Het effect van nieuwe politieke partijen

Sommige nieuwe partijen komen met grote ambities naar Den Haag. Pim Fortuyn zei ooit: “Ik word de volgende minister-president, let u maar op”. Vaak zien nieuwe partijen een andere rol voor zichzelf: de Unie 55+, een ouderenpartij die in 1994 met één zetel in de Tweede Kamer kwam, omschreef het ooit als volgt : “Natuurlijk zal de Unie, alhoewel er reeds circa 3,5 miljoen potentiële kiezers van vijfenvijftig jaar en ouder zijn, geen meerderheid in de Kamer verkrijgen, zelfs niet op korte termijn tot de grote partijen gaan behoren. Toch kan haar invloed groot zijn. Elke zetelwinst zal ten koste gaan van andere partijen. Vooral omdat het programma het Nederlandse volk zal aanspreken en zeker niet als extreem kan worden beschouwd, zullen bestaande partijen, teneinde zetelverlies te beperken, punten uit dit programma overnemen (…).”

Die laatste ambitie van nieuwe partijen om de prioriteiten van bestaande partijen te beïnvloeden, staat centraal in het proefschrift van Simon Otjes, die sinds 1 november aan het DNPP verbonden is als onderzoeker. Hij promoveerde op 31 oktober 2012 aan de Universiteit Leiden. Hij onderzocht het effect van nieuwe partijen op de aandacht die bestaande partijen besteden aan thema’s in zowel verkiezingsprogramma’s en parlementaire debatten. Het proefschrift richtte zich op alle nieuwe partijen die het Nederlandse parlement zijn gekomen sinds de Tweede Wereldoorlog.

De centrale uitkomst van het onderzoek is dat in de parlementaire arena nieuwe partijen wel een sterk effect hebben op de aandacht die bestaande partijen besteden aan bepaalde onderwerpen, maar dat in de electorale arena zo’n effect afwezig is. In verkiezingsprogramma’s van de bestaande partijen is er geen consistent effect van de aanwezigheid van nieuwe partijen zichtbaar. In de aandacht die partijen aan onderwerpen besteden in parlementaire debatten is er wel een helder effect van nieuwe partijen zichtbaar. De aanwezigheid van een nieuwe partij leidt tot een toename in aandacht voor het thema dat die nieuwe partij centraal stelt. Als nieuwe partijen sterk gefocust zijn op hun eigen onderwerp of als ze groter zijn is dit effect sterker: zowel de Partij voor de Dieren (PvdD, een kleine partij die sterk gefocust is op dierenwelzijn) als de Lijst Pim Fortuyn (LPF, een grote partij die in haar parlementaire werk geen concentratiepunten had maar zich breed oriënteerde) zijn voorbeelden van partijen die het onderwerp dat centraal stond in hun programma (voor de PvdD landbouw en dierenwelzijn en voor de LPF immigratie en integratie) hoog op de agenda hebben gezet. Dit duidt erop dat er verschillende mechanismes een rol spelen: de LPF vormde omdat ze zo’n grote groep kiezers wist te mobiliseren een serieuze bedreiging voor de bestaande partijen. Bestaande partijen hebben dan ook het voorbeeld gevolgd van deze electoraal succesvolle partij. De PvdD heeft omdat ze zo gefocust was op landbouw het parlementaire debat daarover gedomineerd. Bestaande partijen hebben niet alleen deelgenomen aan de debatten die de PvdD agendeerde omdat dat van hen verwacht werd, maar ook om dat ze alleen zo grip konden houden op manier waarop er in de Tweede Kamer gepraat en gestemd wordt over landbouw: als ze niet meededen, dan werd alleen het radicale anti-dierenrechtengeluid van de Partij voor de Dieren gehoord.

Niet alle nieuwe partijen zijn succesvol: de Unie 55+, die juist de ambitie had om via de bestaande partijen invloed uit te oefenen op het ouderenbeleid, is een voorbeeld van een weinig succesvolle nieuwe partij in de termen van dit onderzoek. Zij kwam in 1994 met één zetel in de Tweede Kamer, op de vleugels van grote maatschappelijke onrust over bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid: tijdens de campagne stelde het CDA voor om de AOW te bevriezen. De Christendemocraten leden een zwaar verlies. De bestaande partijen hadden aan het verlies van het CDA gezien dat alleen al het doen van voorstellen op het gebied van zorg of sociale zekerheid kon leiden tot een slechte verkiezingsuitslag en lieten het onderwerp rusten. Bovendien focuste het enige Kamerlid van de Unie 55+, Bertus Leerkes, zich niet sterk op ouderenbeleid: hij diende in totaal drie moties in: over verkeer, de economie en de zorg.

Het promotie-onderzoek laat zien dat nieuwe partijen hun eigen onderwerp hoog op de politieke agenda kunnen zetten – niet zozeer op de electorale, maar vooral op de parlementaire agenda. Deels hebben nieuwe partijen dit zelf in de hand: als ze zich niets aantrekken van de agenda van de Tweede Kamer en zich sterk focussen op hun eigen onderwerp, kunnen ze de agenda mede bepalen.

Laatst gewijzigd: 1 11-12-2012 16:49:49