commissie onder voor­zitterschap van F. van Dalen; het eindrapport van de commissie werd in september gepubliceerd onder de titel Wie kan delen kan ook vermenigvuldigen. Afgesproken werd dat de VVD geen activi­teiten voor jongeren meer zou organiseren. In het bestuur van elke kamercentrale diende in overleg met de JOVD een jongeren­functionaris aangesteld te worden, die lid van de JOVD moest zijn. Ook in het hoofdbestuur van de VVD zou een hoofdbestuurslid van de JOVD met adviserende stem plaats nemen, en omgekeerd een hoofdbestuurslid van de VVD in het hoofdbestuur van de JOVD. De jaarlijkse algemene vergadering van de JOVD keurde het protocol op 1 mei in Utrecht met een grote meerderheid goed.

Op 13 november organiseerden JOVD en VVD samen een Liberale Jon­geren­dag in Rotterdam, met als thema 'Nederland 2020'. Op 20 en 21 november behandelde de JOVD in Akersloot een beleidsplan voor de nauwere samenwer­king met de VVD en koos enkele nieuwe be­stuursleden. Daarbij ontstond enige commotie, toen bleek dat één van de gekozen bestuurders, M. Verheijen, VVD-raadslid in Grub­ben­vorst was: functies die tot dan toe in de JOVD als onverenig­baar werden beschouwd. Tegenstanders van de samenwer­kings­over­eenkomst met de VVD zagen hun vrees bevestigd dat de JOVD haar onafhan­kelijkheid dreigde te verliezen, maar bleken op het con­gres in de minderheid.

verwante instellingen en publicaties

Op 18 januari publiceerde de Prof.mr. B.M. Teldersstichting, het wetenschap­pelijk bureau van de VVD, het rapport Overheid en in­dustrie. In vijftig jaar van industrialisatie naar kennis­eco­no­mie, waarin staatssteun voor industrie in de periode na de Tweede Wereldoorlog kritisch tegen het licht gehouden werd. De publi­catie, geschreven door M.J.A.M. Aalders en anderen, werd aange­boden aan minister Jorritsma van Economische Zaken. Zij ver­klaarde in principe geen staatssteun aan noodlijdende bedrijven te willen geven, maar uitzonderingen niet uit te sluiten.

In augustus verscheen Krijgsgerommel achter de kim, van de hand van P. van Schie, medewerker van de Teldersstichting, waarin de verschillende veiligheids­risico's voor Nederland in kaart ge­bracht werden. Met het oog op deze risico's zou de krijgsmacht zich niet alleen op vredeshandhaving elders in de wereld, maar ook weer meer op verdediging van eigen grondgebied moeten rich­ten. Minister van Defensie F. de Grave (VVD) deelde de analyse van Van Schie in grote lijnen maar vond dat er eerst goed moest worden nagedacht, voordat men de conclusies over zou nemen.

De Organisatie Vrouwen in de VVD hield haar jaarlijks congres op 23 en 24 april in Noordwijkerhout, met als thema 'geld speelt een rol'. Er werden paneldiscussies gehouden over de euro en over het nieuwe belastingstelsel. Dijkstal, Zalm en Wiebenga hielden in­lei­dingen.

De JOVD vierde op 26, 27 en 28 februari in Den Haag haar vijf­tigjarig bestaan. Oud-VVD-leider Wiegel, die van 1965 tot 1966 voorzitter van de jongerenorganisatie was geweest, werd tot ere­voorzitter benoemd, de oud-voorzitters D.J.D. Dees (evenals Wie­gel Eerste-Kamerlid) en J.W. Remkes (staatssecretaris van Volks­huisvesting en Ruimtelijke Ordening) werden met het erelid­maat­schap onderscheiden. Tijdens het jublileumcongres vonden onder meer debatten plaats over waarden en normen en de toekomst van het milieu in Nederland en werden toespraken gehouden door onder meer de VVD-ministers J.J. van Aartsen van Buitenlandse Zaken, Jorritsma en Zalm. De algemene vergadering van 1 mei stemde in met de samenwerkingsovereenkomst met de VVD (zie hierboven onder 'relatie VVD - JOVD'). Na twee weken schorsing werd de verga­de­ring in Amersfoort afgesloten, waarbij nieuwe statuten werden vastgesteld en J. de Veth als waarnemend voorzitter werd gekozen. Volgens de nieuwe statuten werd de organisatie in drie regio's verdeeld (zie Jaarboek 1998 DNPP, blz. 93-94). Op 19 en 20 juni hield de jongerenorganisatie in Vianen een politiek congres, waarbij het manifest 'Demostaat' en 'Europlan '99' werden be­sproken. Men sprak zich onder meer uit voor een koning(in) met politieke bevoegdheden, en voor verdergaande Europese eenwording.

De Bestuurdersvereniging van de VVD kwam op 17 april bijeen voor haar jaarvergadering in Utrecht, waarbij pleitbezorgers van monisme en dualisme de degens kruisten. Zo hield oud-VVD-leider E.H.T.M. Nijpels, nu Commissaris van de Koningin in Friesland, een – voorzichtig pleidooi voor de gekozen burgemeester. De voorzitter, de burgemeester van Delfzijl E. Haaksman, stelde vast dat de VVD-bestuurders meer open stonden voor vernieuwing van het lokaal bestuur dan vroeger en dualisme niet meer zo gemakkelijk afwezen. De bijdragen werden door de vereniging in samenwerking met de Teldersstichting gepubliceerd in de bundel Dualisme of monisme in het lokaal bestuur? Liberale bouwstenen, onder redac­tie van A.W. Dijk en K. Groenveld. De discussie werd tijdens het jaarcongres op 5 en 6 november in Lunteren voortgezet, waarbij U. Rosenthal, hoogleraar bestuurs­kunde, Eerste-Kamerlid en lid van de staatscom­missie Dualisme en lokale democratie, en de Noord-Hollandse Commissaris van de Koningin J.A. van Kemenade (PvdA) inleidingen hielden.

De Haya van Somerenstichting, belast met scholing en vorming, hield op 30 januari in Utrecht een studiedag over 'culturele verschillen in Nederland', waarbij vooral de Islam veel aandacht kreeg. Inleidingen werden verzorgd door een onderwijsdes­kun­dige, een imam en het Tweede-Kamerlid mevr. F. Örgü (VVD).

De delegatie van de VVD in het Europees parlement publiceerde een brochure getiteld Vrijheid-werk-recht, waarin zij haar opvat­tingen over onderwerpen als vrijheidsrechten, Europees buiten­lands beleid, werkgelegenheid, migratiebeleid en racisme bondig uiteenzette.

personalia

Op 8 januari werd Nijpels, oud-minister en oud-fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer, geïnstalleerd als Commissaris van de Koningin in Friesland.

Op 4 februari veroordeelde het gerechtshof van Leeuwarden oud-staatssecretaris A.J. Evenhuis tot een boete van 50.000 gulden wegens belastingfraude, maar sprak hem vrij van oplichting van de gemeentelijke Groninger Kredietbank. De rechtbank van Groningen had hem in juni 1997 tot een boete van 7.500 gulden veroordeeld (zie Jaarboek 1997 DNPP, blz. 89-90) en eveneens van oplichting vrijgesproken.

Op 26 februari overleed de jurist Th.H. Joekes, van 1963 tot 1989 lid van de Tweede Kamer. Joekes was eerder als journalist werk­zaam geweest en schreef ook romans, detectives en gedichten.

Rotterdam kreeg voor het eerst sinds 1952 weer een liberale bur­gemeester in de persoon van I.W. Opstelten, burgemeester van Utrecht maar in de Maasstad geboren. De vertrouwenscommissie van de gemeenteraad had een lichte voorkeur voor de Eindhovense bur­gemeester R. Welschen (PvdA) boven de VVD-er getoond, maar het kabinet gaf de voorkeur aan Opstelten. Hij werd op 16 februari geïnstalleerd.

Op 1 april trad H. Koning af als president van de Algemene Reken­kamer, wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Koning, die deze functie acht jaar had vervuld, werd als lid van de Rekenkamer opgevolgd door zijn partijgenoot P. Zevenbergen.

Op 2 juni overleed H.J. Louwes, lid van de Eerste Kamer van 1963 tot 1979 en van het Europees Parlement van 1979 tot 1989. Daar­naast was hij akkerbouwer in Groningen gebleven.

Op 30 september overleed H.Th.M. Lauxtermann, lid van de Tweede Kamer van 1977 tot 1989 en van 1991 tot 1993.

Op 1 december werd oud-minister van Defensie en oud-partijleider J.J.C. Voorhoeve lid van de Raad van State.

Laatst gewijzigd: 1 25-07-2012 14:55:55