Campagne Tweede Kamerverkiezingen 1977

Uit: D.J. Elzinga en G. Voerman, Om de stembus. Verkiezingsaffiches 1918-1998 (Amsterdam/Antwerpen 2002), 158-165.

In de vroege ochtend van zaterdag 11 juni 1977 klonk uit de radio hevig mitrailleervuur en het lawaai van laag overvliegende vliegtuigen. De ANP-Nieuwsdienst en de actualiteitenrubrieken deden verslag van het gewelddadige einde van een door Zuid-Molukse jongeren uitgevoerde treinkaping bij De Punt in Drente. Starfighters en mariniers werden ingezet om de 51 gijzelaars uit de intercity-trein 747 te bevrijden. Vrijwel tegelijkertijd bestormden mariniers met gepantserde rupsvoertuigen een lagere school in Bovensmilde. Hier gijzelden Zuid-Molukse jongeren een aantal leerkachten. Drie weken hadden beide acties geduurd. Pogingen om tot een vreedzame oplossing te komen, waren op niets uitgelopen.

Twee dagen voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 25 mei 1977 waren de treinkaping en de schoolgijzeling begonnen. Meteen werden alle campagneactiviteiten stilgelegd. Het voorgenomen televisiedebat tussen de lijsttrekkers van de grote partijen aan de vooravond van de verkiezingsdag werd afgelast. Het Haagse crisiscentrum werd bemand door premier Den Uyl en de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken Van Agt en De Gaay Fortman sr. Overwogen werd om de verkiezingen uit te stellen, maar het kabinet besloot dat de democratie niet voor terreur zou moeten wijken. De bewindslieden zochten in grote harmonie en zonder noemenswaardige meningsverschillen naar middelen om aan de acties een einde te maken. Op vrijdag 10 juni 1977 viel laat in de avond de zware beslissing om geweld te gebruiken. In de trein kwamen bijna alle kapers om het leven.

Terwijl Den Uyl en Van Agt tijdens de gijzelingen eensgezind het beleid uitzetten, hadden zij eerder in de verkiezingsstrijd als kemphanen tegenover elkaar gestaan. De verbeten politieke en persoonlijke strijd tussen de beide lijstaanvoerders vloeide voort uit de val van het kabinet-Den Uyl. In feite had Van Agt het einde van de coalitie van PvdA, KVP, ARP, D66 en PPR op zijn geweten. Het in 1973 gevormde kabinet viel op 22 maart 1977. In een tjokvolle Tweede Kamer zei een verslagen Den Uyl na de val: "Ik heb er behoefte aan op te merken dat het mij op dit ogenblik vreemd te moede is. Ik heb moeten constateren dat het na bijna vier jaar van dit kabinet en twee maanden voor de verkiezingen niet mogelijk is gebleken voor dit kabinet om een aantal van zijn meest wezenlijke programpunten te verwezenlijken."

Het kabinet-Den Uyl was een vechtkabinet. Van de fracties van KVP en ARP werd slechts gedoogsteun ontvangen. Centrale doelstelling was een meer gelijke spreiding van inkomen, macht en kennis. In zijn economisch beleid ondervond de regering grote tegenslagen. Door de oorlog tussen Israël en de Arabieren in 1973 werd Nederland als één van de weinige landen getroffen door een vrijwel volledige olieboycot. Het directe gevolg waren een benzinedistributie en enkele autoloze zondagen. Meer indirect volgde een diepe en wereldwijde economische crisis. Slechts met moeite wist het kabinet aan de gerezen problemen het hoofd te bieden. De sterk oplopende werkloosheid en het snel groeiend overheidstekort zetten de hervormingsvoornemens onder druk. En de coalitiesamenwerking was ook al niet al te hartelijk. Mikpunt van de progressieven werd steeds meer de vice-premier en minister van Justitie, Van Agt. De kritiek op zijn persoon betrof onder andere zijn pogingen om de bestaande abortuspraktijk terug te draaien. Van Agts eigenzinnige optreden en de reacties daarop van de progressieve coalitiepartners vormden de belangrijkste oorzaak van het spaak lopen van de regeringssamenwerking. Toen in het laatste jaar van het kabinet-Den Uyl verschillende hervormingsvoorstellen door het parlement moesten worden aangenomen, was de bereidheid van Van Agt om daaraan mee te werken niet meer aanwezig. Uiteindelijk viel het kabinet over de grondpolitiek.

Bij de verkiezingen van 1977 trokken ARP, CHU en KVP voor het eerst gezamenlijk op. Sinds 1918 had dit confessionele drietal weliswaar nauw samengewerkt, maar nu nam men in federatief verband als Christen-Democratisch Appèl (CDA) met een gemeenschappelijke lijst aan de verkiezingen deel. De ‘inbraak’ van Burger bij de kabinetsformatie van 1972 had de drie confessionele partijen niet voorgoed uit elkaar gespeeld. Eerder was het tegendeel het geval. De ervaringen van de confessionele minderheid in het kabinet-Den Uyl hadden juist laten zien hoe groot het belang was van een samengaan. Wat betreft de coalitiesamenwerking stelde het CDA zich in beginsel neutraal op. "Wij buigen niet naar links, wij buigen niet naar rechts", zo luidde zijn stelregel. Duidelijk was evenwel dat de formatie-1972 in confessionele kring diepe politieke wonden had geslagen. Bovendien wilde men niet nog eens onder het juk doorgaan van een progressieve kabinetsmeerderheid.

PvdA en D66 vonden een progressief-confessionele samenwerking wel voor herhaling vatbaar. De PvdA eiste dan wel spijkerharde afspraken over de realisering van de hervormingsvoorstellen van het kabinet-Den Uyl en ook garanties voor een progressief overwicht (de zogenaamde ‘meerderheidsstrategie’). Onder de leus ‘Kies de minister-president’ deden de sociaal-democraten er alles aan om het premierschap van Den Uyl electoraal uit te buiten. D66 probeerde zich enigszins los te weken van de PvdA en presenteerde zich als ‘het redelijke alternatief’. De partij was door een diep dal gegaan. Organisatorisch was zij op sterven na dood geweest, maar op het laatste nippertje wist Terlouw als opvolger van Van Mierlo D66 uit het politieke moeras te trekken.

De VVD van lijsttrekker Wiegel had vier jaar ongezouten kritiek geleverd op het kabinet-Den Uyl. Een zo groot mogelijke verkiezingswinst en een goede relatie met het CDA waren de belangrijkste uitgangspunten van de liberale campagne. Onder het motto dat een nieuw kabinet zou moeten ‘puin ruimen’, stelde de VVD zich jegens de progressieve partijen sterk polariserend op. Wiegel beklaagde zich erover dat de VVD en ook de andere (kleinere) partijen ongelijk werden behandeld door de media. Met name de televisie zou zich eenzijdig oriënteren op de twee grote partijen; zo zou de (socialistische) VARA de PvdA voortdurend de gelegenheid bieden om thuiswedstrijden te spelen. De viering van de dag van de arbeid op 1 mei en de ‘Sonja Barend-show’ met Den Uyl als gast, werden door de liberale leider als voorbeelden genoemd.

In de campagne domineerde het optreden van Van Agt. De CDA-lijsttrekker spreidde voortdurend een soort politieke naïviteit ten toon die op de zenuwen werkte van zijn tegenstanders in Den Haag. Enkele dagen voor de verkiezingen baarde Van Agt opzien met de mededeling dat hij alleen in het kabinet-Den Uyl was blijven zitten om een meer tolerante abortuswet tegen te houden. Dit vertoon van ‘obstructie’ werd van verschillende zijden gehekeld. Van Agt vermoedde dat de kritiek op zijn persoon was georkestreerd en sprak van ‘actie-beschadiging-lijsttrekker-CDA’. De rol van underdog waarin Van Agt zich liet duwen zou echter uiteindelijk niet zonder succes blijven.

Opvallend aan de stembusuitslag was de rigoreuze verandering in de politieke voorkeuren tijdens het laatste half jaar voor de verkiezingen. Nooit tevoren waren er ook zoveel verkiezingsenquêtes gehouden als deze keer. Nog in december 1976 stond de VVD op enorme winst, de PvdA op een stevig verlies en was D66 bijna weggevaagd. Enkele maanden later was het beeld volledig veranderd. In de uitslag werden de contouren zichtbaar van een politiek driestromenland. De PvdA boekte een grote overwinning. Met tien zetels erbij kwam het zeteltal van de sociaal-democraten op 53. Niet eerder na de oorlog bezat een politieke partij meer dan een derde van de Kamerzetels. Vooral werd winst geboekt in de katholieke steden in het zuiden van het land. De nieuwe confessionele formatie deed het ook niet slecht; van gezamenlijk 48 zetels in 1972 naar 49 zetels nu. Aan de gestage achteruitgang van ARP, KVP en CHU leek een einde te zijn gekomen. Winst was er ook voor de VVD. Met hun 28 zetels waren de liberalen de kleinste van de drie hoofdstromen. Ook D66 ging wat vooruit. Door de magneetwerking van de PvdA liepen de kleinere linkse partijen rake klappen op. De PPR zakte van zeven naar drie zetels en de CPN van zeven naar twee. De PSP werd gehalveerd. Dit electorale trauma vormde de basis voor plannen tot klein-linkse samenwerking in de jaren tachtig. Ook DS'70 en de Boerenpartij kregen het zwaar te verduren.

De kabinetsformatie werd met 174 dagen de langste uit de Nederlandse geschiedenis. De verkiezingsuitslag leek te wijzen op de vorming van een tweede kabinet-Den Uyl. Alle regeringspartijen, met uitzondering van de PPR, hadden winst geboekt. De grote zetelwinst van de PvdA bood deze partij het initiatief. Zeven verschillende personen traden op als informateur of formateur. Door de val van het kabinet was de verhouding tussen Den Uyl en Van Agt van meet af aan een teer punt. Moeizame programmatische onderhandelingen leidden uiteindelijk tot overeenstemming tussen CDA, PvdA en D66. Struikelblok werd echter de verdeling van de ministersposten. Een compromis van 7-7-2 (PvdA, CDA, D66) leek uitkomst te bieden, maar de partijraad van de PvdA hield vast aan 8-7-1. Toen Den Uyl vervolgens weigerde om zowel Van Agt, Kruisinga en Andriessen in het kabinet op te nemen, was voor het CDA de maat vol. Binnen enkele weken vormden Van Agt en de VVD-leider Wiegel daarop het eerste kabinet-Van Agt.

Laatst gewijzigd: 1 14-08-2012 15:12:47