CHU partijgeschiedenis

Door Ron de Jong


geschiedenis

Op 9 juli 1908 werd de Christelijk-Historische Unie (CHU) opgericht. De CHU was het resultaat van een fusie tussen de Christelijk-Historische Partij (CHP) en de Bond van Kiesverenigingen op Christelijk-Historische grondslag in de provincie Friesland; beter bekend onder de naam Friese Bond. De CHP bestond pas sinds 1903 en was de uitkomst van een samengaan van de Vrij-Antirevolutionaire Partij (VAR) en de Christelijk-Historische Kiezersbond (CHK). Tot aan 1940 bleven de bloedgroepen duidelijk herkenbaar, doordat toonaangevende personen uit deze partijen nog lang een prominente rol in de politieke speelden. Toen na de Tweede Wereldoorlog de laatste van deze vooraanstaande personen van het politieke toneel was verdwenen, vervaagden de bloedgroepen.

De CHU was onder het districtenstelsel vooral een verkiezingsmachine. De partij was een unie van kiesverenigingen, die hun autonomie scherp bewaakten. Door het electorale akkoord dat de partijleiding in 1909 en 1913 met de antirevolutionairen en de katholieken sloot, werd de speelruimte van de kiesverenigingen bij het stellen van kandidaten echter aan banden gelegd. In deze akkoorden werden de kiesdistricten en de kandidaten namelijk op centraal niveau verdeeld. Het leidde binnen de CHU tot scherpe botsingen en tot de schorsing van enkele afdelingen.

Onder het districtenstelsel nam de CHU niet aan de regering deel. Dat veranderde na 1918. De CHU had in het interbellum in alle kabinetten zitting en leverde eenmaal de minister-president: D.J. de Geer, van augustus 1939 tot september 1940.

Door de invoering van de evenredige vertegenwoordiging en het algemeen kiesrecht in 1917 voelde de leiding van de CHU de noodzaak de (nieuwe) kiezers te organiseren en aan de partij te binden. Een van de manieren was de opbouw van een christelijk-historisch partijleven. Bij de Algemene Vergaderingen kwam er naast het functionele aspect  zoals het afhandelen van moties - ruimte voor gezellige elementen als bijvoorbeeld een gemeenschappelijke maaltijd. De in 1918 geïntroduceerde groepsvergaderingen dienden niet alleen om de kandidatenlijsten op te stellen, maar ook om de saamhorigheid te bevorderen. Beide bijeenkomsten kregen ook meer het karakter van een wapenschouw. De aantallen bezoekers namen ook snel toe. De belangrijkste innovatie op dit terrein was de introductie in 1922 van de meerdaagse zomerconferentie. Het hoofddoel van deze conferenties was het bevorderen van de onderlinge band. Op lokaal niveau bleek het moeilijker een vitaal partijleven vorm te geven. De belangrijkste oorzaak hiervan was dat de orthodox-hervormde achterban haar identiteit niet in de eerste plaats aan de CHU ontleende maar aan de Nederlandse Hervormde Kerk en het hervormde verenigingsleven. De Unie was daar maar één vereniging tussen vele.

Hoe zwak het cement was dat de CHU bijeen hield, bleek nadat de Duitsers Nederland in mei 1940 hadden bezet en allerlei beperkende maatregelen voor politieke partijen hadden afgekondigd. Veel kiesverenigingen staakten hun bijeenkomsten en besturen vergaderden nauwelijks of in het geheel niet meer. De animo om het partijleven op een of andere wijze voort te zetten was niet bijzonder groot. Nadat eind juni 1941 de politieke partijen werden opgeheven en in oktober het laatste nummer van het partijblad De Nederlander was verschenen, kwam het partijleven helemaal tot stilstand. Van een ondergrondse voortzetting was geen sprake. De CHU speelde als partij nauwelijks een rol in het verzet. Partijleider H.W. Tilanus constateerde achteraf dat voor veel besturen de opheffing van de partijen door de bezetter een mooi excuus was geweest om er een punt achter te zetten.

Net als veel andere Nederlanders stonden ook veel CHU’ers sympathiek tegenover de Nederlandse Unie. Tilanus was echter sceptischer en hield afstand. Hij vreesde dat de Nederlandse Unie zich tot een eenheidsbeweging zou ontwikkelen waarbinnen geen plaats zou zijn voor het protestants-christelijke geluid. Unie-secretaris G.E. van Walsum stond welwillender tegenover de Nederlandse Unie. Nadat Tilanus in oktober 1940 door de Duitsers werd geïnterneerd, vond er onder leiding van Van Walsum een toenadering plaats tot de Nederlandse Unie. Deze avances werden onder andere gevoed door zijn groeiende overtuiging dat er na de oorlog geen plaats meer zou zijn voor de oude partijformaties. Voor Van Walsum had de politieke antithese afgedaan, omdat steeds meer partijen de christelijke grondslagen van het staatsleven erkenden.

Na de bevrijding werd het voortbestaan van de CHU van twee zijden bedreigd. Aan de ene kant waren daar de aanhangers van de ‘doorbraakbeweging’, die de verstarde verzuilde verhoudingen wilden doorbreken. Aan de andere kant waren er de voorstanders van een fusie met de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). De voorstanders van de doorbraak hadden zich verenigd in de Nederlandse Volksbeweging (NVB). Tot hen behoorden vele prominente CHU’ers, onder wie Van Walsum. De vernieuwers zagen in de herwaardering binnen een aantal grote partijen van de geestelijke grondslagen van het Nederlandse volksleven een bewijs dat de politieke antithese zijn tijd had gehad en een mogelijkheid om heel het maatschappelijke en politieke leven van een christelijke geest te doordringen. Een groot aantal van deze vernieuwers was ook actief binnen de vernieuwingsbeweging binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. De hervormde kerk was zich namelijk aan het omvormen tot een zogeheten ‘sprekende’ kerk,  die zich uitsprak over politieke en maatschappelijke kwesties. Kerkelijke en politieke vernieuwing gingen zodoende hand in hand.

Tilanus was uit de bezetting gekomen met de stellige overtuiging dat de oorlog had bewezen dat christelijke organisaties noodzakelijk waren. Aanvankelijk stond hij daarom niet onwelwillend tegenover het idee van vergaande samenwerking of zelfs fusie met de ARP. Door de tegenstand die een mogelijk samengaan echter opriep, kwam hij daar snel op terug. Het parool werd nu terugkeer naar de vooroorlogse verhoudingen. De onvermijdelijke botsing met de vernieuwers die geen terugkeer maar een doorbraak wilden vond plaats op de Algemene Vergadering in februari 1946. De vernieuwers leden een duidelijke nederlaag, zij verlieten merendeels de partij en sloten zich aan bij de PvdA. De Tweede Kamerverkiezingen van 17 mei 1946, de eerste naoorlogse, leverden de CHU acht zetels op – evenveel als in 1937, die overigens een vooroorlogs dieptepunt vormden. Achter deze ogenschijnlijke stabiliteit gingen waarschijnlijk wel veel kiezersbewegingen schuil. De uitstroom van CHU’ers die met de doorbraak meegingen naar de PvdA werd waarschijnlijk gecompenseerd met de terugkomst van kiezers diebij de Tweede Kamerverkiezingen van  26 mei 1937 naar H. Colijn en de ARP waren overgestapt.

Bij de crisis als gevolg van de doorbraak had het voortbestaan van de Unie op het spel gestaan. Bij de problemen rond de kwestie van de Indonesische onafhankelijkheid was dat weliswaar niet het geval, maar dat maakte de heftigheid van het conflict niet minder. Bij de onafhankelijkheid van Indonesië kwam de spanning tussen twee principiële uitgangspunten naar voren, namelijk een uit beginsel afwijzen van de revolutie enerzijds en de erkenning van Gods leiding in de geschiedenis der volkeren anderzijds. Revolutie kon in bepaalde omstandigheden wel legitiem zijn – was Nederland immers zelf niet uit een revolutie voortgekomen! – maar in het geval van Indonesië niet. De Republikeinse opstandelingen waren in de ogen van veel CHU’ers namelijk niet meer dan een bende moordenaars en Japanse marionetten.

De verontwaardiging onder veel CHU’ers over de in hun ogen toegeeflijke houding van de regering tegenover de republikeinen, leidde tot een voor een gouvernementele partij als de Unie opmerkelijk oppositionele opstelling. In 1946 en 1947 nam de CHU niet alleen deel aan buitenparlementaire acties als protestbijeenkomsten, maar organiseerde ze deze soms ook in samenwerking met de ARP. Naarmate het conflict langer duurde en het duidelijker werd dat een terugkeer naar de vooroorlogse verhoudingen niet meer tot de mogelijkheden behoorde, begonnen meer CHU’ers inschikkelijk te worden. Ook Tilanus behoorde tot hen. Uiteindelijk aanvaardde hij de onafhankelijkheid en verantwoordde hij zich door zijn criticasters erop te wijzen dat ook de ontwikkelingen in Azië niet buiten Gods leiding om gingen. Een constatering die pas na lange heftige discussies en in veel gevallen pas nadat Indonesië daadwerkelijk onafhankelijk was geworden, door de meeste CHU’ers werd aanvaard.

Nadat de emoties rond de Indonesische onafhankelijkheid waren weggeëbd brak een decennium van economische wederopbouw en politieke stabiliteit aan. Het lokale partijleven werd weer opgebouwd en tussen 1948 en 1963 nam de CHU weer als vanouds zitting in de regering. Tot 1958 waren dit kabinetten op brede basis. De CHU had haar voorkeur voor christelijke kabinetten ingewisseld voor coalities waaraan de meeste belangrijke partijen deelnamen. Deze ontwikkeling was al in 1939 ingezet, toen De Geer twee sociaal-democratische ministers had voorgedragen voor zijn kabinet. In de tweede helft van de jaren vijftig presenteerde de Unie zich steeds meer als bruggenbouwer tussen socialisme en liberalisme, als de partij die de synthese in het Nederlandse volk zocht. Door deze positie boven de partijen en doordat de christelijk-historische ministers meestal geen bekende persoonlijkheden meer waren zoals vóór 1940, kreeg de Unie een wat flets en weinig geprononceerd profiel. Daar kwam bij dat de Unie doorgaans niet de meest aansprekende departementen kreeg toegeschoven. Telkens kwamen Oorlog, Marine en Uniezaken en Overzeese Rijksdelen bij de CHU terecht. De enige uitzondering was het departement van Justitie tijdens het eerste kabinet-Drees. Het imago van de Unie leed daar ook in eigen ogen onder, zodat een krachtiger optreden bij de formatie van het kabinet-De Quay in 1959  ertoe leidde dat Justitie en Economische Zaken in christelijk-historische handen kwamen.

Een terugkerend heikel probleem voor de CHU was de verhouding tot de Nederlandse Hervormde Kerk. Deze  kerk nam binnen het gedachtegoed van de Unie een bijzondere plaats in. In het beginselprogramma stond immers dat het oordeel van de Christelijke Kerk een van de richtsnoeren en toetsstenen was voor het staatkundig beleid. Sinds de hervormde kerk een ‘sprekende’ kerk was geworden, verkondigde de synode echter regelmatig standpunten waarmee de CHU zich niet kon verenigen, zoals het herderlijk schrijven van de synode in 1955 waarin een voorkeur werd uitgesproken voor niet-confessionele partijen boven confessionele partijen. Ook de uitspraak van de synode tegen kernwapens uit 1962 viel onder CHU’ers in slechte aarde.

Verschillende ontwikkelingen leidden in de jaren zestig tot een herbezinning op de positie van de CHU. Allereerst riep de Europese eenwording de vraag op naar de positionering van protestantse partijen en de verhouding tot de grotere christen-democratische partijen in andere Europese landen. Partij-ideoloog G.C. van Niftrik kwam tot de conclusie dat christen-democratische eenheid ook in Nederland noodzakelijk was. Bovendien wilde hij niet langer het Nederlandse volk centraal stellen, maar de mensheid.

In de christelijk-historische pers werden allerlei leerstukken voorzichtig ter discussie gesteld, zoals het protestantse karakter van Nederland, de politieke antithese en de gelijkstelling van ongeloof en revolutie. Veel vernieuwers streefden een evangelische partij na, waarin het er niet in eerste instantie om zou draaien dat men het evangelie als grondslag erkende, maar vooral dat er naar zou worden gehandeld. Deze discussie leidde tot een sterk hervormingsgezind klimaat binnen de CHU. Tot de hervormers behoorden ook de begin 1966 aangetreden voorzitter A.D.W. Tilanus (de zoon van de oud-partijleider) en secretaris W. Scholten. Zij stelden een hervormingsagenda op waarop het streven naar een vorm van christen-democratische samenwerking hoog genoteerd stond. Een door hen ingestelde werkgroep die de relatie tussen evangelie en politiek moest onderzoeken, kwam tot de conclusie dat de CHU als een evangelische volkspartij moest optreden die de dienst aan de medemens als het belangrijkste uitgangspunt voor politiek handelen moest nemen.

De tegenvallende uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen van 15 februari 1967 – een zetel verlies, waar op winst was gerekend – gaf ruim baan aan de vernieuwers. Een commissie onder leiding van Y. Scholten bracht advies uit over de toekomstige koers. De belangrijkste bevindingen waren modernisering van de verkiezingscampagne door het inhuren van deskundigen, meer gebruik maken van de televisie, en het in dienst nemen van professionele krachten (te financieren door contributieverhoging). Verder diende er een commissie te komen die het functioneren van de christelijk-historische Kamerleden ging beoordelen en moest de lijsttrekker gekozen worden door de Unieraad. Ten slotte diende de CHU een beginselpartij te worden met een politiek programma. Op de Algemene Vergadering van december 1967 werden de meeste voorstellen van de commissie overgenomen. In een resolutie werd verder vastgelegd dat de CHU samenwerking met de ARP en de KVP nastreefde en een vooruitstrevend programma zou opstellen.

De vruchten van de partijvernieuwing zouden bij de Tweede Kamerverkiezingen van 28 april 1971 duidelijk moeten worden. De verkiezingscampagne werd begeleid door een reclame- en een publicrelationsbureau. De moderne technieken die werden toegepast vielen echter niet in goede aarde bij de achterban. Zo werd lijsttrekker B.J. Udink in een trucagefoto met lange haren afgebeeld en bezochten Udink en freule C.W.I. Wttewaal van Stoetwegen de zogeheten ‘Damslapers’ om te laten zien dat ook de CHU open stond voor de problemen van de moderne jeugd.

Intussen verkilde de verhouding tussen de Christelijk-Historische Jongeren Organisatie  (CHJO) en de CHU. Conflicten rond de kandidaatstelling voor de Kamerverkiezingen van 1971 en een lastercampagne tegen de voormalige voorzitter van de jongerenafdeling J. Huijsen leidden ertoe dat de contacten zelfs verbroken werden. Deze werden echter niet lang daarna weer hersteld, maar nieuwe conflicten rond de kandidaatstelling voor de Kamerverkiezingen van 1972 leidden tot een hernieuwde breuk.

Inmiddels waren begin 1967 de gesprekken begonnen tussen de CHU, de KVP en de ARP, die tot de vorming van het Christen Democratisch Appèl (CDA) zouden leiden. Aanleiding vormde het feit dat de drie christelijke partijen voor het eerst sinds 1918 geen meerderheid in de Tweede Kamer hadden behaald. Twee zaken waren bij deze gesprekken van belang: de grondslagendiscussie over de nieuwe partij en de actuele politieke ontwikkelingen. Bij de grondslagendiscussie nam de CHU een middenpositie in tussen KVP en ARP, waardoor zij  een bemiddelende rol kon spelen. De zogeheten ‘antwoordfilosofie’ van de KVP’er P.A.J.M. Steenkamp stond dicht bij het christelijk-historische standpunt. In deze filosofie werd het samenbindende element van het CDA gezocht in het politieke antwoord op de boodschap van het evangelie dat als richtsnoer voor het politiek handelen fungeerde. Deze grondslag stond dicht bij het christelijk-historische standpunt dat niet-christenen voor christelijke partijen konden kiezen vanuit de erkenning dat Nederland een christelijke,  op bijbelse grondslag rustende natie was.

Een dreigend obstakel voor de vorming van het CDA was de plaats die de CHU in de periode 1973-1977 in de oppositie innam, terwijl ARP en KVP juist het kabinet-Den Uyl steunden. De politieke profilering die een van de opdrachten van de vernieuwing van de CHU was, leidde ertoe dat de Unie aanvankelijk meer als een oppositiepartij optrad dan als de gouvernementele partij die ze voorheen altijd was geweest. Deze oppositionele rol had een remmend effect op de fusiegesprekken. Dit gold in het bijzonder voor de zogeheten ‘politieke hypotheek’. Dit hield in dat de CHU de beslissing om met een gezamenlijke lijst met ARP en KVP bij de eerstvolgende Kamerverkiezingen uit te komen, afhankelijk maakte van de feitelijke parlementaire en politieke situatie van dat moment. De Unieraad haalde in december 1975 echter de angel uit de ‘politieke hypotheek’, toen hij besloot dat de beoordeling van het kabinet-Den Uyl de christen-democratische eenwording niet in de weg mocht staan en ook niet de vorming van een gemeenschappelijke lijst. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 25 mei 1977 kwam dan die CDA-lijst. Op de laatste Algemene Vergadering van de CHU op 13 september 1980 hief de Unie zich op.

ideologisch-programmatische ontwikkeling

In het programma van de CHU uit 1909 waren de opvattingen van de verschillende fusiepartners duidelijk herkenbaar. Zo werd onder invloed van de Friese Bond de neutrale overheid afgewezen en benadrukt dat Nederland een protestantse natie was. Ook het uitgangspunt dat het niet om de ‘majoriteit’ ging maar om de ‘autoriteit’, ofwel: niet om de meerderheid van de kiezers maar om het gezag van Gods woord, was van de Friese Bond afkomstig. Daarentegen kwam het staatsrechtelijk deel van het program grotendeels uit de koker van de CHP.

Het christelijk-historisch denken ging uit van naties. God had een verbond gesloten met de volkeren en niet met individuen. De eenheid van de Nederlandse natie mocht daarom niet worden losgelaten. Deze gedachte had belangrijke gevolgen. Zo was de CHU tegen verzuiling omdat die  het opgeven van de eenheid impliceerde; tegen het denken in volksdelen omdat het Nederlandse volk christelijk was en dus geen volksdelen kende; en tegen de antithese die gebaseerd was op de verdeling van het Nederlandse volk in een christelijk en een niet-christelijk deel.

Hoewel de CHU er vanuit ging dat Gods hand in de geschiedenis niet aanwijsbaar was, waren er toch twee zaken waarvan aangenomen mocht worden dat ze door God gewild waren: Willem van Oranje en daarmee het Huis van Oranje, en de Reformatie en daarmee de Nederlandse Hervormde Kerk. Hieruit volgde voor de Unie dat Nederland krachtens de geschiedenis en Gods wil een constitutionele monarchie en een protestantse natie was die ook in deze geest bestuurd diende te worden, ook als de meerderheid van de bevolking rooms-katholiek of niet-gelovig was.

Op grond van deze opvattingen zou een positie boven de partijen of een bemiddelende rol voor de hand hebben gelegen. Toch was dit voor 1940 niet het geval. De CHU trok namelijk steeds op met de katholieken en de gereformeerden. De verklaring hiervoor ligt in het leerstuk van de politieke antithese. Nederland was een christelijke natie en de politieke partijen dienden dat te erkennen door zich op christelijke grondslag te plaatsen. Zolang er in Nederland echter partijen waren die geen christelijke basis hadden, was christelijke partijvorming en christelijke samenwerking geboden. Deze politieke antithese zag de CHU dan ook van tijdelijke aard. Zodra de andere partijen zich namelijk ook op christelijke grondslag plaatsten, kon het bestaande partijenstelsel door een ander worden vervangen.

In de praktijk was de olitieke antithese  voor veel CHU’ers echter een duurzame zaak. Tot de poging tot de doorbraak in 1945 bestond er ook weinig aanleiding om zich af te vragen of het tijdstip was aangebroken de politieke antithese te laten vallen. Tijdens de doorbraak beantwoordde een minderheid deze vraag weliswaar positief en verruilde de CHU voor de PvdA, maar de overgrote meerderheid van de achterban bleef de Unie trouw.

De parlementaire oorsprong van de CHU kwam duidelijk naar voren in de staatsrechtelijke opvattingen. Overeenkomstig de dominante opvattingen uit het derde kwart van de negentiende eeuw was de Unie voorstander van Kamerleden die onafhankelijk stonden ten opzichte van de kiezers, de partij en de regering. De CHU stelde daarom geen verkiezingsprogramma’s met beloftes op, de fractie weigerde zich te binden aan een regeringsprogramma, en overleg tussen fractie en geestverwante ministers was spaarzaam.

De CHU verwierp de volkssoevereiniteit. De overheid ontleende in haar optiek haar gezag aan God en niet aan de volkswil. Wel moest de overheid haar gezag ten gunste van het volk aanwenden. De Staten-Generaal was in de christelijk-historische visie ontstaan om de wensen van het volk kenbaar te maken. Deze relatief bescheiden plaats van het parlement kwam tot uiting in de gouvernementele houding van de fractie. Voormalig fractievoorzitter Tilanus stelde nog in 1980 dat het parlement geen wantrouwende houding paste.

De vernieuwing die in de tweede helft van de jaren zestig inzette, sloeg ook neer in het nieuwe beginselprogramma en het politiek program uit  Het beginselprogram bepaalde dat het optreden van de CHU doordacht moest worden in gemeenschap met de kerken wereldwijd en met de in de maatschappij werkzame organisaties. Het nationale kader werd zo ingewisseld voor een internationalr oriëntatie en naast de kerk kregen ook maatschappelijke organisaties een gezaghebbende stem. Een ander opmerkelijk punt was de emancipatie van de burger tegenover het overheidsgezag. De nadruk lag niet langer op het overheidsgezag dat aan God werd ontleend, maar op de dienstbaarheid van de overheid tegenover de burgers. Die burger kreeg ook rechten als het recht op sociale zekerheid, op werk en gezondheidszorg. Verder werd de politieke antithese geschrapt. Partijvorming op basis van het evangelie was mogelijk, maar niet langer vanzelfsprekend. De CHU bleef zich wel verzetten tegen het opdelen van de samenleving in groepen. Die opsplitsing liep echter niet meer alleen tussen christenen en niet-christenen maar ook tussen rassen, tussen verschillende afkomst of tussen maatschappelijke positie.

In het politiek program stond een internationale oriëntatie centraal, gericht op de verwerkelijking van vrede, veiligheid en samenwerking. Dit moest gerealiseerd worden door een internationale rechtsorde, door uitbouw van de bevoegdheden van de Verenigde Naties en door verdergaande Europese samenwerking. Daarnaast stond de CHU maatregelen voor die de participatie van de burger moesten bevorderen. Hiertoe behoorden onder andere het openbaar maken van overheidsdocumenten en het organiseren van openbare hoorzittingen.

organisatorische ontwikkeling

Vóór 1918 was het kiesdistrict de hoeksteen van de organisatie van de CHU. De kiesverenigingen in een kiesdistrict vormden een districtsvereniging. Het primaire doel van deze vereniging was leiding geven aan de verkiezingen. Zij stelde in haar district de kandidaat bij de verkiezingen. Elke districtsvereniging zond een afgevaardigde naar het zogeheten Nationaal Comité, dat belast was met de politieke leiding van de Unie. De definitieve vaststelling van de politieke koers was voorbehouden aan de Algemene Vergadering. Het Nationaal Comité koos uit zijn midden het hoofdbestuur. De eerste voorzitter was De Savornin Lohman. De betekenis van het Nationaal Comité en een hier en daar voorkomend Provinciaal Bestuur was in de praktijk echter betrekkelijk gering. De zwaartepunten in de Unie lagen bij de districtsverenigingen, het Hoofdbestuur en de Kamerleden.

De invoering van het algemeen kiesrecht en de evenredige vertegenwoordiging in 1917 had belangrijke gevolgen voor de organisatie van de CHU. Het doel van een kiesvereniging werd nu, naast het (uit)voeren van de verkiezingscampagne, het organiseren van zoveel mogelijk kiezers. In 1919 waren er 518 kiesverenigingen met ongeveer 25.000 leden, ruim een kwart van het aantal stemmen dat de CHU bij de Tweede Kamerverkiezingen van 3 juli 1918 had behaald. Voor de verkiezingscampagnes werkten de kiesverenigingen nu samen in Staten- en Kamerkringen.

Elke Staten- en Kamerkring hield jaarlijks een Algemene Vergadering, maar de belangrijkste vergaderingen waren die van de Unie zelf. Daar werd de politieke toestand besproken, de politieke opstelling bepaald en het beginselprogram en de statuten vastgesteld of aangepast. De algemene leiding lag bij het hoofdbestuur, dat uit 27 stemhebbende leden bestond waarvan er achttien door de Kamerkieskringen werden afgevaardigd en negen door de Algemene Vergadering werden gekozen. Het hoofdbestuur koos uit zijn midden het dagelijks bestuur, dat aanvankelijk zes en later negen leden telde.

De Tweede Kamerfractie had een sterke greep op de partijtop en de pers. Het dagelijks bestuur bestond in het interbellum voor zeker de helft uit Kamerleden. De functies van voorzitter en partijsecretaris werden op enkele kortdurende uitzonderingen na door prominente Kamerleden bekleed. Het christelijk-historisch dagblad De Nederlander stond na het terugtreden van De Savornin Lohman als hoofdredacteur tussen 1921 tot 1934 onder redactie van één of meerdere Kamerleden.

Na deTweede Wereldoorlog was de belangrijkste organisatorische vernieuwing binnen de CHU de oprichting van de Unieraad. Deze was in 1951 op aandrang van de Algemene Vergadering ingesteld, naar aanleiding van de conflicten rond de Indonesische onafhankelijkheid. De Unieraad moest als adviescollege voor het bespreken van de politieke gedragslijn voor een grotere politieke inspraak van de leden zorgen. Bovendien koos de Unieraad uit het hoofdbestuur de voorzitter van de CHU. Maar ook met de Unieraad bleef de grip van de Tweede Kamerfractie op de organisatie groot. Zo was fractievoorzitter Tilanus van 1945 tot 1958 tevens partijvoorzitter. H.K.J. Beernink, van 1946 tot 1958 Kamerlid en secretaris van de CHU, volgde hem in 1958 als voorzitter op. Tussen 1963 en 1965 was hij zowel voorzitter van de Tweede Kamerfractie als van de Unie. Net als voorheen bleef de partijstructuur na 1945 gedecentraliseerd. Een centrale ledenadministratie ontbrak en de contributieafdracht aan de centrale partijorganen was zo gering dat professionalisering onmogelijk was.

De partijvernieuwing waarmee tegen het einde van de jaren zestig was begonnen, had ook gevolgen voor de organisatie. Allereerst werd het niet meer toegestaan om het voorzitterschap van de partij en de fractie te combineren. Verder werd de positie van de Unieraad verstevigd, onder meer doordat dit orgaan voortaan de lijsttrekker zou kiezen. Verder dienden de fractievoorzitter van de Eerste en Tweede Kamer ieder voorjaar een toelichting op het gevoerde beleid te geven. De taakafbakening tussen Unieraad en hoofdbestuur bleef echter problematisch, zodat beide organen in 1972 samengevoegd werden onder de naam Unieraad. Verder werd een forse contributieverhoging doorgevoerd, waardoor een voorlichter kon worden aangesteld en een wetenschappelijk medewerker bij de in 1955 opgerichte jhr. mr. A.F. de Savornin Lohmanstichting. De stichting kon daardoor haar pretentie van wetenschappelijk bureau beter waarmaken en de CHU-politici ondersteunen.

De CHU kende enkele nevenorganisaties. In 1916 werd de Vereniging van Christelijk-Historische leden van gemeentebesturen in Nederland opgericht. In 1927 ontstond de Federatie van Christelijk Historische Jongerengroepen, die later CHJO zou gaan heten. In 1939 waren er 128 groepen aangesloten met in totaal 3361 leden. In 1935 werd de Centrale van Christelijk Historische Vrouwengroepen opgericht. Bij de Centrale waren in 1939 22 afdelingen aangesloten met ongeveer 800 leden. Daarnaast werd vanaf 1922 jaarlijks de driedaagse Zomerconferentie georganiseerd.

electorale ontwikkeling

De CHU was een electoraal behoorlijk stabiele partij. Onder het districtenstelsel behaalde de Unie bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1909 en 1913 twaalf respectievelijk tien zetels van de 100. Na de invoering van de evenredige vertegenwoordiging en het algemeen kiesrecht kwam de partij meestal uit op tussen de 7,5 en 10% van de geldige stemmen. Het hoogtepunt lag in de jaren twintig van de twintiste eeuw met iets meer dan 10%. Daarna liep de aanhang terug tot doorgaans  8 à 9% in de periode 1948-1967. De Tweede Kamerverkiezingen van 1971 en 1972 verliepen dramatisch met respectievelijk 6,3% en 4,8% van de stemmen.

Geografisch lagen de streken waar de CHU de meeste stemmen behaalde in de zogeheten Bible Belt. Bolwerken onder het districtenstelsel waren de kiesdistricten Dokkum, Harlingen, Zwolle, Apeldoorn, Katwijk, Bodegraven, Schiedam en Goes. Na 1917 bleef dit patroon grotendeels hetzelfde. Wel kwamen er nieuwe streken bij waar de CHU goede resultaten boekte, zoals het Utrechts veengebied rond Breukelen, Ede en omgeving, en het noorden van Overijssel. Opmerkelijk is dat de CHU relatief goede resultaten behaalde onder de niet-katholieke kiezers in Noord-Brabant en Limburg.

De Unie was een plattelandspartij. Bij alle Kamerverkiezingen tussen 1918 en 1972 was er een sterk negatief verband tussen het inwonertal van een gemeente en het christelijk-historisch verkiezingsresultaat. Verkiezingsonderzoek uit de jaren vijftig laat zien dat voor de CHU-kiezers religie het overheersende stemmotief was. Sterk gewaardeerd werden de christelijke sfeer en de christelijke beginselen van de Unie. In een onderzoek uit 1954 kwamen de kiezers van de CHU als het minst politiek geïnteresseerd naar voren. Ze bezochten ook relatief weinig kiesvergaderingen. Traditie en gewoonte waren bij de CHU relatief sterk aanwezige stemmotieven.

De CHU was een hervormde partij. In een onderzoek uit 1956 was 94% van de respondenten die aangaven op de CHU te stemmen, nederlands-hervormd. Dit was echter geen exclusieve band, want van alle nederlands-hervormde respondenten gaf slechts 26% aan op de CHU te stemmen. Onder de kerkelijk meelevende hervormde kiezers lag dat percentage met 44% weliswaar een stuk hoger, maar ook daar bestond geen exclusieve relatie. De meerderheid van de kerkelijk meelevende hervormden bracht een stem uit op een andere partij dan de CHUt. Het sterke verlies in 1971 en 1972 kan grotendeels aan twee ontwikkelingen worden toegeschreven. Enerzijds nam de groep kerkelijk meelevende hervormde kiezers af en anderzijds nam de steun voor de CHU binnen die groep ook af. De vanzelfsprekendheid tussen geloof en politieke keuze werd steeds minder.

typering

De CHU was een hervormde plattelandspartij. De Unie had een parlementaire oorsprong, wat tot uiting kwam in een zwakke partijorganisatie, een sterke positie van de Kamerfractie binnen de partij, en een lage organisatiegraad van de kiezers. De CHU hechtte sterk aan de onafhankelijkheid van de afgevaardigden, was wars van verkiezingsprogramma’s met hun beloften en van verkiezingscampagnes. De partij hechtte sterk aan dualisme, maar niet vanuit gelijkwaardigheid: de overheid, met haar aan God ontleende gezag, stond hoger dan het parlement. De eenheid van de natie nam een belangrijke plaats in binnen het christelijk-historische gedachtegoed. In de politiek moest het belang van heel het volk worden behartigd. Een minister mocht geen partijman zijn. De CHU verwierp de antithese en ging niet verder dan de politieke antithese, die bovendien tijdelijk was.

Laatst gewijzigd: 1 04-06-2018 16:14:36